Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BD0151

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
16-04-2008
Datum publicatie
06-06-2008
Zaaknummer
07-5600
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij aanvraagprocedure (ingangsdatum) niet in overeenstemming met de WWB (artikelen 41 en 44) gehandeld. Aanbieden zgh meerkansbaan (gesubsidieerde arbeid) is voorziening als bedoeld in art 9, lid 1, sub b WWB. Aangeboden arbeid voldoet aan gestelde in artikel 10 WWB. Weigering medewerking is verwijtbaar. Terecht maatregel tot 1 maand 100% opgelegd. Beroep op artikel 13 ESH en artikel 4 EVRM kan niet slagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 07 - 5600 WWB

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 april 2008

in de zaak van:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde: mr. M.J. van der Staaij, advocaat te Beverwijk,

tegen:

het college van burgemeester en wethouders van Beverwijk,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 februari 2007 heeft verweerder de aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) voor de periode van 12 december 2006 tot en met 21 januari 2007 afgewezen en ingaande 22 januari 2007 een uitkering toegekend, met toepassing van een maatregel van 100% gedurende één maand.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 14 maart 2007 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 10 juli 2007, verzonden 11 juli 2007, heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 17 augustus 2007 beroep ingesteld.

Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 21 januari 2007, alwaar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. R. Samad. Verweerder is verschenen bij C. van Bodegom en M. Verhagen.

2. Overwegingen

2.1 Uit de stukken blijkt dat eiser bij brief van 9 december 2006 heeft verzocht weer in aanmerking te mogen komen voor een uitkering op grond van de WWB. Nadat verweerder hem bij brief van 11 december 2006 heeft bericht dat hij zich in dat geval diende te vervoegen bij het CWI, heeft eiser zich op 12 december 2006 bij het CWI gemeld. Blijkens de rapportage van 19 februari 2007 heeft er een zogeheten rechten en plichtengesprek (R&P) plaatsgevonden en daarbij is eiser aangemeld voor een Meerkansbaan bij de Meergroep. Op 27 december 2006 heeft eiser zich weer gemeld bij het CWI. Naar aanleiding van het gevoerde R&P gesprek is eiser opnieuw aangemeld bij de Meergroep voor een Meerkansbaan. Uit de stukken blijkt dat eiser bij de Meergroep op 29 december 2006 aangenomen en dat het dienstverband (aangegaan met een proeftijd van een maand) per 8 januari 2007 door Meerwerk is beëindigd. Blijkens de rapportage einde dienstverband zou eiser op de eerste werkdag, 3 januari 2007, na twee uur zijn werkplek hebben verlaten, zonder dit te melden en heeft hij zich op 4 januari 2007 ziekgemeld. Op 8 januari 2007 heeft eiser een gesprek gevoerd met de bedrijfsarts, waarbij deze hem heeft medegedeeld dat hij in staat is te werken. Op 9 januari 2007 bleek eiser niet op zijn werk te zijn verschenen.

2.2 Op 22 januari 2007 heeft eiser zich opnieuw bij het CWI gemeld en op 31 januari 2007 heeft met hem een intakegesprek plaatsgevonden. Besloten is eiser niet opnieuw aan te melden en hem een aanvraag te laten indienen. Verweerder heeft vervolgens besloten tot toekenning van de aanvraag om bijstand met ingang van 22 januari 2007. Verweerder stelt, onder verwijzing naar artikel 44 WWB, dat geen bijstand kan worden toegekend over een periode gelegen voor de datum dat hij zich heeft gemeld bij het CWI. Verweerder stelt dat eiser zich pas twee weken na de ontslagdatum bij de Meergroep heeft gemeld bij het CWI en acht dit geen redelijke termijn. Verweerder ziet geen dringende redenen om af te wijken van de meldingsdatum CWI. Tevens heeft verweerder ingaande 22 januari 2007 een maatregel toegepast van 100% gedurende één maand. Verweerder stelt dat een meerkansbaan algemeen geaccepteerd werk betreft en dat eisers houding valt te kwalificeren als een zeer ernstig tekortschieten (als bedoeld in artikel 6 van de gemeentelijke verordening). Daarbij is in de visie van verweerder een maatregel uit de zwaarste categorie van 100% gedurende één maand aangewezen.

2.3 Eiser komt op tegen de ingangsdatum en de opgelegde maatregel. Eiser betoogt dat verweerder ten onrechte als ingangsdatum 22 januari 2007 aanhoudt omdat hij zich geruime tijd voordien al had gemeld. Eiser stelt zich verder op het standpunt dat hem geen werk is aangeboden dat kan worden aangemerkt als algemeen geaccepteerde arbeid, nu het geen werk betrof dat "door vrijwel iedereen als normaal wordt gezien". Eiser heeft daarbij gewezen op de informatiebrochure van het Ministerie van SZW 'de nieuwe Wet werk en bijstand, zo snel mogelijk weer aan het werk'.

2.4 De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

2.5 Wat betreft de ingangsdatum stelt de rechtbank vast dat verweerder heeft aangesloten bij de datum van de (laatste) melding bij het CWI op 22 januari 2007. Uit de stukken blijkt evenwel van een (eerste) melding/registratie bij het CWI op 12 december 2006. Verweerder stelt zich op het standpunt, zo begrijpt de rechtbank, dat de melding van 12 december 2006 niet heeft geleid tot de totstandkoming van een uitkeringsaanvraag, daar eiser is doorverwezen naar de Meergroep voor een meerkansbaan en dat de uitkeringsaanvraag formeel niet eerder dan op 22 januari 2007 is ingediend.

2.6 Artikel 41 WWB legt de procedure vast van een aanvraag bij het CWI voor een bijstandsuitkering. Het CWI doet de intake. Uit de toelichting volgt dat deze fase van de behandeling van essentieel belang is om de aanvrager vanaf het moment van melding te begeleiden naar werk en om via een actieve poortwachter te bewerkstelligen dat alleen diegenen een uitkering krijgen voor wie er geen andere mogelijkheden zijn. Dit laat onverlet het bepaalde in artikel 44 WWB. Ingevolge het eerste lid van dit artikel wordt, indien door het college is vastgesteld dat recht op bijstand bestaat, de bijstand toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voor zover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen. Artikel 44, tweede lid, van de WWB, voor zover hier van belang, bepaalt dat de belanghebbende zich heeft gemeld als zijn naam, adres en woonplaats zijn geregistreerd en hij in staat is gesteld zijn aanvraag in te dienen bij het CWI, als het een aanvraag betreft als bedoeld in artikel 41, eerste of vierde lid van de WWB. Ingevolge het derde lid kan het college, indien de belanghebbende de aanvraag niet zo spoedig mogelijk indient nadat hij zich heeft gemeld en hem dit te verwijten valt, in afwijking van het eerste lid, besluiten dat de bijstand wordt toegekend vanaf de dag dat de aanvraag is ingediend.

2.7 Vaststaat dat op 12 december 2006 geen melding bij het CWI als bedoeld in artikel 44, tweede lid, van de WWB tot stand is gekomen. Eiser is niet in staat gesteld op dat moment zijn aanvraag om bijstand in te dienen. Blijkens de rapportage van het CWI is eiser op 12 december 2006 langs geweest met het doel om een bijstandsuitkering aan te vragen. Deze aanvraag is echter, zo blijkt uit voormelde rapportage, door de handelwijze van het CWI niet tot stand gekomen, daar eiser op dat moment is doorverwezen naar de Meergroep.

2.8 Ingevolge art. 2.3, derde lid, van het Besluit Suwi wordt bij de melding, bedoeld in art. 44, tweede lid, van de WWB door het CWI met de belanghebbende een afspraak gemaakt voor een gesprek waarin de aanvraag in ontvangst wordt genomen. Door het CWI wordt bevorderd dat het gesprek op een zo kort mogelijke termijn na de melding plaatsheeft. De wetgever stond met de invoering van de Wet Suwi voor ogen dat uitkeringsgerechtigden zich in eerste instantie dienen te melden bij het CWI, waarna het CWI de benodigde gegevens verzamelt en de afstand van betrokkene tot de arbeidsmarkt bepaalt. Wat bijstandsgerechtigden betreft heeft de wetgever voorts beoogd een efficiënte taakverdeling in het leven te roepen tussen het CWI en de gemeentelijke instelling belast met de uitvoering van de wet, met dien verstande dat de uitkeringsintake bij aanvragen om algemene bijstand als regel door het CWI wordt gedaan, waarna de zaak binnen een termijn van in beginsel acht werkdagen wordt overgedragen en de beoordeling van het recht op bijstand plaatsvindt door burgemeester en wethouders. Uit de toelichting op art. 2.3 van het Besluit Suwi blijkt voorts dat de daar bedoelde afspraak wordt gemaakt om elke onduidelijkheid over het moment waarop de bijstandsuitkering wordt aangevraagd weg te nemen.

2.9 Dat het een praktische toepassing is om indien dit is aangewezen direct na de melding bij het CWI de aanvrager aan te melden bij de Meergroep en de officiële aanvraagprocedure "in de wacht te zetten", daarin kan de rechtbank meegaan. Dat laat evenwel onverlet dat het onder deze omstandigheden eiser niet kan worden verweten dat op 12 december 2006 geen melding als bedoeld in artikel 44, tweede lid, van de WWB tot stand is gekomen. De rechtbank komt tot de conclusie dat verweerder dient te onderzoeken of betrokkene vanaf 12 december 2006 recht heeft op bijstand, overeenkomstig de hoofdregel in artikel 44 WWB. In zoverre kan het bestreden besluit dan ook geen stand houden. De rechtbank geeft verweerder hierbij in overweging dat mogelijk toepassing zou kunnen worden gegeven aan het derde lid van artikel 44 WWB of aan artikel 18, tweede lid WWB.

2.10 Ten aanzien van de toegepaste maatregel overweegt de rechtbank het volgende.

2.11 In artikel 7, eerste lid, onderdeel a WWB, is bepaald dat het college verantwoordelijk is voor het ondersteunen van personen die algemene bijstand ontvangen (...) bij arbeidsinschakeling en, indien het college daarbij het aanbieden van een voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling noodzakelijk acht, voor het bepalen en aanbieden van deze voorziening.

2.12 In artikel 8, eerste lid, onderdeel a WWB, is bepaald dat de gemeenteraad bij verordening regels stelt met betrekking tot het ondersteunen bij arbeidsinschakeling en het aanbieden van voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a. In artikel 8, eerste lid, onderdeel b WWB, is bepaald dat de gemeenteraad bij verordening regels stelt met betrekking tot het verlagen van de bijstand, bedoeld in artikel 18, tweede lid.

2.13 Krachtens artikel 9, eerste lid, van de WWB is de belanghebbende verplicht:

a. naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, te verkrijgen en deze te aanvaarden, waaronder begrepen registratie als werkzoekende bij de CWI (...);

b. gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling, alsmede mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.

2.14 Uit artikel 10, eerste lid, van de WWB vloeit voor verweerder de verplichting voort personen die algemene bijstand ontvangen ondersteuning bij arbeidsinschakeling te bieden.

2.15 Artikel 18, tweede lid, van de WWB bepaalt, voor zover hier van belang, dat indien de belanghebbende naar het oordeel van het college tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan, het college de bijstand verlaagt overeenkomstig de verordening bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b. Van een verlaging wordt afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

2.16 In de hier bedoelde gemeentelijke Maatregelenverordening Wet werk en bijstand 2007 wordt op grond van artikel 4 de bijstand eenmalig met € 100,- verlaagd wanneer de belanghebbende naar het oordeel van het college ernstig is tekortgeschoten in: a. het naar vermogen verkrijgen of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid; b. het meewerken aan een voorziening die in het kader van de WWB wordt aangeboden of die, gezien aard en doel gelijk is te stellen met een WWB voorziening; c. het betonen van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan; d. zijn gedrag jegens het college. Ingevolge artikel 6, eerste lid, wordt de bijstand gedurende één maand met het volledige recht op bijstand over die maand verlaagd wanneer de belanghebbende naar het oordeel van het college zeer ernstig is tekortgeschoten in één of meer van de in de artikelen 3 en 4 van de verordening genoemde opzichten. Op grond van het tweede lid van artikel 6 van de verordening is van zeer ernstig tekortschieten als bedoeld in het eerste lid in elk geval sprake als vaststaat of redelijkerwijs is aan te nemen dat: a. het beroep door belanghebbende op algemene bijstand gedurende meer dan een maand het gevolg is van diens handelen of nalaten; b. de belanghebbende middelen heeft verzwegen waarmee hij gedurende meer dan één maand in zijn levensonderhoud kon voorzien. Op grond van artikel 7 van de verordening kan het college de maatregel, gelet op de mogelijkheden van de belanghebbende en de omstandigheden waaronder het verwijtbare handelen of nalaten plaatsvond, hoger of lager dan als bepaald in de artikelen 3, 4 en 6 vaststellen.

Op grond van artikel 8 kan het college de maatregel, gelet op de omstandigheden van persoon of gezin, hoger of lager vaststellen dan met toepassing van de vorige artikelen.

2.17 De rechtbank stelt voorop van oordeel te zijn dat het aanbieden van een zogeheten meerkansbaan valt aan te merken als een voorziening als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB, respectievelijk artikel 4, onder b, van de verordening. Het betreft hier immers een vorm van gesubsidieerde arbeid. De rechtbank verwijst hierbij naar de Memorie van toelichting bij de WWB waar bij de artikelsgewijze toelichting bij artikel 7 aangegeven wordt dat gesubsidieerde arbeid is aan te merken als een voorziening zoals bedoeld in onderhavig artikel. Uit de wetsgeschiedenis valt af te leiden dat in de WWB het primaat is gelegd bij arbeidsinschakeling. De WWB verstaat onder arbeidsinschakeling: het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling, met andere woorden reguliere arbeid. Gesubsidieerde arbeid wordt gezien als een voorziening die is gericht op arbeidsinschakeling. Het aanbieden van een voorziening is (niet meer dan) een instrument voor de gemeente om de betrokkene uiteindelijk door te kunnen laten stromen naar ongesubsidieerde (en dus reguliere) arbeid. De betrokkene mag dan ook van de gemeente verdere ondersteuning verwachten, gericht op die doorstroming. Indien de gemeente gesubsidieerd werk aanbiedt, dan dient er sprake te zijn van algemeen geaccepteerde arbeid. Algemeen geaccepteerde arbeid is die arbeid die algemeen maatschappelijk aanvaard is (dat wil zeggen: werkzaamheden die niet ingaan tegen de integriteit van de persoon) en dat geldt voor zowel reguliere betaalde arbeid als voor gesubsidieerde arbeid.

2.18 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld, zo begrijpt de rechtbank, dat eiser verwijtbaar heeft gehandeld in strijd met de in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a van de WWB opgenomen verplichting dat hij niet naar vermogen heeft getracht algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden en bepaald dat de maatregel behorend bij de in artikel 4, onder a (juncto artikel 6) van de verordening vermelde gedraging wordt opgelegd. In zoverre komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, Awb. Wel ziet de rechtbank aanleiding met toepassing van artikel 8:72, derde lid, Awb de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

2.19 Uit artikel 10, eerste lid, van de WWB vloeit voor verweerder de verplichting voort eiser ondersteuning bij arbeidsinschakeling te bieden. De gemeente heeft de mogelijkheid een voorziening aan te bieden en het is aan de gemeente om, mede op basis van een re-integratieadvies van het CWI, te bepalen of een ondersteuning richting arbeidsinschakeling noodzakelijk is. Het aanbod is het resultaat van maatwerk, enerzijds een individuele benadering en anderzijds passend binnen het gemeentelijke re-integratiebeleid, ook gelet op de beschikbare financiële kaders en de lokale arbeidsmarkt. De rechtbank heeft geen aanleiding te oordelen dat de door verweerder aan eiser aangeboden meerkansbaan niet zou voldoen aan het gestelde in artikel 10 WWB. Het staat eiser uiteraard vrij op eigen initiatief pogingen tot het verkrijgen van werk te verrichten, maar dat geeft hem geen rechtvaardiging om medewerking te weigeren aan het door verweerder ingestelde traject en het in dat kader gedane aanbod. De WWB verplicht eiser tot het geven van zijn volle medewerking aan een door verweerder ingesteld traject. De door eiser aangevoerde omstandigheden kunnen hieraan niet afdoen. In dit verband overweegt de rechtbank voorts nog dat de wetgever geen beperkende voorwaarden heeft gesteld aan aard en omvang van het werk en aansluiting op opleiding en ervaring teneinde zo te bereiken dat een eventueel beroep op inkomensondersteuning zo kort mogelijk is. Dat is, gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van de WWB, het uitgangspunt van deze wet. Daarbij dient uiteraard wel te worden gekeken naar aansluiting bij individuele mogelijkheden van de persoon in verband met gezondheid en belastbaarheid. Niet is gebleken dat hier aan voorbij is gegaan.

2.20 Met het aanbieden van de meerkansbaan heeft verweerder eiser een op arbeidsinschakeling gerichte voorziening aangeboden, waaraan eiser, ingevolge artikel 9, eerste lid, onder b, van de WWB, verplicht was mee te werken. Door zijn medewerking te weigeren heeft eiser verwijtbaar gehandeld in strijd met deze wettelijke verplichting, zodat verweerder op grond van artikel 18, tweede lid, WWB in samenhang met de maatregelenverordening, artikel 4, onder b, gehouden was een maatregel op te leggen. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van een situatie waarin elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt en evenmin van bijzondere omstandigheden om van het opleggen van een maatregel af te zien.

2.21 De rechtbank onderschrijft voorts het oordeel van verweerder dat hier sprake is van een zeer ernstig tekortschieten als bedoeld in artikel 6 verordening. Gelet hierop was een verlaging van 100% gedurende één maand aangewezen.

2.22 De rechtbank zal, gelet op het vorenstaande, het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen voor zover dit betrekking heeft op de ingangsdatum. Het bestreden besluit kan stand houden voor zover het ziet op de toepassing van de maatregel.

2.23 De rechtbank ziet aanleiding een proceskostenveroordeling uit te spreken als in het dictum aangegeven.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep gegrond

3.2 vernietigt het bestreden besluit van 11 juli 2007 voor zover dit betrekking heeft op de ingangsdatum;

3.3 draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op dit punt;

3.4 veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,- te betalen door de gemeente Beverwijk aan de griffier;

3.5 bepaalt dat de gemeente Beverwijk het door eiser betaalde griffierecht van € 39,- aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F. Miedema, rechter, en op 16 april 2008 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. H.R.A. Horring, griffier.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.