Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BC9278

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
26-03-2008
Datum publicatie
16-04-2008
Zaaknummer
06/7924; 06/7925; 06/7927 en 06/7929
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres is terecht niet-ontvankelijk verklaard in haar bezwaar. Het ontbreken van een rechtsmiddelenverwijzing brengt in casu geen verschoonbare termijnoverschrijding met zich mee. Dat de adviseur niet tijdig bezwaar heeft gemaakt dient voor rekening van eiseres te komen. Het beroep van eiseres op de arresten 'Kühne & Heitz' en 'Metallgesellschaft Ltd e.a.' slaagt evenmin.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2008/880

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/7924; 06/7925; 06/7927 en 06/7929

Uitspraakdatum: 26 maart 2008

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

X BV, gevestigd te Z, eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/P, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 1999/2000 een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd, berekend naar een belastbaar bedrag van NLG 6.695.774, alsmede – impliciet - een verliesvaststellingsbeschikking van nihil. Voorts is bij afzonderlijke beschikkingen een verzuimboete van NLG 50 opgelegd, alsmede NLG 68.209 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.2. Eiseres heeft tegen deze voornoemde beschikkingen bezwaar gemaakt. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 1 juni 2006 het bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaard.

1.3. Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2000/2001 een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd, berekend naar een belastbaar bedrag van NLG 34.486.103.

1.4. Eiseres heeft tegen voornoemde aanslag bezwaar gemaakt. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 1 juni 2006 het bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaard.

1.5. Eiseres heeft tegen voornoemde uitspraken op bezwaar bij brief van 12 juli 2006, ontvangen bij de rechtbank op 13 juli 2006, beroep ingesteld. Het beroepschrift is bij schrijven van 9 oktober 2006 aangevuld met gronden.

1.6. Verweerder heeft op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en verweerschriften ingediend.

1.7. Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.8. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 februari 2008 te Haarlem, alwaar de beroepen gelijktijdig ter zitting zijn behandeld. Namens eiseres is verschenen A, bijgestaan door A, alsmede C (allen werkzaam bij D), E en F (beiden werkzaam bij eiseres). Namens verweerder zijn verschenen G en H.

1.9. Partijen hebben ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan elkaar. Gemachtige van eiseres heeft voorts een kopie van de aanslag vennootschapsbelasting 1999/2000 overgelegd.

1.10. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1. Eiseres, opgericht op [oprichtingsdatum] en statutair gevestigd te Q, heeft een gebroken boekjaar dat loopt van 1 april tot en met 31 maart.

2.2. De toenmalige adviseur heeft namens eiseres aangifte vennootschapsbelasting gedaan voor de jaren 1999/2000 en 2000/2001.

2.3. Met dagtekening 13 april 2002 is aan eiseres de aanslag vennootschapsbelasting 1999/2000, de verliesvaststellingsbeschikking, de boetebeschikking en de beschikking heffingsrente opgelegd. Met dagtekening 8 juni 2002 is aan eiseres de aanslag vennootschapsbelasting 2000/2001 opgelegd. (hierna ook gezamenlijk te noemen: de aanslagen)

2.4. De (huidige) gemachtigde van eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslagen. Dit bezwaarschrift is op 29 oktober 2003 door verweerder ontvangen. Zij heeft hierbij verzocht om aftrek van kosten welke verband houden met de niet in Nederland gevestigde deelnemingen.

2.5. Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 1 juni 2006 eiseres niet-ontvankelijk verklaard in haar bezwaar tegen de aanslagen wegens termijnoverschrijding.

2.6. In een civiele procedure van eiseres tegen haar vorige adviseur heeft de rechtbank Amsterdam in het eindvonnis van 30 januari 2008 geoordeeld dat de vorige belastingadviseur door niet tijdig in bezwaar te komen niet heeft gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend belastingadviseur mag worden verwacht. De vorige adviseur is aansprakelijk voor de door eiseres geleden schade.

3. Geschil en standpunten van partijen

3.1. In geschil is of eiseres terecht niet-ontvankelijk is verklaard in haar bezwaar. Eiseres beantwoordt deze vraag ontkennend, verweerder bevestigend.

3.2. Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de stukken van het geding.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Tussen partijen is niet in geschil dat het bezwaarschrift van eiseres tegen de aanslagen geruime tijd na het verstrijken van de bij artikel 6:7 van de Awb in verbinding met artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) gestelde termijn van zes weken is ingediend.

4.2. Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Eiseres stelt dat, nu met betrekking tot het jaar 1999/2000 aan eiseres een verzuimboete is opgelegd, de bewijslast hierin rust bij verweerder. De rechtbank is van oordeel dat deze stelling enkel geldt voorzover het de boetebeschikking betreft. Met betrekking tot de in geding zijnde aanslagen rust de bewijslast omtrent de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding bij eiseres (vergelijk Hof Amsterdam, 11 juli 2007, nr. 06/00265).

4.3. Niet in geschil is dat de bekendmaking van de beschikkingen aan eiseres op de voorgeschreven wijze heeft plaatsgevonden. Eiseres heeft ter zitting de stelling ingenomen dat op de in geding zijnde aanslagen een rechtsmiddelenverwijzing ontbreekt. Zij heeft hiertoe een kopie van de achterkant van een van de aanslagbiljetten overgelegd aan de rechtbank en verweerder. Verweerder stelt dat deze stelling van eiseres tardief dient te worden verklaard. De rechtbank verwerpt dit beroep van verweerder, daar de stelling van eiseres een stelling is die in elke fase van de procedure naar voren gebracht kan worden. Voorts is er geen sprake van een nieuw gedingstuk, aangezien het aanslagbiljet van verweerder zelf afkomstig is en hij dus bekend had kunnen zijn met dit processtuk.

4.4. Indien de overschrijding van de bezwaartermijn enkel en alleen te wijten is aan de onduidelijkheid op het aanslagbiljet brengt dit met zich mee dat er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding in de zin van artikel 6:11 Awb (vergelijk Hoge Raad 13 februari 2004, nr. 38.483, onder meer gepubliceerd in BNB 2004/159). De rechtbank is echter van oordeel dat in het onderhavige geval de overschrijding van de bezwaartermijn niet enkel is gelegen in het ontbreken van de rechtsmiddelenverwijzing. Zo zijn de bezwaarschriften zeer geruime tijd na de dagtekening van de aanslag ingediend. Eerst nadat het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (HvJ EG) op 18 september 2003 arrest had gewezen, in procedure C-168/01 (Bosal Holding, onder meer gepubliceerd in V-N 2003/46.10) zijn de bezwaarschriften ingediend. Blijkens het beroepschrift was dit arrest ook de voornaamste reden om een bezwaarschrift in te dienen. Voorts heeft de rechtbank Amsterdam geoordeeld dat de vorige belastingadviseur, door niet tijdig in bezwaar te komen, niet heeft gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend belastingadviseur mag worden verwacht. Gelet op deze feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, kan niet worden gezegd dat de termijnoverschrijding enkel aan verweerder is toe te schrijven en het gevolg is van een onduidelijkheid op de aanslagbiljetten. De rechtbank kan voorbij gaan aan verweerders verzoek om nader onderzoek te doen naar het ontbreken van een rechtsmiddelenverwijzing aangezien dit onderzoek, ongeacht de uitkomst, hem niet in een betere positie kan brengen.

4.5. Eiseres heeft voorts gesteld dat zij er van uit mocht gaan dat haar toenmalige belastingadviseur de bezwaarschriften tijdig zou indienen en zij derhalve verschoonbaar in verzuim is. Dit betoog wordt door de rechtbank niet aanvaard. De rechtbank is van oordeel dat eiseres zelf verantwoordelijk is voor het tijdig indienen van de bezwaarschriften. Dat zij hiervoor gebruik maakt van een professionele belastingadviseur, is een keuze van eiseres zelf en ontslaat haar niet van de verplichting zorg te dragen voor een tijdige indiening van een bezwaarschrift. Fouten en nalatigheden van deze gemachtigde dienen daarom voor rekening te komen van eiseres.

4.6. Ook eiseres’ beroep op het arrest van de Hoge Raad van 1 december 2006, nr. 40.369 (onder meer gepubliceerd in BNB 2007/151) kan niet slagen. In voornoemd arrest ging het om de toerekening aan de belastingplichtige van opzet of grove schuld van de adviseur bij het indienen van de aangifte. In de situatie die voorligt gaat het om de vraag of nalatigheid van de adviseur met betrekking tot het indienen van een bezwaarschrift aan eiseres kan worden toegerekend. Dit is een andere situatie dan die in het door eiseres aangehaalde arrest. Dat in de in geding zijnde situatie een verzuimboete is opgelegd doet hieraan niets af, aangezien noch bij het opleggen van een verzuimboete noch bij het te laat indienen van een bezwaarschrift opzet of grove schuld van eiseres of haar gemachtigde van belang is voor het geschil.

4.7. Gelet op het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat verweerder ten aanzien van de boetebeschikking heeft aangetoond dat er geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding in de zin van artikel 6:11 van de Awb. Met betrekking tot de overige in geding zijnde beschikkingen is eiseres niet geslaagd in de bewijslast dat er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding in de zin van artikel 6:11 van de Awb.

4.8. Eiseres heeft voorts gesteld dat een bestuursorgaan ingevolge artikel 10 EG een definitief geworden besluit opnieuw dient te onderzoeken wanneer het HvJ EG uitleg heeft gegeven aan de relevante bepaling van het gemeenschapsrecht. Zij heeft daarbij onder meer verwezen naar het arrest van het HvJ EG van 13 januari 2004 (C-453/00, Kühne & Heitz). In dit arrest heeft het HvJ EG onder meer overwogen dat de rechtszekerheid tot de in het gemeenschapsrecht erkende algemene beginselen behoort en dat een bestuursorgaan onder omstandigheden gehouden kan zijn een ten gevolge van een uitspraak van de hoogste nationale rechter definitief geworden besluit desgevraagd opnieuw te onderzoeken om rekening te houden met een nieuwe uitleg van gemeenschapsrecht door het HvJ EG.

Het HvJ EG geeft in een later arrest (HvJ EG 19 september 2006, in gevoegde zaken nrs. C-392/04 en C-422/04; i-21 Germany GmbH en Arcor AG & Co. KG) de grenzen aan van het hiervoor genoemde arrest van Kühne & Heitz. Overwogen wordt: :

“52 Het Hof heeft evenwel erkend dat er in bepaalde gevallen een grens kan bestaan aan dit beginsel. In punt 28 van het reeds aangehaalde arrest Kühne & Heitz heeft het Hof geoordeeld dat het voor de vaststelling van een administratief besluit verantwoordelijke bestuursorgaan, ingevolge het in artikel 10 EG vervatte samenwerkingsbeginsel dit besluit opnieuw moet onderzoeken en er eventueel moet van terugkomen indien aan vier voorwaarden is voldaan. In de eerste plaats moet het bestuursorgaan naar nationaal recht bevoegd zijn om van dat besluit terug te komen. In de tweede plaats moet het in geding zijnde besluit definitief zijn geworden ten gevolge van een uitspraak van een nationale rechterlijke instantie die uitspraak doet in laatste aanleg. In de derde plaats moet die uitspraak, gelet op de latere rechtspraak van het Hof, berusten op een onjuiste uitlegging van het gemeenschapsrecht, gegeven zonder dat het Hof overeenkomstig artikel 234, derde alinea, EG is verzocht om een prejudiciële beslissing. In de vierde plaats moet de betrokkene zich tot het bestuursorgaan hebben gewend onmiddellijk nadat hij van die rechtspraak kennis had genomen.

53 De zaak die tot het reeds aangehaalde arrest Kühne & Heitz heeft geleid, ligt evenwel geheel anders dan de zaken die aan de orde zijn in de hoofdgedingen. De onderneming Kühne & Heitz NV had immers alle haar ter beschikking staande rechtsmiddelen uitgeput, terwijl in de zaken die aan de orde zijn in de hoofdgedingen, i-21 en Arcor geen gebruik hebben gemaakt van hun recht om beroep in te stellen tegen de tot hen gerichte aanslagen.”

Ook in de onderhavige situatie is geen sprake is van een definitief geworden besluit als gevolg van een uitspraak van de hoogste nationale rechter. Het besluit is immers definitief geworden door het verlopen van de bezwaartermijn. Daarin verschilt de onderhavige situatie dus met de in het arrest Kühne & Heitz in geding zijnde situatie. Gelet hierop, kan naar het oordeel van de rechtbank door eiseres niet met vrucht een beroep worden gedaan op het arrest Kühne & Heitz.

4.9. Eiseres heeft zich voorts beroepen op het arrest Metallgesellschaft Ltd e.a. (HvJ EG, 8 maart 2001, nr. C-397/98). Zij heeft gesteld dat gelet op dit arrest de bezwaartermijn niet aan eiseres kan worden tegengeworpen. Deze stelling van eiseres kan niet slagen. De rechtbank verwijst naar en sluit zich aan bij hetgeen de Hoge Raad in zijn arrest van 23 januari 2004, nr. 38.653 (onder meer gepubliceerd in BNB 2004/118) heeft overwogen. Onderdeel 3.4 van dit arrest luidt:

“3.4. Voorzover het middel voor deze gedachtegang een beroep doet op het arrest van het Hof van Justitie van 8 maart 2001 in de gevoegde zaken Metallgesellschaft Ltd e.a. (C-397/98) Hoechst AG en Hoechst (UK) Ltd (C-410/98) faalt het. In die zaken, voorzover hier van belang, werd door het Hof van Justitie de deugdelijkheid onderzocht van een argument - een verweer van de overheid dat niet was verzocht om toepassing van een bepaalde belastingfaciliteit - dat niet berustte op een nationale bepaling inzake verjarings- of vervaltermijnen (zie de punten 100 en 101 van voormeld arrest).”

4.10. Voorzover eiseres heeft willen stellen dat verweerder op grond van artikel 65 AWR de ambtshalve plicht heeft de aanslagen te herzien, en van deze plicht geen gebruik heeft gemaakt, faalt deze grief eveneens. In zijn arrest van 5 oktober 2007 (nr. 43.268, NTFR 2007/1829) heeft de Hoge Raad overwogen dat:

“een beslissing van de inspecteur waarbij deze toepassing geeft aan artikel 65 AWR, door de wetgever niet is aangemerkt als een voor bezwaar vatbare beschikking. Derhalve zou, ook indien de Inspecteur in het voorliggende geval reden had moeten vinden gebruik te maken van de hem in artikel 65 AWR toegekende bevoegdheid, zijn beslissing op het in geding zijnde verzoek van belanghebbende niet de weg hebben geopend voor een toetsing door de belastingrechter van de juistheid van die beslissing en van de onderhavige heffingen.”

Dat de staatssecretaris in eerdere situaties afstand heeft gedaan van het recht om zich op overschrijding van de bezwaartermijn te beroepen (Persbericht Financiën 3 juli 1997, nr. 97/122, V-N 1997/2585 en Persbericht Financiën 11 juli 1997, nr. 97/125, V-N 1997/2658) doet hieraan niet af.

4.11. Eiseres heeft het standpunt dat verweerder geen aanslagen heeft mogen opleggen vanaf het moment dat de Hoge Raad prejudiciële vragen heeft gesteld aan het HvJ EG (procedure C-168/01, Bosal Holding, reeds aangehaald) omdat de antwoorden hierop van belang kunnen zijn voor de vaststelling van de in geding zijnde aanslagen. Door toch aanslagen op te leggen heeft verweerder, in de visie van eiseres, het zorgvuldigheidsbeginsel en het beginsel van fair play geschonden. Eiseres heeft, naar het oordeel van de rechtbank, onvoldoende kunnen aangeven waaruit verweerder in de aangifte, dan wel op andere wijze, heeft kunnen herleiden dat door eiseres kosten zijn gemaakt die onderwerp van het geding waren in voornoemde procedure bij het HvJ EG. Dat verweerder niet heeft onderzocht of de hiervoor genoemde procedure van belang kan zijn voor eiseres, brengt niet met zich mee dat hij onzorgvuldig heeft gehandeld en het beginsel van fair play heeft geschonden. Ook eiseres’ beroep op het arrest van de Hoge Raad van 6 februari 1998 (nr. 16.329, V-N 1998/12.25) kan eiseres niet baten, aangezien het daar een procedure betrof die niet, althans onvoldoende, vergelijkbaar is met de onderhavige situatie.

4.12. Op grond van het in artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en artikel 14 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), in samenhang met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM, opgenomen discriminatieverbod dienen gelijke gevallen gelijk te worden behandeld. Eiseres stelt dat van een gelijke behandeling geen sprake is omdat belastingplichtigen aan wie uitstel is verleend voor het doen van aangifte, waarbij lang wordt gewacht met het opleggen van de aanslag, waarin op andere gronden bezwaar is gemaakt of doorgeprocedeerd, of anderszins de aanslag nog niet vaststaat, dit heeft geleid tot het niet onherroepelijk vaststaan van de aanslag. In deze gevallen kunnen belastingplichtigen hun kostenaftrek wel effectueren. De rechtbank is van oordeel dat de situaties die eiseres opsomt niet feitens en rechtens gelijke gevallen zijn. Wanneer belastingplichtigen om hun moverende redenen op een later tijdstip aangifte doen, dan wel bezwaar maken tegen de aanslag heeft dit logischerwijs tot gevolg dat de aanslag op een later tijdstip onherroepelijk wordt. Hierdoor verkeren zij in een andere situatie die niet vergelijkbaar is met die van eiseres. Dat zij hierdoor kunnen anticiperen op latere jurisprudentie is derhalve een onvermijdelijk gevolg van het feit dat zij in deze, andere, situatie verkeren.

4.13. Eiseres heeft zich beroepen op de omstandigheid dat bij haar gevallen bekend zijn waarbij door de belastingdienst akkoord is gegaan met intrekking van het ingediend bezwaar onder de toezegging dat bij een gunstige uitkomst van de ‘Bosal-procedure’, alsnog ambtshalve vermindering zou plaatsvinden. De rechtbank vat dit beroep op als een beroep op het gelijkheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Nu eiseres geen van de haar bekende gevallen specifiek heeft genoemd waarbij voormelde toezegging is gedaan, kan enkel op basis van deze (blote) stelling niet worden gezegd dat verweerder het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden.

4.14. Al hetgeen overigens door eiseres is aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.

4.15. Het vorenstaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat het beroep ongegrond is.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 26 maart 2008 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. M.J. Leijdekker, voorzitter, mr. J. Snitker, en mr. J.M. van Kempen rechters, in tegenwoordigheid van mr. drs. B.J.E. Lodder, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.