Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BD0014

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
16-04-2008
Datum publicatie
21-04-2008
Zaaknummer
375309 AO VERZ 08-179
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek ontbinding arbeidsovereenkomst. Verweerder is medio 2005 mishandeld door een collega, waarna deze collega door de werkgever is ontslagen. De werkgever heeft de ontslagen collega inmiddels weer in dienst genomen. Verweerder heeft zich, na op het werk met de ontslagen collega te zijn geconfronteerd, ziek gemeld. De werkgever wenst de arbeidsovereenkomst met verweerder te beëindigen, omdat de mediation is mislukt doordat verweerder geen werkzaamheden wil verrichten zolang zijn voormalige collega in dienst is.

Omdat verweerder aangeeft geen heil meer te zien in de voortzetting van de arbeidsovereenkomst, wordt deze ontbonden.

Aan verweerder komt een vergoeding toe, nu de gevolgen die het weer in dienst nemen van de ontslagen collega voor hem heeft, in de risicosfeer van de werkgever vallen. In de omstandigheid dat niet is gebleken dat de werkgever tijdens de mediation een open en onbevooroordeelde houding tegenover verweerder heeft ingenomen én bovendien in de procedure met niet eerder aan verweerder tegengeworpen verwijten het verzoek onderbouwt, ziet de kantonrechter aanleiding voor een vergoeding met de correctiefactor C = 1,5.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 611
Burgerlijk Wetboek Boek 7 685
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2008/154
AR-Updates.nl 2008-0290
JAR 2008, 154

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector kanton

Locatie Haarlem

zaak/rep.nr.: 375309/ AO VERZ 08-179

datum uitspraak: 16 april 2008

BESCHIKKING ONTBINDING ARBEIDSOVEREENKOMST

inzake

de besloten vennootschap PRINS STAALHANDEL B.V.

te Haarlem

verzoekster

hierna: Prins

gemachtigde: mr. J. Brons

tegen

[verweerder]

te [woonplaats]

verweerder

hierna: [verweerder]

gemachtigde: mr. S. Matadin

De procedure

Op 28 februari 2008 is ter griffie een verzoekschrift ontvangen van Prins strekkende tot voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [verweerder]. [verweerder] heeft een verweerschrift ingediend.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 9 april 2008. Op deze zitting hebben partijen hun standpunten nader toegelicht. De gemachtigden hebben pleitnotities overgelegd. Prins heeft het doen zeggen dat het verzoek dient te worden gelezen als onvoorwaardelijk. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen verder naar voren hebben gebracht.

Beide partijen hebben producties in het geding gebracht.

De feiten

1. [verweerder] is op 1 september 2004 bij Prins in dienst getreden in de functie van productiemedewerker, tegen een salaris van (laatstelijk) € 1.759,09 bruto per maand exclusief 8% vakantiegeld (en overige emolumenten).

2. Op 5 augustus 2005 heeft een vechtpartij plaatsgevonden tussen [verweerder] en een andere werknemer van Prins, zekere [XXX]. Bij deze vechtpartij is Prins door een derde, eveneens werknemer van Prins, genaamd [YYY] (hierna: [YYY]) tegen het hoofd geschopt.

3. Prins heeft bij de politie Kennemerland/Haarlem aangifte gedaan van mishandeling door [YYY]. Het proces-verbaal van aangifte luidt onder meer als volgt:

“Toen ik daar zo lag met [XXX] […] op de grond voelde ik opeens een trap tegen mijn hoofd. […] Daarna voelde ik nog een trap op dezelfde plek. Daarna voelde ik een trap op mijn voorhoofd.”

4. [YYY] is na het incident op 5 augustus 2005 door Prins ontslagen en door de strafrechter veroordeeld.

5. Bij een gesprek op 19 november 2007 heeft Prins [verweerder] medegedeeld voornemens te zijn [YYY] weer in dienst te nemen.

6. Op 2 januari 2008 is [YYY] bij Prins in dienst getreden. [verweerder] heeft zich diezelfde dag ziek gemeld.

7. Op 7 januari 2008 heeft [verweerder] het spreekuur van de bedrijfsarts bezocht.

8. Bij brief van 9 januari 2008 heeft de bedrijfsarts onder meer het volgende aan Prins medegedeeld:

“Er is […] sprake van arbeidsongeschiktheid door ziekte. […] De beperkingen van uw medewerker liggen op het gebied van persoonlijk en sociaal functioneren. […] Hoewel er beperkingen zijn acht ik uw werknemer wel in staat om gesprekken te voeren over de oplossing.”

9. Bij brief van 9 januari 2008 heeft Prins [verweerder] verzocht op korte termijn een afspraak te maken “om een gesprek te hebben over jouw werkweigering wegens de aanname van de heer [YYY].”

10. Bij brief van 10 januari 2008 heeft [verweerder] Prins laten weten een second opinion te hebben aangevraagd bij het UWV en in dit stadium een gesprek met Prins niet aan te kunnen.

11. Bij brief van 21 januari 2008 heeft de bedrijfsarts aan Prins medegedeeld dat de situatie ongewijzigd was en mediation geadviseerd.

12. Op 7 februari 2008 heeft het UWV onder meer het volgende aan [verweerder] bericht:

“Ons oordeel is dat u in staat moet worden geacht tot het voeren van constructieve oplossingsgerichte gesprekken met uw werkgever.”

13. Op 28 januari 2008 heeft tussen Prins en [verweerder] een gesprek plaatsgevonden in aanwezigheid van een mediator.

14. Op 6 februari 2008 heeft de instelling voor geestelijke gezondheidszorg De Geestgronden ten aanzien van Prins de volgende diagnose gegeven:

“depressieve klachten en gevoelens van uitputting n.a.v. een conflict op zijn werk. Of de klachten in het kader staan van een post traumatische stress stoornis moet verder uitgezocht worden.”

15. Op 31 maart 2008 heeft de bedrijfsarts werkhervatting bij een andere werkgever geadviseerd.

Het verzoek

Prins verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens veranderingen in de omstandigheden.

Ter toelichting stelt Prins – samengevat – het volgende.

Naderhand is gebleken dat de lezing die [verweerder] van het handgemeen met [YYY] heeft gegeven, niet geheel correct is. [verweerder] heeft de feiten als het ware ingekleurd op een wijze die hem in een gunstiger daglicht stelt dan daadwerkelijk het geval was. [YYY] is volgens Prins, achteraf bezien, ten onrechte veroordeeld en ontslagen. [YYY] was altijd een uitstekend vakman en Prins acht zich vrij om hem weer in dienst te nemen.

Prins heeft zich met betrekking tot de indienstneming van [YYY] zo zorgvuldig mogelijk opgesteld jegens [verweerder]. Prins heeft [verweerder] op voorhand uitgelegd dat het niet de bedoeling was dat hij en [YYY] weer zouden gaan samenwerken. Prins was bereid er bij het plaatsen van [YYY] mee rekening te houden dat hij en [verweerder] elkaar niet zouden behoeven tegen te komen op het werk.

Alle pogingen die Prins na de ziekmelding van [verweerder] in het werk heeft gesteld om [verweerder] voor Prins te behouden, zijn door [verweerder] gedwarsboomd. Bij het gesprek op 28 februari 2008 bleek dat [verweerder] absoluut niet bereid was om mee te werken aan een oplossing. [verweerder] verscheen daar zonder zijn raadsman, terwijl Prins deze, op uitdrukkelijk advies van het UWV, ook voor het gesprek had uitgenodigd, en wilde niets zeggen.

Thans is er sprake van een zodanige patstelling, dat van Prins niet kan worden verwacht de arbeidsovereenkomst met [verweerder] voort te laten duren. [verweerder] is niet bereid om de bedongen arbeid uit te voeren zolang [YYY] bij Prins in dienst is, terwijl Prins er alles aan heeft gedaan om hem weer gewoon te laten functioneren. Voor een andere passende oplossing staat [verweerder] ook niet open. De arbeidsovereenkomst dient dan ook op korte termijn te worden ontbonden wegens veranderingen in de omstandigheden.

Omdat de oorzaak van de verandering van omstandigheden in hoge mate aan [verweerder] dient te worden toegeschreven, is er geen aanleiding voor een vergoeding.

Het verweer

[verweerder] concludeert primair tot afwijzing van het verzoek. Voor het geval de arbeidsovereenkomst toch wordt ontbonden, verzoekt [verweerder] om toekenning van een vergoeding met toepassing van de correctiefactor C = 2,5.

Ter toelichting voert [verweerder] – samengevat – het volgende aan.

Niet [verweerder] maar Prins heeft willens en wetens een patstelling gecreëerd door [YYY], die zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van [verweerder], weer in dienst te nemen. Zij heeft over de indienstneming van [YYY] niet vooraf met [verweerder] overlegd, maar hem voor een voldongen feit geplaatst. De mogelijkheid dat [verweerder] en [YYY] elkaar niet op het werk behoeven te ontmoeten is illusoir. Al op de eerste werkdag van [YYY] kwam [verweerder] hem tegen, bij de prikklok, waar alle medewerkers van Prins zich iedere dag moeten vervoegen. Bij het zien van [YYY] raakte [verweerder] zodanig in paniek, dat hij zich ziek heeft moeten melden. Prins bagatelliseert de klachten van [verweerder]. [verweerder] wordt tot op heden behandeld met antidepressiva.

Prins verwijt [verweerder] ten onrechte dat hij niet wilde meewerken aan een constructieve oplossing. Waar Prins [YYY] ook op het bedrijfsterrein te werk zal stellen, [verweerder] zal altijd met [YYY] worden geconfronteerd. De enige acceptabele oplossing is volgens [verweerder], dat Prins de arbeidsovereenkomst met [YYY] beëindigt, maar daartoe is zij niet bereid.

Ook [verweerder] is thans het vertrouwen in een goede samenwerking met Prins verloren. De verandering van omstandigheden is geheel aan Prins te wijten. Door haar keuze voor [YYY] heeft zij een situatie gecreëerd waarin [verweerder] geen andere keuze wordt gelaten dan zijn werkzaamheden voor Prins te hervatten, ongeacht de gevolgen die dit voor zijn geestelijk welzijn heeft, of de arbeidsovereenkomst met Prins te beëindigen. Dit alles rechtvaardigt de verzochte vergoeding.

De beoordeling van het verzoek

De kantonrechter heeft zich ervan vergewist dat het verzoek geen verband houdt met het bestaan van een opzegverbod als bedoeld in artikel 7:685 lid 1 BW.

[verweerder] heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling desgevraagd verklaard niet meer naar Prins terug te willen.

Nu beide partijen de beëindiging van de arbeidsovereenkomst wensen, is er sprake van een voldoende gewichtige reden om de arbeidsovereenkomst op korte termijn te ontbinden, zodat het verzoek in zoverre toewijsbaar is. De kantonrechter zal de arbeidsovereenkomst ontbinden tegen 1 mei 2008.

Beoordeeld moet worden of aan [verweerder] in redelijkheid een vergoeding toekomt.

Partijen staan ter zake van de verwijtbaarheid diametraal tegenover elkaar. Prins stelt zich op het standpunt dat voorzetting van de arbeidsovereenkomst uitsluitend door toedoen van [verweerder] een gepasseerd station is. Volgens [verweerder] is juist Prins debet aan de ontstane situatie door degene die hem in 2005 heeft mishandeld, weer in dienst te nemen.

Vooropgesteld dient te worden dat een werkgever in principe vrij is in haar keuze van werknemers. Om [YYY] weer in dienst te kunnen nemen behoefde Prins dan ook de goedkeuring van Prins niet. De kantonrechter volgt Prins echter niet in haar redenering dat [YYY], achteraf bezien, ten onrechte is ontslagen en bestraft. Uit de door Prins overgelegde schriftelijke verklaringen (die bijna drie jaar na de vechtpartij zijn afgelegd) van drie van haar medewerkers volgt niet zonder meer dat de door [verweerder] gegeven lezing van de gebeurtenis op 5 augustus 2005 niet met de waarheid strookt. Mede gelet op het feit dat [YYY] is veroordeeld tot dienstverlening, zoals Prins ter zitting heeft verklaard, dient het ervoor gehouden te worden dat de [YYY] zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van [verweerder]. Het voorgaande in aanmerking nemende, had het Prins duidelijk kunnen zijn dat de aanname van [YYY] bij [verweerder] niet in goede aarde zou vallen. Nu zij desondanks [YYY] in dienst heeft genomen, komen de gevolgen die dat voor [verweerder] heeft (in ieder geval grotendeels) binnen haar risicosfeer te vallen. Dit geldt te meer nu [YYY] voor de duur van één jaar is aangenomen en Prins, naar zij ter zitting heeft verklaard, niet voornemens is om de arbeidsovereenkomst van [YYY] na afloop van die periode te beëindigen.

Prins heeft ter zitting verklaard dat de inzet van het mediationgesprek op 28 februari 2008 de voortzetting van de arbeidsovereenkomst met [verweerder] was. Voor de hand ligt dat in dat geval de verzoening (op enigerlei wijze) tussen [verweerder] en [YYY] het belangrijkste doel van het gesprek zou moeten zijn geweest. Van feiten en omstandigheden die aan deze veronderstelling steun geven, is echter niet gebleken. Zo heeft Prins ter zitting verklaard dat de gemachtigde die zij had benaderd, juist veel ervaring heeft met de beëindiging (onderstreping door de kantonrechter) van arbeidsovereenkomsten. Ook de omstandigheid dat de gemachtigden van partijen bij het gesprek aanwezig dienden te zijn, wijst niet eenduidig in de richting van het herstel van de relatie tussen [verweerder] en [YYY]. Prins heeft overigens zelf ook gesteld dat zij ofwel de acceptatie door [verweerder] van de aanwezigheid van [YYY] dan wel een andere, passende oplossing nastreefde. Hieruit blijkt geenszins een open en onbevooroordeelde houding van Prins ten opzichte van Perez Feuntes. Het voorgaande in aanmerking nemende is de kantonrechter van oordeel, dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat de mediation en een herstel van de relatie tussen [verweerder] en [YYY] slechts ten gevolge van de houding die [verweerder] in het gesprek op 28 februari 2008 heeft ingenomen, is mislukt.

Prins heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling nog betoogd, dat ook in het personeelsdossier van [verweerder] aanleiding is te vinden voor de ontbinding van de arbeidsovereenkomst zonder vergoeding. Zo blijkt daaruit volgens Prins dat [verweerder] in drie jaar uitzonderlijk vaak heeft verzuimd (mede) in verband met sportblessures en dat [verweerder] zich jegens de directie van Prins onbehoorlijk gedraagt.

De kantonrechter is van oordeel dat de door Prins aangedragen extra argumenten geen gewicht in de schaal kunnen leggen als het gaat om de mate van verwijtbaarheid aan de zijde van [verweerder] in de verandering van omstandigheden, nu gesteld noch gebleken is dat Prins [verweerder] ooit erop heeft gewezen dat zijn arbeidsovereenkomst gevaar zou lopen, indien hij zijn gedrag niet zou verbeteren. Met andere woorden, niet aannemelijk is geworden dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden die het gevolg is van een andere oorzaak dan het in dienst nemen door Prins van [YYY]. Het kan Prins daarentegen worden tegengeworpen dat zij [verweerder] thans een aantal verwijten maakt, waar zij hem nooit eerder mee heeft geconfronteerd, uitsluitend om haar zaak kracht bij te zetten.

Het voorgaande geeft aanleiding tot de toekenning aan [verweerder] van een vergoeding van € 12.590,00 bruto, gebaseerd op een factor C = 1,5.

Prins heeft geen vergoeding aangeboden, zodat de kantonrechter Prins in de gelegenheid zal stellen het verzoek in te trekken.

Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht behoeft geen bespreking meer, nu dit in het licht van hetgeen in deze beschikking is vastgesteld en overwogen, niet tot een andere beslissing kan leiden.

Gezien de aard van de procedure worden de kosten tussen partijen gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Beslissing

De kantonrechter:

stelt partijen ervan in kennis voornemens te zijn de arbeidsovereenkomst tegen 1 mei 2008 te ontbinden onder toekenning van een vergoeding als hierna is vermeld;

bepaalt dat Prins de gelegenheid heeft het verzoek in te trekken door middel van een uiterlijk op 23 april 2008 te 15.00 uur ter griffie ontvangen schriftelijke mededeling met gelijktijdige toezending van een afschrift daarvan aan de wederpartij;

voor het geval Prins het verzoek niet intrekt wordt alvast als volgt beslist:

ontbindt de arbeidsovereenkomst tegen 1 mei 2008;

kent aan [verweerder] ten laste van Prins een vergoeding toe van € 12.590,00 bruto, ineens te voldoen, als aanvulling op ingevolge sociale verzekeringswetten te ontvangen uitkeringen dan wel elders te verwerven lager inkomen uit arbeid;

veroordeelt voor zover nodig Prins tot betaling van die vergoeding;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af hetgeen meer of anders is verzocht;

voor het geval Prins het verzoek wel intrekt:

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.J. Harts en uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum.