Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BC9150

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
13-02-2008
Datum publicatie
10-04-2008
Zaaknummer
126274 / HA ZA 06-941
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Opdracht aan advocaat tot instellen hoger beroep betreft een overeenkomst van opdracht voor bepaalde tijd. Opzegging wegens gewichtige reden door advocaat. Opdracht voor advocaat te bewijzen dat er naar objectieve maatstaven sprake was van een vertrouwensbreuk welke niet in overwegende mate aan de advocaat kan worden toegerekend. Eiseres had, gelet op de aard van haar zakelijke activiteiten, zelf kunnen en moeten weten dat wanneer achteraf zou blijken dat de bankgarantie ten onrechte zou zijn ingeroepen, zij over het in dat geval ten onrechte door haar ontvangen bedrag van die garantie rente verschuldigd zou zijn. Het betreft hier immers niet meer dan basale kennis van het systeem van bankgaranties, waarmee projectontwikkelaars in het algemeen met enige regelmaat in aanmerking plegen te komen. Geen beroepsfout advocaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 126274 / HA ZA 06-941

Vonnis van 13 februari 2008

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Bouw- en ontwikkelingsmaatschappij “DUYNCROFT” B.V.,

gevestigd te Opmeer,

eiseres,

procureur mr. E.C.H. de Leon,

advocaat mr. M.H. Heeresma te Amsterdam,

tegen

de maatschap naar burgerlijk recht

[gedaagde] ADVOCATEN,

gevestigd te Zaandijk, gemeente Zaanstad,

gedaagde,

procureur mr. M. Middeldorp,

advocaat mr. T.P. Hoekstra te Amsterdam.

Partijen zullen hierna Duyncroft en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 13 september 2006 en de daarin genoemde stukken,

- het proces-verbaal van comparitie van 22 november 2006 en de daarin genoemde producties,

- de conclusie van repliek van 14 februari 2007 met een achttal producties,

- de conclusie van dupliek van 9 mei 2007 met producties 8 t/m 10,

- de akte van Duyncroft van 6 juni 2007,

- het proces-verbaal van de zitting, gehouden op 8 november 2007 en de daarin genoemde pleitnotities.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende weersproken en/of op grond van de onbestreden inhoud van overgelegde producties het navolgende vast.

2.2. Duyncroft is een projectontwikkelaar. [gedaagde] is een advocatenkantoor dat in de persoon van mr. [A] (hierna: mr. [A]) in opdracht en ten behoeve van Duyncroft werkzaamheden heeft verricht.

2.3. [gedaagde] heeft onder meer de belangen behartigd van Duyncroft in een procedure voor de Raad van Arbitrage voor de Bouwbedrijven in Nederland (thans: Raad van Arbitrage voor de Bouw, hierna: Raad van Arbitrage), waarin Hillen & Roosen B.V. (hierna: Hillen & Roosen) de wederpartij was van Duyncroft. Het geschil tussen Duyncroft en Hillen & Roosen hield verband met een bouwproject in Haarlem waarbij beide betrokken waren.

2.4. Op 29 november 1996 heeft mr. [A] aan Duyncroft een concept-brief gestuurd ten behoeve van het inroepen van een door de Deutsche Bank – De Bary N.V. op 4 september 1995 in opdracht van Hillen & Roosen gestelde bankgarantie tot een bedrag van € 450.000,-- . Duyncroft heeft deze brief ongewijzigd verzonden aan de Deutsche Bank – De Bary N.V., waarop genoemd bedrag aan Duyncroft is uitbetaald.

2.5. Bij (deels tussen-, deels eind-)vonnis van 27 maart 2000 en eindvonnis van 3 juli 2001 heeft de Raad van Arbitrage deels in het voordeel en deels ten nadele van Duyncroft beslist.

2.6. Gezien het geheel van de volgens genoemd eindvonnis resterende verplichtingen van Duyncroft jegens Hillen & Roosen heeft Duyncroft Hillen & Roosen het bedrag van de ingeroepen bankgarantie (€ 450.000,--) moeten terugbetalen, vermeerderd met een bedrag van € 98.558,63 aan door Hillen & Roosen over die € 450.000,-- gemiste rente. Als gevolg van het inroepen van de bankgarantie had Duyncroft voordien een rentevoordeel genoten van € 46.884,57. Het verschil tussen genoemde € 98.558,63 en genoemde € 46.884,57 bedraagt € 51.674,06, zijnde het bedrag van na te noemen vordering sub II. Op 13 januari 2005 heeft Duyncroft dit bedrag aan Hillen & Roosen (terug)betaald.

2.7. Naar aanleiding van voornoemde vonnissen heeft [B] (hierna: [B]), statutair directeur van Duyncroft, op 2 augustus 2001 onder meer het volgende aan mr. [A] geschreven:

“De bankgarantie was bedoeld om opdrachtgeefster zekerheid te bieden, tegen het niet nakomen van de verplichtingen door aanneemster, opdrachtgeefster verwijst wellicht ten overvloede, naar de tekst van de bankgarantie: tot zekerheid voor de nakoming van de verplichtingen van Hillen & Roosen jegens de opdrachtgever die voortvloeien uit de opdracht. (productie 7-15)

Arbiters hebben in het eindvonnis (bij punt 8) geconcludeerd dat aanneemster nalatig is geweest in het herstellen van de opleveringsgebreken en erkennen tevens (bij punt 10) van opgemeld vonnis dat opdrachtgeefster recht heeft op herstel van de dakbedekkingen op de terrassen.

Hieruit volgt toch automatisch, dat opdrachtgeefster met recht en rede de bankgarantie heeft ingeroepen;”

2.8. Duyncroft heeft advocatenkantoor Boekel de Nerée gevraagd een inschatting te geven van de mogelijkheden tot het instellen van appel tegen de in 2.5 genoemde vonnissen, alsmede van de kansen op succes. Boekel de Nerée heeft Duyncroft op 21 augustus 2001 geadviseerd tot het instellen van hoger beroep tegen de in 2.5 genoemde vonnissen. Boekel de Nerée heeft toen tevens aangegeven de zaak in hoger beroep te kunnen behandelen voor een bedrag van ca. NLG 80.000,-- exclusief btw en verschotten.

2.9. Ook mr. [A] heeft Duyncroft desgevraagd geadviseerd beroep in te stellen tegen een aantal onderdelen van voornoemd vonnis. Hij heeft daarbij laten weten dat hij de zaak in hoger beroep voor een bedrag van in NLG 50.000,--, exclusief btw en verschotten, zou behandelen. Duyncroft heeft mr. [A] vervolgens opdracht gegeven haar belangen in hoger beroep te behartigen.

2.10. Op 2 oktober 2001 heeft mr. [A] een 59 pagina’s tellende “memorie van grieven, tevens wijziging van eis” ingediend bij de Raad van Arbitrage. Op 9 mei 2002 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Partijen hebben daarna aanvullende producties in het geding gebracht. De Raad van Arbitrage heeft vervolgens bij tussenvonnis van 2 mei 2003 bepaald dat de mondelinge behandeling zou worden voortgezet op 20 mei 2003.

2.11. Op 12 mei 2003 heeft een bespreking plaatsgevonden over het tussenvonnis van 2 mei 2003 tussen [B] en diens echtgenote enerzijds en mr. [A] anderzijds ten kantore van die laatste. Na afloop van deze bespreking heeft mr. [A] telefonisch contact gezocht met [B], maar hem niet gesproken. Mr. [A] heeft [B] later op de dag een faxbericht gestuurd met onder meer de navolgende inhoud:

“ U uitte uw frustraties over de tot nu toe gewezen vonnissen in de diverse geschillen gerezen tussen Duyncroft en Hillen & Roosen.

U wenste het gesprek overigens voortijdig te beëindigen onder het uiten van beladen termen aan mijn adres. Ik concludeer tot een zodanige vertrouwenscrisis tussen ons dat het voor mij niet mogelijk is om voor u verder als raadsman op te treden. Anders gezegd: “Ik heb geen zin om voor u als kop van jut te fungeren.”

Over de afwikkeling der beëindiging van mijn bemoeienissen lijkt mij nader overleg gewenst.”

2.12. Op het moment dat hij de samenwerking op voornoemde wijze beëindigde was van genoemde NLG 50.000,-- NLG 41.303,03 door mr. [A] gedeclareerd. Het verschil tussen genoemde bedragen is NLG 8.696,97 of wel € 3.946,51.

2.13. Duyncroft heeft vervolgens haar huidige raadsman, mr. M.H. Heeresma (hierna: mr. Heeresma), op dat moment verbonden aan het kantoor Kupperman van der Wiel Advocaten, verzocht de behandeling van de voor de Raad van Arbitrage aanhangige zaak over te nemen. Bij brief van 14 mei 2003 heeft mr. Heeresma mr. [A] onder meer gevraagd de Raad van Arbitrage te verzoeken om uitstel van de op 20 mei 2003 geplande mondelinge behandeling.

2.14. In voornoemde brief heeft Heeresma over de opzegging door mr. [A] het navolgende geschreven:

“ Cliënte is van mening dat voor het eenzijdig opzeggen van de opdracht geen grond is. Op basis van de mij thans ter beschikking staande informatie zie ook ik geen grond voor opzegging van de opdracht en ben ik van mening dat uw gedrag, op zijn minst, op gespannen voet staat met de gedragsregels die u in acht heeft te nemen. (…) In dit verband is uiteraard mede van belang de duur van de samenwerking tussen u en cliënte, de aard van de zaak en het stadium waarin de procedure verkeert. Immers de Raad van Arbitrage heeft bepaald dat op 20 mei a.s. een voortgezette mondelinge behandeling van de zaak plaatsvindt.

Hoe het ook zij, het lijkt onmogelijk dat u thans de behandeling van de zaak nog voortzet.”

2.15. Op 15 mei 2003 heeft mr. [A] de Raad van Arbitrage schriftelijk verzocht de op 20 mei 2003 geplande mondelinge behandeling van de zaak aan te houden.

2.16. Op 16 augustus 2003 heeft Duyncroft een klacht ingediend tegen mr. [A] bij de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Haarlem over met name het feit dat mr. [A] zich als haar raadsman heeft teruggetrokken in een lopende procedure.

2.17. Bij brief van 15 september 2003 aan de deken voornoemd heeft Duyncroft haar klacht herhaald en daarnaast een achttal andere verwijten aan het adres van mr. [A] geuit.

2.18. Op 7 oktober 2004 heeft de deken zijn schriftelijke zienswijze gegeven op de door Duyncroft tegen mr. [A] ingediende klachten. Zijn brief bevat onder meer de volgende passages ten aanzien van de klachten van Duyncroft met betrekking tot het zich terugtrekken als raadsman door mr. [A], respectievelijk het niet adviseren over aan het inroepen van de hiervoor in 2.4 genoemde bankgarantie verbonden risico’s:

“(...)

Gegeven de omstandigheid dat u de bespreking voortijdig heeft beëindigd en het gegeven dat u de poging van mr. [A] om telefonisch met u te overleggen niet positief heeft geïnterpreteerd, wekt bij mij de indruk dat de bespreking van dien aard is geweest dat mr. [A] in redelijkheid tot de conclusie heeft kunnen komen dat de vertrouwensrelatie dusdanig verstoord was, dat hij zich moest terugtrekken als uw raadsman.

Uit de brief van mr. [A] aan de Raad van Arbitrage van 15 mei 2003 blijkt, dat mr. [A] er voor heeft gezorgd en zich ervan heeft vergewist dat de mondelinge behandeling werd aangehouden. Derhalve heeft mr. [A] het nodige gedaan om te voorkomen dat het verbreken van de relatie als ontijdig kan worden betiteld.

(…)

In mijn visie is dit onderdeel van de klacht dan ook niet gegrond.

(…)

De vraag is of mr. [A] u onder de gegeven omstandigheden ervoor had moeten waarschuwen dat, wanneer achteraf zou blijken dat de bankgarantie ten onrechte zou zijn ingeroepen, u over dit bedrag rente verschuldigd zou zijn.

Het hoeft geen betoog dat – achteraf gezien – mr. [A] er goed aan had gedaan u hiervoor te waarschuwen. De vraag is of het gegeven dat dit niet gebeurd is, een tuchtrechtelijk vergrijp oplevert.

Gezien de aard van uw zakelijke activiteiten had u dit kunnen en moeten weten.

Dat mr. [A] u er niet schriftelijk op heeft gewezen acht ik – gezien het door u uitgeoefende bedrijf en uw eigen niveau zoals u dit ook in het kader van deze klacht tentoonspreidt – tuchtrechtelijk niet verwijtbaar.”

2.19. De deken heeft zijn in 2.17 genoemde brief beëindigd met de mededeling dat Duyncroft hem binnen drie maanden na dagtekening van zijn brief schriftelijk kon verzoeken het dossier door te zenden naar de Raad van Discipline ingeval zij het oneens zou zijn met zijn zienswijze. Duyncroft heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.

2.20. Bij brief van 14 april 2005 heeft Duyncroft [gedaagde] in de persoon van mr. [A] aansprakelijk gesteld voor schade die zij stelt te hebben geleden als gevolg van het terugtrekken als raadsman van mr. [A] en als gevolg van gebrekkige kwaliteit van de dienstverlening van mr. [A].

2.21. Nationale Nederlanden, de verzekeraar van [gedaagde], heeft bij brief van 25 mei 2005 iedere aansprakelijkheid van [gedaagde] van de hand gewezen.

2.22. Mr. Heeresma heeft genoemd hoger beroep verder voor Duyncroft behandeld. Hij heeft declaraties verzonden aan Duyncroft met een bedrag aan honorarium (exclusief btw) van in totaal € 109.718,58. Duyncroft heeft deze declaraties voldaan. Het verschil tussen genoemde € 109.718,58 en de hiervoor onder 2.12 genoemde € 3.946,51 bedraagt

€ 105.772,07, zijnde het bedrag van na te noemen vordering sub I. Bij brief van mr. Heeresma van 15 april 2005 is [gedaagde] aansprakelijk gesteld voor de betaling van laatstgenoemd bedrag.

3. Het geschil

3.1. Duyncroft vordert dat het de rechtbank behage om [gedaagde] bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan haar te betalen een bedrag van € 105.772,07, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 april 2005 tot aan de dag der algehele betaling;

II te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan haar te betalen een bedrag van € 51.674,06, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 januari 2005 tot aan de dag der algehele betaling;

III [gedaagde] te veroordelen in de kosten van het geding.

3.2. [gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. De door Duyncroft ingestelde vorderingen sub I en II zien respectievelijk op – zakelijk weergegeven – vergoeding van kosten die verband houden met de wisseling van advocaat en vergoeding van schade die zij heeft geleden als gevolg van het inroepen van de hiervoor in 2.4 genoemde bankgarantie. Deze vorderingen zullen hierna afzonderlijk worden besproken.

vordering I (advocaatkosten)

4.2. Duyncroft legt aan vordering I ten grondslag dat – zakelijk weergegeven – primair [gedaagde] wanprestatie heeft gepleegd door de tussen partijen bestaande overeenkomst van opdracht op te zeggen, zonder dat daarvoor een gewichtige reden bestond in de zin van artikel 7:408 lid 2 BW. [gedaagde] is daarom volgens Duyncroft gehouden de als gevolg van de onrechtmatige opzegging geleden schade, bestaande uit de door mr. Heeresma gefactureerde bedragen, te vergoeden.

4.3. Duyncroft heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat [gedaagde] ongerechtvaardigd verrijkt is en uit dien hoofde gehouden is tot het vergoeden van het gevorderde bedrag.

4.4. Meer subsidiair heeft Duyncroft betoogd dat het beëindigen van de overeenkomst van opdracht door [gedaagde] in strijd is met de redelijkheid en billijkheid en dat [gedaagde] op die grond gehouden is de door Duyncroft geleden schade te vergoeden.

Wanprestatie

4.5. Duyncroft gaat er vanuit dat de tussen partijen gesloten overeenkomst van opdracht er één voor bepaalde tijd was, namelijk voor de duur van de procedure in hoger beroep. Zo een overeenkomst kan slechts worden opgezegd indien sprake is van een gewichtige reden. Bij gebreke van zo een gewichtige reden, heeft [gedaagde] de overeenkomst ten onrechte opgezegd en is zij volledig schadeplichtig voor de gevolgen die Duyncroft van de opzegging heeft ondervonden, aldus Duyncroft.

4.6. [gedaagde] verweert zich in de eerste plaats met de stelling dat de overeenkomst van opdracht voor onbepaalde tijd was gesloten, zodat die ook zonder de aanwezigheid van een gewichtige reden kon worden opgezegd. Voor het geval de rechtbank tot het oordeel komt dat de overeenkomst voor bepaalde tijd is aangegaan, heeft zij erop gewezen dat er een vertrouwensbreuk is ontstaan tussen mr. [A] en [B] en dat een vertrouwensbreuk in de relatie advocaat-cliënt een gewichtige reden oplevert in de zin van 7:408 lid 2 BW. Zij betwist dan ook gehouden te zijn eventueel door Duyncroft geleden schade te vergoeden.

4.7. Duyncroft op haar beurt betwist dat van een vertrouwensbreuk sprake is geweest en betoogt dat zelfs wanneer daarvan wel sprake was, die breuk nog geen geldige reden vormt voor de opzegging van de samenwerking door [gedaagde].

4.8. De rechtbank overweegt als volgt. Met Duyncroft is de rechtbank van oordeel dat Duyncroft en [gedaagde] een overeenkomst van opdracht hebben gesloten voor bepaalde tijd, te weten voor de duur van het hoger beroep. Doorslaggevend voor dit oordeel is het feit dat partijen een prijsafspraak hebben gemaakt die slechts betrekking heeft op de appelprocedure bij de Raad van Arbitrage. Dat de periode of termijn waarvoor de overeenkomst is aangegaan niet vastomlijnd was, doet aan het voorgaande niet af. Het is immers voor beide partijen altijd duidelijk geweest dat slechts alle werkzaamheden die verband hielden met het appel binnen de prijsafspraak zouden vallen, zodat het moment waarop die ten einde zouden zijn, ook het natuurlijk einde van de overeenkomst zou impliceren.

4.9. Duyncroft heeft er voorts terecht op gewezen dat op grond van artikel 7:408 lid 2 BW een overeenkomst van opdracht voor bepaalde tijd die is aangegaan door een opdrachtnemer die handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf zoals in casu, slechts kan worden opgezegd wegens gewichtige redenen. [gedaagde] heeft van haar kant terecht aangevoerd dat een vertrouwensbreuk tussen opdrachtgever en opdrachtnemer in beginsel een gewichtige reden kan opleveren als bedoeld in voornoemd artikel, naar ook kan worden opgemaakt uit de door beide partijen geciteerde totstandkomingsgeschiedenis van genoemde bepaling.

4.10. [gedaagde] beroept zich op de rechtsgevolgen van het bestaan van de vertrouwensbreuk, zodat het aan haar is voldoende te stellen en zonodig te bewijzen dat op objectieve gronden kon worden geoordeeld dat sprake was van een vertrouwensbreuk tussen partijen die niet in overwegende mate aan mr. [A] kan worden toegerekend.

4.11. [gedaagde] heeft nochtans in dit kader niet meer aangedragen dan dat partijen zich tijdens het hiervoor in 2.11 genoemde gesprek op 12 mei 2003 over en weer in grove bewoordingen en op emotionele wijze hebben uitgelaten en dat mr. [A] nog dezelfde dag de samenwerking schriftelijk heeft beëindigd, waarna Duyncroft er vervolgens niets aan heeft gedaan de relatie alsnog te herstellen, maar daarentegen onmiddellijk een nieuwe advocaat heeft gezocht die reeds op 14 mei 2003 zijn eerste werkzaamheden voor Duyncroft verrichtte. In het feit dat de Deken van de Orde van Advocaten heeft geoordeeld dat kennelijk sprake is geweest van een vertrouwensbreuk, vindt [gedaagde] een bevestiging van haar standpunt.

4.12. Duyncroft heeft daartegenover aangevoerd dat [B] tijdens voornoemde bespreking niet meer heeft gedaan dan zich een kritische houding aanmeten ten opzichte van mr. [A]. Wat haar betreft was geenszins sprake van een zodanige verstoring van de tussen partijen bestaande verhouding dat die niet meer te repareren viel en een definitief einde aan de samenwerking tussen partijen rechtvaardigde.

4.13. Nu uit de hiervoor in 2.11 genoemde brief niet kan worden afgeleid dat sprake is geweest van een naar objectieve maatstaven vast te stellen vertrouwensbreuk, en Duyncroft gemotiveerd heeft betwist dat de gang van zaken tijdens voornoemd gesprek zodanig was dat daarin een objectieve grond kon worden gevonden voor de gestelde vertrouwensbreuk die niet in overwegende mate aan mr. [A] kan worden toegerekend, zal de rechtbank [gedaagde] het bewijs opdragen van haar stellingen op de in het dictum van dit vonnis te vermelden wijze.

4.14. De rechtbank merkt op voorhand op dat het onvermijdelijk lijkt dat na de bewijslevering (een) deskundige(n) zal worden benoemd, die haar kan/kunnen voorlichten over de hoogte van eventuele schade of – wanneer geen sprake is wanprestatie – die van de eventuele – door Duyncroft subsidiair gestelde – ongerechtvaardigde verrijking. Het komt de rechtbank daarom geraden voor reeds nu te bepalen dat, gelet op artikel 194 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, in aansluiting op de te houden enquête een comparitie van partijen zal worden gehouden, waarop partijen zich kunnen uitlaten over het aantal eventueel te benoemen deskundigen, de persoon van de te benoemen deskundige(n) en de aan de deskundige(n) te stellen vragen.

Vordering II (bankgarantie)

4.15. Aan vordering II legt Duyncroft ten grondslag dat [gedaagde] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de tussen partijen bestaande overeenkomst van opdracht door Duyncroft niet, althans niet voldoende (schriftelijk) te adviseren over mogelijke negatieve consequenties van het inroepen van de hiervoor in 2.4. genoemde bankgarantie – en sterker nog: het initiatief te nemen tot het inroepen van de bankgarantie. Duyncroft zou daartoe naar eigen zeggen nooit zijn overgegaan als zij had geweten welke risico’s zij daarbij liep.

4.16. In de optiek van Duyncroft heeft mr. [A] een beroepsfout gemaakt, die aan [gedaagde] moet worden toegerekend, zodat die laatste gehouden is de uit het ten onrechte inroepen van de bankgarantie voortvloeiende schade, ter grootte van

€ 51.674,06, te vergoeden.

4.17. [gedaagde] verweert zich met de stelling dat het inroepen van de bankgarantie uitsluitend op initiatief van Duyncroft is geschied. Mr. [A] heeft slechts op verzoek van Duyncroft een concept-brief aan de Deutsche Bank – De Bary N.V. opgesteld en in het geheel niet geadviseerd over het al dan niet versturen daarvan. [gedaagde] wijst er voorts op dat zelfs als mr. [A] zou hebben geadviseerd de bankgarantie in te roepen, dat geen beroepsfout oplevert, omdat op het moment dat de bankgarantie werd ingeroepen goede gronden aanwezig waren om op die wijze te handelen. Het zelfde advies had, aldus nog steeds [gedaagde], door een redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsgenoot kunnen worden gegeven. [gedaagde] betwist bovendien dat Duyncroft een eventueel negatief advies met betrekking tot het inroepen van de bankgarantie zou hebben opgevolgd, zodat het causale verband tussen het vermeende handelen (of: het gebrek daaraan) van mr. [A] en de gestelde schade ontbreekt. Ten slotte betoogt [gedaagde] dat Duyncroft een professionele partij is die eerder met bankgaranties van doen had gehad en uit dien hoofde verondersteld mocht worden bekend te zijn met de risico’s verbonden aan het inroepen daarvan.

4.18. Duyncroft op haar beurt betwist dat van dat laatste sprake was.

4.19. De rechtbank overweegt als volgt. Partijen hebben er beide terecht op gewezen dat uitgangspunt bij de beoordeling is of mr. [A] heeft gehandeld op de wijze van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot. Volgens de deken van de orde van advocaten, een vakgenoot van mr. [A], heeft mr. [A] inderdaad op een dergelijke wijze gehandeld. De rechtbank deelt het oordeel van de deken dat Duyncroft, gelet op de aard van haar zakelijke activiteiten, zelf had kunnen en moeten weten dat wanneer achteraf zou blijken dat de bankgarantie ten onrechte zou zijn ingeroepen, Duyncroft over het in dat geval ten onrechte door Duyncroft ontvangen bedrag van die garantie rente verschuldigd zou zijn. Het betreft hier immers niet meer dan basale kennis van het systeem van bankgaranties, waarmee projectontwikkelaars in het algemeen met enige regelmaat in aanmerking plegen te komen. Dat Duyncroft inderdaad moet worden geacht over de bedoelde kennis te beschikken, blijkt onder meer uit de wijze waarop zij het doel van de bankgarantie verwoordde in de in 2.7 weergegeven brief van 2 augustus 2001.

4.20. In verband met het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat mr. [A] bij het inroepen van de bankgarantie geen beroepsfout heeft begaan waarvoor [gedaagde] aansprakelijk is, zodat de onderhavige vordering van Duyncroft uit dien hoofde zal worden afgewezen. De overige door [gedaagde] gevoerde verweren behoeven in verband daarmee geen bespreking.

4.21. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan.

5. Beslissing

De rechtbank

5.1. laat [gedaagde] Advocaten toe te bewijzen dat op 12 mei 2003 naar objectieve maatstaven sprake was van een vertrouwensbreuk tussen Duyncroft enerzijds en mr. [A] anderzijds, welke niet in overwegende mate aan laatstgenoemde kan worden toegerekend,

5.2. bepaalt dat [gedaagde] Advocaten, indien zij getuigen wil laten horen, binnen twee weken na de datum van dit vonnis schriftelijk aan de rechtbank ter attentie van de zittingsadministratie van de sector civiel - de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden maart tot en met mei 2008 moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

5.3. bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van de daartoe tot rechter-commissaris benoemde mr. A.J. van der Meer in het gerechtsgebouw te Haarlem aan het Florapark 1,

5.4. bepaalt dat aansluitend aan het horen van de laatste te horen getuige ten overstaan van genoemde rechter-commissaris een comparitie van parijen zal worden gehouden voor de hiervoor in rechtsoverweging 4.14 genoemde doeleinden,

5.5. bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

5.6. bepaalt dat [gedaagde] Advocaten, indien zij het bewijs niet door getuigen wil leveren maar uitsluitend door overlegging van bewijsstukken en / of door een ander bewijsmiddel, zij dit binnen twee weken na de datum van deze uitspraak schriftelijk aan de rechtbank ter attentie van de zittingsadministratie van de sector civiel - en aan de wederpartij moet opgeven,

5.7. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th.S. Röell, mr. D.P. Ruitinga en mr. A.J. van der Meer en in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2008.?