Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BC9848

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
14-02-2008
Datum publicatie
17-04-2008
Zaaknummer
AWB 08-411
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft eiseres een last onder dwangsom opgelegd, omdat zij grond met de bestemming “Agrarische doeleinden III” gebruikt voor het stallen van auto's. Van concreet uitzicht op legalisatie is geen sprake, noch van andere bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder van handhavend optreden had moeten afzien. Verzoek afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 08 - 411

uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 februari 2008

in de zaak van:

Coöperatieve vereniging Praveil U.A.,

gevestigd te Rijsenhout,

verzoekster,

gemachtigde: mr. M.J.S. van der Vorst, advocaat te Amsterdam.

tegen:

het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 december 2007, heeft verweerder aan verzoekster een last onder dwangsom opgelegd, teneinde verzoekster ertoe te bewegen het strijdige gebruik op het perceel Aarbergerweg 2a te Rijsenhout, kadastraal bekend als Haarlemmermeer, sectie AL, nr. 344, te staken.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 10 januari 2008 bezwaar gemaakt. Bij brief van 10 januari 2008 is tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 7 februari 2008, alwaar namens verzoekster is verschenen de gemachtigde, voornoemd, en [X], directeur van verzoekster. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.P. Hoogerwerf en mr. F. Veerman, beiden werkzaam bij de gemeente Haarlemmermeer. Voorts is aanwezig [Y], eigenaar van het betreffende perceel.

2. Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Daarbij gaat het om een afweging van belangen van de verzoekende partij bij een onverwijlde voorziening tegen het belang dat is gemoeid met onmiddellijke uitvoering van het besluit. Voor zover deze toetsing een beoordeling van de hoofdzaak meebrengt, is dat oordeel voorlopig van aard.

2.2 Het perceel waarop de aanschrijving betrekking heeft, is gelegen in het bestemmingsplan "Catharina-Segrina" en is daarin bestemd voor "Agrarische doeleinden III". Ingevolge artikel 7 van de planvoorschriften is deze grond bestemd voor tuinbouw en de daartoe nodige bedrijfsgebouwen, zoals ketelhuizen, tuinbouwschuren, kassen en andere bouwwerken, zulks met uitzondering van woningen.

2.3 Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het besluit "Herziening gebruiks- en overgangsbepalingen" (bijlage 6A van het bestemmingsplan) is het verboden de binnen het plan gelegen gronden of bouwwerken te gebruiken op een andere wijze of voor een ander doel dan blijkens het plan toelaatbaar is.

2.4 Verzoekster drijft een onderneming, genaamd "Autohotel Rijsenhout", met als hoofdactiviteit het stallen van auto's op bovengenoemd perceel. Volgens verweerder is deze activiteit in strijd met het bestemmingsplan en overtreedt verzoekster daarmee artikel 2, eerste lid, van het besluit "Herziening gebruiks- en overgangsbepalingen". Teneinde deze overtreding te beëindigen, heeft verweerder verzoekster gelast het strijdig gebruik binnen twee maanden te staken. Indien verzoekster niet aan deze last voldoet verbeurt zij een dwangsom van € 100.000,-.

2.5 Verzoekster kan zich met dit besluit niet verenigen en heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, in die zin dat het bestreden besluit wordt geschorst.

2.6 De voorzieningenrechter overweegt het volgende.

2.7 Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat het stallen van auto's op het perceel Aarbergerweg 2a te Rijsenhout in strijd is met de bestemming "Agrarische doeleinden III" en dat daarmee sprake is van een overtreding.

2.8 Verweerder was derhalve bevoegd handhavend op te treden. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zal, gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd dit niet te doen.

2.9 Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Verweerder heeft in het bestreden besluit uiteen gezet dat het strijdig gebruik niet in aanmerking komt voor legalisatie. Hiertoe overweegt verweerder dat het desbetreffende gebied ingevolge de nota "Handhaving gebruiksvoorschriften bestemmingsplan" als agrarisch gebied behouden moet blijven. Verweerder verwijst voorts naar de op 23 december 2004 vastgestelde structuurvisie "Glastuinbouw Rijsenhout", waarin het gebied is aangemerkt als herstructureringsgebied en het uitgangspunt geldt dat niet-agrarisch gebruik van gronden en opstallen in agrarisch gebied moet worden geweerd. Tot slot verwijst verweerder naar de intergemeentelijk gebiedsvisie "Haarlemmermeer, Aalsmeer, Uithoorn en de Ronde Venen", waarin het belang van handhaving in dit kerngebied voor glastuinbouw wordt onderstreept. De voorzieningenrechter is met verweerder van oordeel dat onder deze omstandigheden thans geen concreet uitzicht op legalisatie bestaat.

2.10 Van een bijzondere omstandigheid kan voorts sprake zijn indien handhavend optreden zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien. Verzoekster stelt zich op het standpunt dat verweerder er sinds 1979 een gedoogbeleid op na houdt. Hiertoe verwijzen verzoekers naar een brief van 29 mei 1979 gericht aan de heer Biesheuvel, eigenaar van betreffende perceel, waarin verweerder aangeeft geen maatregelen te zullen treffen tegen het in de brief van 2 augustus 1978 vermelde gebruik van het terrein en de kassen achter het perceel Aalsmeerderdijk 492-501. Verzoekster meent dat verweerder ten onrechte voorbij gaat aan het bij hen gerechtvaardigd opgewekte vertrouwen dat niet handhavend zal worden opgetreden tegen het stallen van auto's op het betreffende perceel.

2.11 De voorzieningenrechter heeft ter zitting vastgesteld dat de brief van 29 mei 1979 betrekking heeft op het perceel AL 344, nu uit de overgelegde stukken blijkt dat dit perceel gelegen is achter de Aalsmeerderdijk 492-501. In deze brief, die in samenhang moet worden gelezen met de brief van 2 augustus 1978, wordt aan de heer Biesheuvel medegedeeld dat, in verband met het ingediende schetsplan tot uitbreiding van het aanwezige garagebedrijf met een showroom, voorshands niet zal worden opgetreden tegen de plaatsing van nieuwe personenauto's in de ter plaatse aanwezige kassen. Ook stelt de voorzieningenrechter vast dat verzoekster het desbetreffende perceel sinds 2006 gebruikt voor het stallen van auto's in het kader van haar onderneming "Autohotel Rijsenhout". Met verweerder is de voorzieningenrechter van oordeel dat de brief van 29 mei 1979 op een ander gebruik ziet dan thans aan de orde is en kan uit deze brief in elk geval niet worden afgeleid dat verweerder heeft beoogd een situatie te gedogen, waarin het desbetreffende perceel wordt gebruikt voor de stalling van auto's in het kader van een zogenoemd autohotel. Voorts kan ook uit het in de brief van 29 mei 1979 gebezigde woord "voorshands" worden afgeleid dat verweerder niet uitsluit dat op enig moment handhavend zal worden opgetreden tegen het op dat moment toegestane gebruik. Op grond van het voorgaande is er naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter hier dan ook geen sprake van een gedoogsituatie op grond waarvan verzoekster het gerechtvaardigd vertrouwen heeft mogen ontlenen dat niet tegen het strijdig gebruik van het perceel zou worden opgetreden. Ter zitting is bovendien gebleken dat voor de directeur van verzoekster niet zozeer eerdergenoemde brief aan [Y] leidend is geweest in de keuze voor het gebruik het betreffende perceel, doch veeleer de situatie ter plaatse zoals die feitelijk al jaren op hem overkwam.

2.12 Verzoekster stelt zich voorts op het standpunt dat op het betreffende perceel al 27 jaar auto's worden gestald en verweerder door langdurig stilzitten het recht om handhavend op te treden heeft verwerkt. Verweerder meent echter dat uit de luchtfoto's uit 1978, 1982 en 1994 kan worden afgeleid dat het perceel destijds niet of niet noemenswaardig werd gebruikt voor het stallen van auto's en dat daarmee sprake is van een geheel andere situatie dan de huidige situatie, waarin op grote schaal motorvoertuigen worden gestald en eventueel onderhouden ten behoeve van reizigers voor de luchthaven Schiphol. De voorzieningenrechter kan verweerder hierin volgen en is van oordeel dat het enkele stilzitten van verweerder niet tot de conclusie kan leiden dat jegens verzoekster de in rechte te honoreren verwachting is gewekt dat niet zou worden opgetreden tegen het strijdig gebruik van het perceel.

2.13 Verzoekster voert voorts aan dat verweerder in strijd handelt met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur door in het bestreden besluit een begunstigingstermijn van twee maanden op te nemen, terwijl in het conceptbesluit een begunstigingstermijn van zes maanden werd genoemd. De voorzieningenrechter overweegt dat de in artikel 5:24, vierde lid, Awb bedoelde begunstigingstermijn in de omstandigheden van het geval redelijk moet zijn. Dit betekent dat de termijn naar objectieve maatstaven voldoende lang moet zijn om de voorgeschreven maatregelen uit te kunnen voeren. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is niet gebleken het strijdige gebruik, te weten het stallen van motorvoertuigen op het perceel AL 344, niet binnen twee maanden kan worden gestaakt. De grief faalt.

2.14 Gelet op vorenstaande acht de voorzieningenrechter het niet aannemelijk dat het bestreden besluit in bezwaar geen stand kan houden. Voor het treffen van een voorlopige voorziening bestaat geen aanleiding. Het verzoek daartoe wordt derhalve afgewezen.

2.15 Voor een proceskostenveroordeling zijn geen termen aanwezig.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst het verzoek af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. Medze, voorzieningenrechter, en op 14 februari 2008 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. D. Krokké, griffier.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.