Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BC9136

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
13-02-2008
Datum publicatie
29-07-2010
Zaaknummer
81651 - HA ZA 02-286
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aan deskundigenberichten toe te kennen waarde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 81651 / HA ZA 02-286

vonnis van 13 februari 2008

in de zaak van

1. [eiser],

2. [eiseres],

beiden wonende te Zaandam, gemeente Zaanstad,

beiden h.o.d.n. [eiser],

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

procureur mr. M. Middeldorp,

advocaat mr. F.M. van Hasselt te Zwolle,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

NOMOTEC BV (voorheen X BV),

gevestigd te Oostzaan,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

procureur mr. R. Mulder,

advocaten mr. R.J.A. Bron-Slis en mr. J.C. van Beckhoven te Rotterdam.

Partijen zullen hierna ook [eisers] en Nomotec genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 17 december 2002;

- het deskundigenbericht van [deskundige A];

- de conclusie na deskundigenbericht zijdens [eisers];

- de antwoordconclusie na deskundigenbericht zijdens Nomotec;

- het proces-verbaal van de comparitie van 1 december 2005 met mondeling vonnis;

- het deskundigenbericht van [deskundige B];

- de conclusie na deskundigenbericht zijdens [eisers];

- de antwoordconclusie na deskundigenbericht zijdens Nomotec;

- het verkort proces-verbaal van de zitting van 15 oktober 2007, waarop de pleidooien zijn gehouden en de ter gelegenheid daarvan overgelegde stukken;

- de conclusie tot wijziging van eis zijdens [eisers].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De gewijzigde vordering in conventie

2.1 Na eiswijziging vordert [eisers] veroordeling van Nomotec tot betaling van

€ 90.941,36, vermeerderd met rente en kosten.

3. De verdere beoordeling

in conventie

3.1 Tussen partijen is in geschil welke waarde aan de door de rechtbank gelaste deskundigenberichten moet worden toegekend. Nomotec voert bezwaren aan tegen zowel de wijze van totstandkoming als de inhoud van de rapportages van [deskundige A] en [deskundige B]. Daarnaast maakt zij bezwaar tegen de door [eisers] opgevoerde schadeposten. De rechtbank zal eerst een oordeel geven over de algemene voorwaarden waarop Nomotec zich heeft beroepen. Vervolgens komen de hiervoor genoemde bezwaren aan de orde.

algemene voorwaarden

3.2 Tussen partijen is voorwerp van debat geweest of Nomotec zich met succes op de FHP voorwaarden kan beroepen. Gezien de overwegingen van de rechtbank, in rechtsoverweging 7.1 – 7.4 van het vonnis van 17 december 2002, dient thans nog te worden beoordeeld of (i) de voorwaarden voor of bij het sluiten van de overeenkomst aan [eisers] ter hand zijn gesteld en (ii) of Nomotec zich met succes op art. XI sub 2 van de FHP voorwaarden, dat de aansprakelijkheid voor bedrijfsschade uitsluit, kan beroepen.

Ten aanzien van de eerste vraag verwijst Nomotec (in de conclusie na deskundigenbericht van 31 augustus 2005, onder punt 17) naar het betalingsgedrag van [eisers] en het gegeven dat hij aanvullende zekerheid heeft gesteld, in overeenstemming met de bewuste regeling in de algemene voorwaarden. Op grond hiervan kan, zo luidt nog steeds de stelling van Nomotec, worden vastgesteld dat [eisers] kennelijk bekend was met de door Nomotec gehanteerde voorwaarden. De rechtbank overweegt als volgt. Nog daargelaten dat uit dit gedrag niet zonder meer kan worden afgeleid dat de voorwaarden daadwerkelijk ter hand zijn gesteld, kan, ook indien de voorwaarden niet op grond van art. 6:233 sub b vernietigbaar zijn, een beroep op art. XI sub 2 van de voorwaarden Nomotec niet baten. Nu [eisers], als kleine zelfstandige, nauw verwant is aan een consument dient de bescherming die aan de consument toekomt ook voor [eisers] te gelden. Een en ander voert tot het oordeel dat, indien Nomotec al een beroep op de exoneratie in art. XI sub 2 van de algemene voorwaarden toekomt, dat beroep naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, zodat het wordt verworpen. Voorts heeft Nomotec zich beroepen op art. X lid 3 van de FHP voorwaarden. Ook dit beroep wordt verworpen op grond van hetgeen hieronder zal worden overwogen ten aanzien van de oorzaak van de schade.

hoor en wederhoor

3.3 Ten aanzien van het rapport van [deskundige A] beroept Nomotec zich op schending van het beginsel van hoor en wederhoor. Zij stelt dat de deskundigen eenzijdig informatie hebben ingewonnen nu zij bij de totstandkoming van de rapportages regelmatig contact met [eisers] of diens raadsman hebben gehad zonder dat Nomotec daarbij werd betrokken. In dit verband moet voorop worden gesteld dat naar vaste jurisprudentie niet-naleving van art. 198 lid 2 Rv op zichzelf nog niet betekent dat de rechtbank het deskundigenrapport niet aan haar beslissing ten grondslag mag leggen. Daarbij komt dat Nomotec, ten aanzien van de rapportage van [deskundige A], in de gelegenheid is gesteld om op het conceptrapport te reageren. Van die mogelijkheid heeft zij ook gebruik gemaakt zoals blijkt uit bijlage E bij het rapport. Deze reactie is vervolgens door [deskundige A] uitvoerig van commentaar voorzien (p. 24-34 van het rapport). Daarnaast wordt door Nomotec erkend (in de conclusie na deskundigenbericht van 2 mei 2007) dat tevens een gezamenlijke bespreking heeft plaatsgevonden in aanwezigheid van beide partijen. De klacht dat het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden wordt op deze gronden verworpen.

3.4 Ten aanzien van het rapport van [deskundige B] klaagt Nomotec er eveneens over dat het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden. Tijdens de pleidooizitting d.d. 15 oktober 2007 heeft zij dit verwijt nader gepreciseerd in de zin dat zij voorafgaande aan de totstandkoming van het rapport niet is gehoord. Wel erkent Nomotec dat zij bij brief op het conceptrapport heeft kunnen reageren. Die reactie heeft vervolgens alleen geleid tot een wijziging van het lichaam van het rapport maar niet tot een wijziging van de conclusie. De rapportage is daardoor, zo luidt nog steeds het verwijt van Nomotec, innerlijk tegenstrijdig.

Ten aanzien van de vraag of het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden dienen de door de rechtbank geformuleerde vragen – geformuleerd in haar mondeling vonnis van 1 december 2005 – tot uitgangspunt te worden genomen. Deze vragen komen kortweg erop neer dat [deskundige B] de vraag dient te beantwoorden of (i) [deskundige A] in zijn rapportage alle relevante aspecten heeft betrokken en (ii) de inhoud van het rapport de conclusie kan dragen. De passages waar [deskundige B] deze vraagstelling te buiten gaat, en zelfstandig tot een analyse van mogelijke schadeoorzaken komt, dienen dan ook door de rechtbank buiten beschouwing te worden gelaten. Nu, zoals op de pleidooizitting met zoveel woorden naar voren is gekomen, het Nomotec juist te doen is om deze passages – in het bijzonder de passages waar [deskundige B] aansluiting zoekt bij [C] – kan niet met succes worden betoogd dat, ten aanzien van die passages, het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden.

Een en ander brengt tezamen genomen mee dat het beroep van Nomotec op schending van het beginsel van hoor en wederhoor wordt verworpen.

inhoudelijke bezwaren tegen de deskundigenberichten

3.5 Door Nomotec is voorts een aantal inhoudelijke bezwaren tegen de deskundigenberichten naar voren gebracht. Het eerste bezwaar luidt dat in de rapportage van [deskundige A] het onderzoek naar de oorzaken van de schade wordt beperkt tot het mechanische gedeelte van de machine, in het bijzonder de zogenoemde ‘reductiekasten’, en geen aandacht wordt geschonken aan de afstemming van de mechanische, hydraulische en elektrische onderdelen van de machine. Het antwoord op de eerste door de rechtbank geformuleerde vraag of alle deelsystemen in het onderzoek zijn betrokken zou, nog steeds volgens de stelling van Nomotec, negatief moeten worden beantwoord.

Het betoog faalt. Aan Nomotec kan worden toegegeven dat de afstemming van mechanische, hydraulische en elektrische deelsystemen bij een machine als de onderhavige nauw luistert en dat deze systemen in beginsel in onderlinge samenhang moeten worden bezien. De vraag is evenwel of, gezien de aard van de geconstateerde schade, [deskundige A] zich mocht beperken tot het mechanische gedeelte van de machine. Ten aanzien van die vraag komt [deskundige B] tot het volgende oordeel:

“De interactie tussen de (elektrische) besturing en de mechanische en hydraulische delen van de opstelling is door [deskundige A] niet onderzocht. (…) Een fout ontworpen besturing kan in combinatie met een krachtig hydraulisch systeem inderdaad leiden tot grote krachten. Of die krachten ook zijn opgetreden of nog optreden kan zonder metingen aan de installatie of uitgebreide modelvorming en simulatie van het totale systeem niet worden vastgesteld. Ik heb aan een deskundige op het gebied van de tribologie de vraag voorgelegd wat er zou gebeuren als er inderdaad veel te grote krachten in de installatie zouden optreden. Zulke krachten zouden aanleiding hebben gegeven tot breuk en niet tot de geconstateerde slijtage die het gevolg moet zijn geweest van een langzamer proces: langdurig contact tussen metalen delen zonder voldoende smering. Ik heb ook aan [deskundige A] gevraagd of hij het niet mogelijk acht dat de, door een foute besturing, optredende dynamische verschijnselen en de daarmee gepaard gaande zeer grote krachten kunnen hebben geleid tot de geconstateerde defecten aan de reductiekasten. Zijn antwoord bevestigt wat ik al eerder na overleg met de deskundige op het gebied van de tribologie had vastgesteld. [C] wijst terecht op het feit dat besturing en mechanica goed moeten samenwerken. De opgetreden buitensporige slijtage kan echter niet het gevolg zijn van problemen op dit gebied. [deskundige A] heeft zich dus terecht geconcentreerd op de reductiekasten en gewezen op een aantal mogelijke oorzaken van de opgetreden problemen.”

De rechtbank volgt de deskundige in deze observaties en maakt ze tot de hare. Een en ander voert tot het oordeel dat [deskundige A], gezien het slijtagepatroon dat is opgetreden, zich in zijn onderzoek mocht beperken tot het mechanische gedeelte van de machine. De eerste door de rechtbank geformuleerde vraag dient dan ook bevestigend te worden beantwoord.

3.6 Het tweede bezwaar dat Nomotec tegen de rapportages aanvoert is dat de inhoud van het rapport de conclusie niet kan dragen zodat ook de tweede door de rechtbank geformuleerde vraag negatief moet worden beantwoord. Enerzijds legt Nomotec aan haar bezwaar het argument ten grondslag dat het rapport van [deskundige A] zich ten onrechte beperkt tot de mechanische onderdelen van de machine, anderzijds wijst zij erop dat de gepretendeerde oorzaken onvoldoende hard zijn en er meerdere oorzaken van de schade kunnen worden aangewezen. Het eerste argument is hiervoor reeds aan de orde geweest zodat het geen bespreking meer behoeft. Ten aanzien van het tweede argument overweegt de rechtbank als volgt.

Uitgangspunt is dat Nomotec alleen aansprakelijk is voor schade die als gevolg van een gebrek in de door haar geleverde machine is ontstaan. Dat uitgangspunt laat evenwel onverlet dat ook andere oorzaken tot de schade hebben bijgedragen. In het betoog van Nomotec lijkt de gedachte besloten te liggen dat het bewuste gebrek als de enige oorzaak van de schade moet kunnen worden aangemerkt. Die gedachte is onjuist. In een geval als het onderhavige, waarin schade is ontstaan aan een complexe machine, is het niet onmogelijk dat een aantal samenlopende, elkaar versterkende, oorzaken hebben bijgedragen aan de schade. De relevante vraag is of een gebrek, waarvoor Nomotec de verantwoording draagt, de schade heeft veroorzaakt. De door de rechtbank aan de deskundige gestelde vragen in haar vonnis van 17 december 2002 ziet in de kern op de beantwoording van deze vraag. In zijn eindconclusie formuleert [deskundige A] dit antwoord als volgt: “De keuze om de tandwielkasten in een volkomen gesloten uitvoering toe te passen in combinatie met het “bijna nokvol” vullen hiervan met vet is een onjuiste keuze geweest omdat hierdoor drukopbouw in de kasten t.g.v. thermische expansie van het smeervet kon optreden en waardoor vervolgens afdichtingsproblemen bij de remmodule zijn ontstaan en vervuild vet in het hydraulisch systeem is gaan lekken.” Op grond van deze observaties komt de deskundige tot het oordeel dat de machine niet voldoet aan de eisen die voor een normaal gebruik daarvan noodzakelijk zijn, gegeven de door [eisers] aan Nomotec opgegeven randvoorwaarden en specificaties. Naar aanleiding van het debat tussen partijen over de deugdelijkheid van deze rapportage heeft de rechtbank bij mondeling vonnis van 1 december 2005 aan deskundige [deskundige B] onder meer de vraag voorgelegd of de conclusie van [deskundige A] wordt gedragen door de inhoud van zijn rapportage. [deskundige B] formuleert het antwoord aldus: “De conclusie van [deskundige A] dat de oorspronkelijke uitvoering van de reductiekast met de daarbij toegepaste vetsmering niet geschikt was voor de Soundmachine blijft daarmee overeind”.

De rechtbank volgt de deskundige in dit oordeel en maakt het tot het hare. Dit brengt mee dat de rechtbank tevens de observaties en conclusies van [deskundige A] tot de hare maakt. Een en ander voert tot het oordeel dat de schade aan de machine is ontstaan door een gebrek waarvoor Nomotec verantwoordelijk is. Uit het vorenstaande vloeit eveneens voort dat dit oordeel niet strijdig is met het gegeven dat de schade mogelijk mede het gevolg is geweest van andere, samenlopende oorzaken. Het beroep op deze oorzaken ontslaat Nomotec dus niet van haar aansprakelijkheid en deze behoeven dan ook geen afzonderlijke bespreking.

omvang van de schade

3.7 Nu het causaal verband tussen het gebrek en de schade is vastgesteld dient vervolgens te worden onderzocht welke van de door [eisers] gestelde schadeposten voor vergoeding in aanmerking komen.

3.8 Ten aanzien van de kosten van reparatie van de reductiekasten, beluchting en de vervanging van olie vordert [eisers] een bedrag van € 8.726,19. Nomotec betwist dat dit bedrag door haar is gefactureerd nu de gefactureerde bedragen niet optellen tot het gevorderde bedrag. Voorts betwist zij dat [eisers] het genoemde bedrag aan haar heeft betaald. Het betoog faalt. Om hem moverende redenen heeft [eisers] er kennelijk voor gekozen om de kosten exclusief BTW te vorderen. Indien de nota van Nomotec d.d. 30 september 2000 wordt verminderd met het gecrediteerde bedrag in haar nota d.d. 18 december 2000 resulteert dit in het equivalent in guldens van het gevorderde bedrag. Voorts is, gezien het bestaan van de creditnota, voldoende aannemelijk gemaakt dat eerstgenoemde nota daadwerkelijk door [eisers] is betaald. Voorts neemt Nomotec de stelling in dat genoemde nota, in ieder geval ten dele, betrekking heeft op regulier onderhoud. Ook deze stelling wordt verworpen. De nota geeft met zoveel woorden aan dat gefactureerd wordt voor ‘reparatie reductiekasten’, ‘reparatie Denison’ en vervanging van olie en beluchting. In het licht van deze aanduidingen, die bovendien van Nomotec zelf afkomstig zijn, valt zonder nadere motivering, welke ontbreekt, niet in te zien dat het hier gaat om kosten voor regulier onderhoud. Een en ander brengt mee dat de vordering ten bedrage van € 8.726,19. voor toewijzing gereed ligt.

3.9 Ten aanzien van de gestelde inkomensschade doordat op de kermis in Almelo minder uren zijn gedraaid, verwijst [eisers] naar een ter gelegenheid van pleidooi overgelegd handgeschreven staatje waarin de inkomsten op de kermis van Almelo en Alkmaar staan vermeld. Door vergelijking van de inkomsten van beide kermissen komt [eisers] tot de conclusie dat de inkomstenderving een omvang heeft van € 31.247,26. Nomotec heeft verschillende bezwaren tegen deze berekening naar voren gebracht.

In de eerste plaats beroept zij zich op de stelling dat een handgeschreven notitievel niet als grond voor de vaststelling van schade kan dienen. Dit beroep wordt verworpen. Op de pleidooizitting heeft [eisers] aangegeven dat deze wijze van boekhouden op zijn kermis in de bewuste periode gangbaar was zodat op dit punt van hem niet meer onderbouwing kan worden verlangd.

In de tweede plaats beroept Nomotec zich op de stelling dat de op dat notitievel genoemde bedragen de gegenereerde omzet betreft terwijl uitsluitend de gederfde winst voor vergoeding in aanmerking komt. Dit beroep slaagt. Op de voet van art. 6:95 jo. 6:96 BW komen alleen het geleden verlies en de gederfde winst voor vergoeding in aanmerking zodat de door [eisers] op het notitievel opgevoerde bedragen met de gemaakte kosten dienen te worden verminderd.

In de derde plaats maakt Nomotec bezwaar tegen de berekeningsmethode van [eisers] waarbij de omzet van de (drukke) vrijdagavond aan één uur wordt toegekend, terwijl het overlegde notitievel de tijdsaanduiding “20.00 – 22.30” vermeldt, en vervolgens deze uuromzet één op één wordt doorberekend naar alle overige draaiuren. Ook dit bezwaar wordt terecht voorgesteld. Zonder motivering, welke ontbreekt, is niet begrijpelijk dat de omzet op een vrijdagavond op één lijn kan worden gesteld met de omzet op andere dagen en uren in de week.

In dit verband is tevens van belang dat [eisers] sr. op de pleidooizitting heeft opgemerkt dat niet op voorhand met zekerheid kan worden bepaald hoeveel omzet tijdens een kermis zal worden gemaakt. Nu de schade derhalve niet met precisie kan worden vastgesteld dient zij te worden geschat. Bij die schatting ligt het in de rede aansluiting te zoeken bij de oorspronkelijke begroting van de gederfde omzet door het door [eisers] ingeschakelde bureau ETAS d.d. 7 augustus 2001 die, in productie 2 bij dagvaarding, het omzetverlies begroot op NLG 20.000,-. Dit bedrag ligt bovendien in dezelfde orde van grootte als de door Nomotec tijdens de pleidooizitting gepresenteerde berekening. Nu voorts [eisers] tijdens de pleidooizitting onweersproken heeft gesteld dat op de kermis van Almelo geen pacht was verschuldigd en vrijwel geen stroom werd verbruikt, voert een en ander tot de conclusie dat de inkomensschade als gevolg van het stilliggen van de machine op de kermis van Almelo schattenderwijs dient te worden vastgesteld op

€ 10.000,-. Ten slotte beroept Nomotec zich op ‘eigen schuld’ aan de zijde van [eisers] nu het niet noodzakelijk was om de attractie stil te leggen zodat een deel van de schade voor rekening van [eisers] dient te blijven. Nu dit beroep niet met nadere gegevens wordt onderbouwd, dient het als onvoldoende gemotiveerd te worden verworpen. Tezamen voert een en ander tot de conclusie dat de vordering tot vergoeding van inkomensschade tot een bedrag van € 10.000,- voor toewijzing gereed ligt.

3.10 Ten aanzien van de opgevoerde kosten voor Denison Hydraulics en eigen personeel verweert Nomotec zich met de stelling dat deze schadepost niet nader met stukken wordt onderbouwd. Dit verweer slaagt. [eisers] heeft nagelaten nadere gegevens, zoals de overlegging van ten name van [eisers] gestelde facturen van Denison Hydraulics, over te leggen en geeft overigens tijdens de pleidooizitting aan dat ten aanzien van de personeelskosten facturen ontbreken omdat het personeel ‘zwart’ werd betaald. Bij deze stand van zaken zal het bewijsaanbod van [eisers] worden gepasseerd. Een en ander brengt mee dat de vordering tot vergoeding van € 8.349,56 wordt afgewezen.

3.11 Ten aanzien van het door [eisers] opgevoerde forfaitair honorarium en (on)belaste voorschotten procureur oordeelt de rechtbank dat deze kosten niet buiten de kostenveroordeling als schade gevorderd kunnen worden zodat deze vordering eveneens wordt afgewezen.

3.12 Ten aanzien van de gevorderde kosten voor sequestratie en stalling van de in beslag genomen voertuigen en de verzekering en taxatie van deze voertuigen van in totaal

€ 10.069,06 verweert Nomotec zich met de stelling dat niet vast is komen te staan dat [eisers] deze kosten daadwerkelijk heeft gedragen. In dit verband wijst zij erop dat de nota voor de stalling niet op naam van [eisers] is gesteld maar op die van zijn advocaat en dat onduidelijk blijft of de kosten voor de verzekering van de auto’s door de verzekeraar van [eisers] zijn voldaan. Het verweer slaagt. In het licht van de betwisting door Nomotec worden door [eisers] onvoldoende gegevens overgelegd om de genoemde schadeposten nader te staven. De vordering wordt dan ook als onvoldoende gesteld verworpen.

3.13 De vordering tot vergoeding van de kosten voor het deskundigenbericht van ETAS wordt eveneens afgewezen nu het verzoek tot dit onderzoek (mede) op verzoek van de verzekeraar is gedaan.

3.14 Ook de beweerdelijk gemaakte kosten voor controle van olie ten bedrage van

€ 216,01 zijn in het licht van de betwisting door Nomotec onvoldoende onderbouwd zodat de vordering wordt afgewezen.

3.15 Nu de hiervoor in rechtsoverweging 3.10 tot en met 3.14 besproken schadeposten zijn afgewezen omdat [eisers] niet aan zijn stelplicht heeft voldaan, dient zijn verzoek om toegelaten te worden tot het bewijs van deze schadeposten eveneens te worden afgewezen.

slotsom

3.15 Tezamen genomen voert het bovenstaande tot het oordeel dat de vordering voor een bedrag van in totaal € 18.726,19 voor toewijzing gereed ligt. Gezien de sommatie van [eisers] d.d. 5 september 2001, overgelegd in productie 1 bij dagvaarding, is over dit bedrag wettelijke rente verschuldigd vanaf 20 september 2001 tot aan de dag der algehele voldoening.

3.16 Ten aanzien van de buitengerechtelijke kosten ten bedrage van € 6.324,45 oordeelt de rechtbank dat deze kosten, nu deze door Nomotec zijn betwist, onvoldoende inzichtelijk worden gemaakt zodat de vordering wordt verworpen.

3.17 Nomotec zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding begroot op € 655,- aan verschotten en € 4.053,- aan salaris voor de procureur. Tevens wordt Nomotec veroordeeld in de kosten van het deskundigenonderzoek, begroot op € 6.000,- ten aanzien van het deskundigenbericht van [deskundige A] en € 11.751,25 ten aanzien van het deskundigenbericht van [deskundige B]. Over genoemde bedragen, die door [eisers] bij bevoorschotting zijn betaald, is wettelijke rente verschuldigd vanaf het moment dat de betaling van genoemde bedragen door de rechtbank is ontvangen. Dit brengt mee dat wettelijke rente is verschuldigd over een bedrag van € 6.000,- vanaf 9 april 2003 en over een bedrag van € 11.751,25 vanaf 11 mei 2006, telkens tot aan de dag der algehele voldoening.

in reconventie

3.18 Nu in conventie is komen vast te staan dat Nomotec aansprakelijk is voor de door [eisers] geleden schade, kan het door [eisers] gelegde beslag op een tweetal motorvoertuigen niet als onrechtmatig worden aangemerkt. De gevorderde verklaring voor recht wordt dan ook afgewezen.

3.19 Nomotec zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten begroot op € 452,- aan salaris voor de procureur.

3. De beslissing

De rechtbank:

in conventie

– veroordeelt Nomotec tot betaling aan [eisers] van een bedrag van

€ 18.726,19, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 20 september 2001 tot aan de dag der algehele voldoening;

– veroordeelt Nomotec tot betaling aan [eisers] van een bedrag van

€ 6000,- vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 9 april 2003 tot aan de dag der algehele voldoening;

– veroordeelt Nomotec tot betaling aan [eisers] van een bedrag van

€ 11.751,25 vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 11 mei 2006 tot aan de dag der algehele voldoening;

– veroordeelt Nomotec in de kosten van dit geding begroot op € 655,- aan verschotten en € 4.053,- aan salaris voor de procureur.

Wijst af het meer of anders gevorderde.

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

in reconventie

– wijst de vordering af;

– veroordeelt Nomotec in de kosten van dit geding begroot op € 452,- aan salaris voor de procureur.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Coyajee-Kappers, mr. M.P.J. Ruijpers en mr. L. Reurich en in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2008.