Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BC9501

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
14-03-2008
Datum publicatie
15-04-2008
Zaaknummer
AWB 08-750
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Art.7 lid 6 Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus; intrekking van een eerder verleende toestemming om als veiligheidsmedewerker te werken; vonnis politierechter; toepassing hardheidsclausule; toetsingsaspecten; voorlopige voorziening afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 08 - 750

uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 maart 2008

in de zaak van:

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

gemachtigde: mr. D.G. Peters, advocaat te Amsterdam,

tegen:

de korpschef van politie Zaanstreek-Waterland ,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 januari 2008 heeft verweerder verzoeker bericht dat hij de aan verzoekers werkgever, [X], op 14 juni 2006 verleende toestemming als bedoeld in artikel 7, tweede lid, Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (Wpbr) om verzoeker (beveiligings)werkzaamheden te laten verrichten, heeft ingetrokken.

De intrekking geldt tot 25 juni 2008.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 17 januari 2008 bezwaar gemaakt.

Bij brief van 17 januari 2008 is tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 11 maart 2008, alwaar verzoeker in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn voornoemde gemachtigde mr. Peters. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door L. Seinen en W. Peper, beiden werkzaam bij de regiopolitie Zaanstreek-Waterland.

2. Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Daarbij gaat het om een afweging van belangen van de verzoekende partij bij een onverwijlde voorziening tegen het belang dat is gemoeid met onmiddellijke uitvoering van het besluit. Voor zover deze toetsing een beoordeling van de hoofdzaak meebrengt, is dat oordeel voorlopig van aard.

2.2 Artikel 7, tweede lid, Wpbr luidt, voor zover hier van belang:

Een beveiligingsorganisatie of recherchebureau, als bedoeld in het eerste lid, stelt geen personen te werk die belast zullen worden met werkzaamheden dan nadat voor hen toestemming is verkregen van de korpschef van het politiekorps in de regio waar de beveiligingsorganisatie of het recherchebureau is gevestigd.

2.3 Artikel 7, vijfde lid, Wpbr luidt, voor zover hier van belang:

De toestemming, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt onthouden indien de desbetreffende persoon niet beschikt over de bekwaamheid en betrouwbaarheid die nodig zijn voor het te verrichten werk.

2.4 Artikel 7, zesde lid, Wpbr luidt:

De toestemming, bedoeld in het eerste en tweede lid, kan worden ingetrokken indien zich omstandigheden voordoen of feiten bekend worden op grond waarvan de toestemming niet zou zijn verleend, indien zij zich hadden voorgedaan of bekend waren geweest op het tijdstip waarop de toestemming werd verleend.

2.5 In de Circulaire particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (Cpbr) is - voor zover hier van belang - met betrekking tot Betrouwbaarheid onder 2.1 aanhef en sub a. bepaald dat de toestemming wordt onthouden indien de betrokkene binnen vier jaar voorafgaande aan het moment van toetsing bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak is veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf waarbij een geldboete is opgelegd.

2.6 In 2.1.1 Cpbr is een Hardheidsclausule neergelegd, luidende - voor zover hier van belang - :

De korpschef kan van het hiervoor bepaalde afwijken indien gelet op de aard van het strafbare feit, de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd, de geringe kans op recidive en recente persoonlijke ontwikkelingen, toepassing daarvan een voor betrokkene onevenredig nadeel zou meebrengen ten opzichte van de het daarmee te dienen belang.

2.7 Blijkens het Uittreksel Justitiële Documentatie van 3 augustus 2007 heeft de Politierechter Zwolle bij beslissing van 25 juni 2007 aan verzoeker een geldboete opgelegd van € 650,- wegens een overtreding op 13 september 2006 van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 (rijden onder invloed).

2.8 Dit is eind 2007 bij verweerder bekend geworden, waarna hij bij brief van 3 januari 2008 aan verzoeker heeft bericht voornemens te zijn de verleende toestemming in te trekken.

2.9 Op 9 januari 2008 heeft een zienswijzengesprek plaatsgevonden, waarin verzoeker het incident als volgt heeft beschreven en toegelicht.

Op de betreffende datum is hij met vrouw en kind en nog twee anderen naar een Afrikaans feest geweest, waar hij gegeten en gedronken heeft. Na afloop van het feest heeft hij met zijn auto een stukje over de busbaan gereden in plaats van de normale weg en toen is hij aangehouden. Hij heeft daarvoor een boete gekregen en een alcoholcursus. Hij heeft geen verklaring voor het hoge alcoholgehalte (710 Ugl). Verder heeft hij verklaard dat hij nu weet dat hij met alcohol op niet achter het stuur moet kruipen. Hij neemt tegenwoordig een taxi als hij heeft gedronken. Hij heeft tevens verklaard de inkomsten als beveiligingsmedewerker nodig te hebben als aanvulling op zijn VUT-uitkering, omdat hij anders zijn vaste lasten niet kan betalen.

2.10 Verweerder heeft op grond van het ambtsbericht de ten behoeve van verzoeker verleende toestemming ingetrokken. Daarbij heeft hij tevens besloten geen gebruik te maken van de hardheidsclausule. Daarvoor is als motivering gegeven dat verzoeker zelf in het zienswijzengesprek heeft aangegeven dat hij verkeerd heeft gehandeld door na het nuttigen van alcohol actief als bestuurder aan het verkeer deel te nemen en dat het zienswijzengesprek hem (de korpschef) geen ander inzicht heeft gegeven om van het intrekken van de toestemming af te zien. Voorts is, onder verwijzing naar de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, overwogen dat verweerder er vanuit mag gaan dat de betrouwbaarheid en integriteit van beveiligingsmedewerkers boven iedere twijfel verheven is.

2.11 Met toepassing van de Beleidsregel Toepassing hardheidsclausule Wpbr (hierna: beleidsregel), het gestelde onder 3.4.2., heeft verweerder, gelet op de hoogte van de geldboete, de intrekking voor één jaar laten gelden.

2.12 Verzoeker verzoekt schorsing van het intrekkingsbesluit omdat hij door het verlies van deze arbeidsinkomsten in dermate grote financiële problemen komt dat hij zijn hypotheeklasten niet meer kan betalen en derhalve dakloos dreigt te worden.

2.13 De voorzieningenrechter overweegt dat verweerder bij het al dan niet gebruik maken van de hardheidsclausule op grond van 2.1.1. Cpbr, moet toetsen aan

- de aard van het misdrijf

- de omstandigheden waaronder het is begaan

- de kans op recidive, en

- de recente persoonlijke ontwikkelingen.

2.14 Bij het (primaire) besluit heeft verweerder niet, althans niet expliciet, aan de hiervoor genoemde aspecten, getoetst en - derhalve - evenmin een gemotiveerd en kenbaar standpunt ingenomen omtrent de weging van deze aspecten die uiteindelijk tot het besluit heeft geleid om ten aanzien van verzoeker de hardheidsclausule niet toe te passen, althans niet verder dan op het onderdeel van de hoogte van de boete in relatie tot de duur van de intrekking, zoals geregeld in de beleidsregel.

2.15 Ter zitting is van de kant van verweerder evenwel verklaard en toegelicht dat deze toetsing en weging wel heeft plaatsgevonden. Daarbij is erop gewezen dat het incident c.q. het misdrijf in de beleidsregel als 'ernstig' is aangemerkt, dat het alcoholgehalte zeer hoog was, dat de houding van verzoeker tijdens het zienswijzengesprek niet getuigde van begrip voor de ernst van het voorval en dat, op grond van verzoekers verklaringen, is aangenomen dat zijn werk als beveiligingsmedewerker gezien kon worden als niet meer dan een aanvulling op andere inkomsten, die verzoeker uit zijn vorige arbeid geniet of die de echtgenote van verzoeker geniet.

Voorts is erop gewezen dat de termijn van de intrekking normaal 4 jaar is, terwijl die voor verzoeker reeds is beperkt tot 1 jaar en dat er niet tot een nog kortere termijn kan of mag worden gekomen. In verband met het toetsingsmoment en de uitreiking van het besluit heeft verzoeker bovendien feitelijk nog een voordeel van circa 6 maanden, omdat de intrekking in werkelijkheid maar voor circa 6 maanden geldt.

2.16 De gebreken die aan het (primaire) besluit kleven ten aanzien van de kenbaarheid van de besluitvorming en de motivering van de door verweerder ingenomen standpunten, kunnen in de op het bezwaar te nemen beslissing worden hersteld. In de bezwaarfase heeft ook verzoeker nog de gelegenheid zijn standpunt, bijvoorbeeld ter zake van zijn inkomsten, nader te onderbouwen.

2.17 Gelet hierop en op hetgeen hiervoor in 2.15 is overwogen, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het oordeel dat het besluit in bezwaar geen stand zal kunnen houden.

2.18 Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek daartoe wordt derhalve afgewezen.

2.19 Voor een proceskostenveroordeling zijn geen termen aanwezig.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. Medze, voorzieningenrechter, en op 14 maart 2008 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. M. Hekelaar, griffier.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.