Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BC9654

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
15-04-2008
Datum publicatie
18-04-2008
Zaaknummer
373256 AZ VERZ 08-32
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht. Ontbinding arbeidsovereenkomst wegens bedrijfseconomische noodzaak. Het door werkgever in samenspraak met de centrale ondernemingsraad opgestelde sociaal plan wordt niet toegepast bij de berekening van de ontslagvergoeding. Dit plan voldoet niet aan de eisen van artikel 3.6 van de aanbevelingen voor procedures ex artikel 7.685 BW. Er is dienaangaande geen overleg gevoerd met de vakorganisaties, laat staan dat daarover overeenstemming is bereikt. De goedkeuring van de COR kan daarvoor niet in de plaats treden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ROR 2008, 3

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector kanton Locatie Zaandam

Zaaknummer 373256 AZ VERZ 08-32

datum 15 april 2008

BESCHIKKING

tot ontbinding arbeidsovereenkomst

inzake

Inmerc B.V.

te [adres]

verzoekende partij

gemachtigde mr. B.S. Hageman (gepleit door mr. M. Stiebner Bergman)

tegen

[verweerder]

te [adres]

verwerende partij

gemachtigde mr. L.W.J. van den Heuvel.

1. Het verzoek

Het verzoek van Inmerc strekt tot ontbinding van een tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst.

Het verzoek is gebaseerd op gewijzigde omstandigheden in de zin van artikel 7:685 BW, te weten de bedrijfseconomische noodzaak tot reorganisatie, waarbij de arbeidsplaats van [verweerder] is komen te vervallen en geen ander, passend werk voorhanden is.

Daarop wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

2. Het verweer

Het verweer strekt tot afwijzing van het verzoek.

Daarop wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

3. Vergoeding

Voor het geval van toewijzing van het verzoek is door [verweerder] gevraagd om toekenning van een vergoeding van € 193.054 bruto, althans een redelijke vergoeding.

4. Mondelinge behandeling

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad op 8 april 2008.

De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen op de terechtzitting is voorgevallen. Deze worden zo nodig uitgewerkt in een proces-verbaal.

De gemachtigde van Inmerc heeft een pleitnota overgelegd.

De uitspraak is tenslotte bepaald op vandaag te 14.00 uur.

5. Vaststaande feiten

In deze procedure mag worden uitgegaan van de volgende feiten omdat deze voldoende aannemelijk zijn geworden.

5.1 Tussen partijen bestaat sinds 21 juni 1993 een arbeidsovereenkomst. De (laatste) functie van [verweerder], die thans [leeftijd] oud is, was [functie]. Het laatstverdiende salaris bedroeg, inclusief vakantiebijslag, € 4.242,95 bruto per maand. De (fictieve) opzegtermijn beloopt vijf maanden. [verweerder] is sinds 9 oktober 2006 gedeeltelijk arbeidsongeschikt. Inmiddels werkt hij weer voor 75%.

5.2 De afgelopen jaren heeft Inmerc een moeilijke periode doorgemaakt. Over 2007 is een verlies geleden van [bedrag] bij een omzet van [bedrag] Het Mercurius-concern, waarvan Inmerc deel uitmaakt, heeft een derde partij (NDC/VDK) bereid gevonden om Inmerc over te nemen. Daarbij is echter de voorwaarde gesteld dat Inmerc eerst wordt gereorganiseerd, in welk verband het aantal personeelsleden moet worden teruggebracht.

5.3 Inmerc heeft inderdaad tot een reorganisatie besloten, waarvoor zij goedkeuring heeft gevraagd en verkregen van de Centrale Ondernemingsraad van Mercurius. Tengevolge van deze reorganisatie moeten 6 van de 19 werknemers vertrekken. Voor twee van hen is een andere betrekking gevonden in het concern. Voor één is een ontslagvergunning gevraagd en verkregen bij het CWI. Voor twee werknemers loopt de CWI procedure nog. [verweerder] is de laatste.

6. Beoordeling van het verzoek

6.1 Ontvankelijkheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden komen vast te staan, die zouden nopen tot niet-ontvankelijkheid van het verzoek.

6.2 Ontslagverboden

Ik heb mij ervan vergewist of het verzoek verband houdt met het bestaan van een verbod tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst of een opzegverbod als bedoeld in de artikelen 7:647, 648, 670 en 670a van het Burgerlijk Wetboek, of enig ander verbod tot opzegging van de arbeidsovereenkomst. Dat blijkt niet het geval. In zoverre [verweerder] thans (nog) arbeidsongeschikt is, heeft deze ongeschiktheid niets uit te staan met het onderhavige ontbindingsverzoek.

6.3 Ontbinding of niet

6.3.1 Voldoende is gebleken van gewijzigde omstandigheden, die een voldoende gewichtige reden opleveren om de arbeidsovereenkomst op korte termijn te ontbinden.

6.3.3 Het lijdt geen redelijke twijfel dat Inmerc zich bedrijfseconomisch in moeilijk vaarwater bevindt en dat iets moet worden ondernomen om een faillissement af te wenden. Dat is besloten tot overdracht van de onderneming aan een derde partij is daarom alleszins begrijpelijk. Tevens is het niet prima facie onredelijk, dat Inmerc in dat verband tegemoet wil komen aan de eisen van de overnemende partij, wat betreft de door te voeren reorganisatie. Het is niet aan de kantonrechter om wat dat betreft op de stoel van de ondernemer te gaan zitten. De door [verweerder] aangevoerde bezwaren tegen de reorganisatie moeten dan ook worden gepasseerd.

6.3.4 In het midden kan hier blijven of Inmerc in deze wel heeft voldaan aan de mogelijk op haar rustende CAO-verplichtingen tot voorafgaand overleg met de vakbonden, nu dat op zichzelf niet kan leiden tot afwijzing van het verzoek. Het gebrek aan overleg met de vakbonden heeft echter wel consequenties voor wat betreft de werking van het hierna te bespreken sociaal plan.

6.3.5 Voldoende gebleken is verder, dat de arbeidsplaats van [verweerder] door deze reorganisatie blijvend is komen te vervallen. Dat hij in staat zou zijn om de functie van prepress manager te vervullen, aan wie een deel van de voorheen door [verweerder] vervulde werkzaamheden zijn toebedeeld, is niet aannemelijk geworden. Het gaat bij deze laatste functie om een veel meer inhoudelijke functie, die bovendien op een veel hoger (salaris)niveau is ingeschaald. De huidige functie van [verweerder] is als uniek en niet inwisselbaar aan te merken, zodat het zogenaamde afspiegelingsbeginsel geen toepassing kan vinden.

6.4 Vergoeding

6.4.1 Ik ben van mening dat aan [verweerder] in redelijk¬heid een vergoeding toekomt ten laste van de wederpartij. Die vergoeding wordt gesteld op een bedrag van € 53.036,88 bruto, voor zover mogelijk te beschouwen als aanvulling op toekomstige uitkeringen of andere arbeidsinkomsten.

6.4.2 Uitgangspunt bij het vaststellen van de te betalen ontbindingsvergoeding is de zogenaamde kantonrechterformule, die ingevolge landelijke afspraken door vrijwel alle Nederlandse kantonrechters wordt gehanteerd.

6.4.3 In het nu door mij te beslissen geval, behoort deze formule als volgt te worden ingevuld:

• aantal gewogen dienstjaren: 25 (afgerond);

• bruto maandsalaris, inclusief vakantiebijslag, € 4.242,95;

• correctiefactor 0,50.

6.4.4 Ik ben omtrent de correctiefactor van oordeel, dat in dit geval voldoende is gebleken van feiten en/of omstandigheden, die moeten resulteren in een kleinere factor dan de bij een zogenaamde "kleurloze" of "neutrale" ontbinding te hanteren factor 1. De financiële situatie waarin Inmerc zich bevindt is immers dusdanig penibel, dat een vergoeding met factor 1 een te zware belasting vormt.

6.4.5 Toepassing van het door Inmerc gehanteerde sociaal plan, dat in hoofdzaak neerkomt op een bescheiden aanvullingsregeling, komt de kantonrechter in deze zaak te mager voor. We hebben hier immers te maken met een gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemer van thans [leeftijd], met een eenzijdig arbeidsverleden, die een uiterst slechte positie inneemt op de arbeidsmarkt. Bovendien heeft de kantonrechter nog acht geslagen op de fictieve opzegtermijn. Daarbij wordt aangetekend, dat voor wat betreft dat sociaal plan niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 3.6 van de ‘Aanbevelingen voor procedures ex artikel 7.685 van het Burgerlijk Wetboek.’ Er is dienaangaande geen overleg gevoerd met de vakorganisaties, laat staan dat daarover overeenstemming is bereikt. De goedkeuring van de COR kan daarvoor niet in de plaats treden.

6.4.6 Gelet op deze uitkomst moet aan Inmerc een termijn worden gegund om het verzoek in te trekken.

7. Kosten

Omtrent de proceskosten moet worden geoordeeld zoals hierna bepaald.

8. Beslissing

Partijen worden in kennis gesteld van het voornemen hun arbeidsovereenkomst te ontbinden met ingang van 1 mei 2008, onder toekenning aan [verweerder] van een vergoeding groot € 53.036,88 bruto, voorzover mogelijk te beschouwen als aanvulling op toekomstige uitkeringen of andere arbeidsinkomsten, en onder afwijzing van het eventueel meer of anders verzochte.

Inmerc krijgt tot en met 22 april 2008 de gelegenheid het verzoek in te trekken, dit schriftelijk aan de griffie van de rechtbank Haarlem, sector kanton, locatie Zaandam, en onder toezending van een afschrift aan de wederpartij.

Voor het geval het verzoek niet tijdig wordt ingetrokken wordt deze beschikking definitief op de dag na de genoemde uiterste datum voor intrekking. Inmerc wordt in dat geval veroordeeld tot betaling van hetgeen [verweerder] ingevolge deze beschikking toekomt.

Iedere partij moet de eigen kosten dragen.

Deze beschikking wordt uitvoerbaar verklaard bij voorraad.

Aldus gegeven door mr. F.M.Visser, kantonrechter in de rechtbank Haarlem, locatie Zaandam, en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2008 in tegenwoordigheid van de griffier.