Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BC9097

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
07-04-2008
Datum publicatie
09-04-2008
Zaaknummer
07-8640 en 07-8508
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2009:BG9743, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Handhaving door gemeente Zaanstad t.a.v. het dempen van een deel van De Zaan, het slaan van een damwand en het daaraan aanbrengen van een steiger; geen concreet zicht op legalisatie; geen (overige) bijzondere omstandigheden om van handhaven af te zien, m.n. niet de uitspraak in het geding tussen betrokkene en het Hoogheemraadschap.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummers: AWB 07 - 8640 en AWB 07 - 8508

uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 april 2008

in de zaak van:

[eiser],

wonende te [adres], gemeente [gemeente],

eiser,

gemachtigde: mr. M.R. van Buiten, advocaat te Zaandam, gemeente Zaanstad,

tegen:

het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad,

verweerder,

derde partij:

[derde partij]

wonende te [adres], gemeente [gemeente].

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 december 2006 heeft verweerder eiser gelast

1. de zonder bouwvergunning gebouwde langere steiger op het adres [adres] [adres], binnen een begunstigingstermijn van 6 weken na verzending van dit besluit uit eigen beweging te (laten) verwijderen en verwijderd te houden;

2. het gedempte gedeelte van de Zaan, zoals aangegeven op de bij dit besluit behorende tekening, ongedaan te maken binnen 6 weken na verzending van dit besluit;

3. de zonder bouwvergunning aangebrachte walbeschoeiing, zoals aangegeven op de bij dit besluit behorende tekening, te verwijderen en verwijderd te houden binnen 6 weken na verzending van dit besluit.

Daarbij is aan eiser een dwangsom opgelegd van € 5000,- per week, met een maximum van € 30.000,- .

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 29 november 2007 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 16 november 2007 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder de begunstigingstermijn gewijzigd in 6 weken vanaf de datum van deze beslissing op bezwaar.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 13 december 2007, aangevuld bij brief van 19 december 2007, beroep ingesteld.

Bij brief van 19 december 2007 is tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Bij brief ontvangen op 20 december 2007 heeft verweerder het dwangsombesluit opgeschort totdat op het verzoek van eiser zal zijn beslist.

Bij brief van 1 februari 2008 heeft de derde partij bericht niet ter zitting te zullen verschijnen.

Bij brief van 6 februari 2008 heeft verweerder desverzocht een nader stuk toegezonden.

De zaak is behandeld ter zitting van 12 februari 2008, alwaar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn voornoemde gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. F.P. Brouwer, werkzaam bij de gemeente [gemeente].

Bij tussenbeslissing van 12 februari 2008 heeft de voorzieningenrechter het onderzoek aangehouden tot nadere zitting.

Bij brieven van 11 en 26 maart 2008 heeft verweerder nadere stukken ingebracht.

Bij brief van 31 maart 2008 heeft eiser twee producties toegezonden.

De zaak is vervolgens behandeld ter zitting van 1 april 2008, alwaar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn voornoemde gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. F.P. Brouwer en M. Ditmer, beiden werkzaam bij de gemeente Zaanstad.

Tevens is de derde partij in persoon verschenen.

2. Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter, indien het verzoek om een voorlopige voorziening hangende het beroep bij de rechtbank is gedaan en hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

De in het onderhavige geval verkregen informatie is van dien aard dat nader onderzoek geen relevante nieuwe gegevens zal opleveren. Ook overigens bestaat geen beletsel om met toepassing van voormeld wettelijk voorschrift onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak te doen.

2.2 Aan eiser is op 18 maart 2002 bouwvergunning verleend voor - onder meer - de bouw van een steiger aan de Zaanzijde van zijn perceel [adres]-70 te [adres], met een lengte van 3.20 meter vanaf het atelier en 6.40 meter vanaf de Zaankamer.

2.3 In afwijking van de verleende bouwvergunning heeft eiser een langere steiger gebouwd, met een lengte van circa 17 meter, bestaande uit een 'vast' gedeelte en een daaraan verbonden 'drijvend' deel, door eiser wel aangeduid als "het vlot".

2.4 Eiser heeft voorts zonder over vergunningen daarvoor te beschikken, een gedeelte van het water "De Zaan" gedempt en een nieuwe walbeschoeiing aangebracht.

2.5 Vast staat dat eiser het verbod om te bouwen zonder bouwvergunning heeft overtreden. Verweerder is derhalve bevoegd om handhavend op te treden.

2.6 Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuurdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan weigeren, dit te doen. Dit kan zich voordoen, indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.7 Voor de vraag of zich een concreet zicht op legalisatie voordoet, is het volgende van belang. Ter zitting van 1 april 2008 zijn de tekeningen met datum 29 februari 2008 besproken waarop verweerder de ligging van de erfgrens, het perceelsgedeelte dat eiser heeft gekocht van de gemeente Zaanstad, de Zaanoevernormaallijn en hetgeen eiser aan demping en walbeschoeiijng (damwand) heeft gerealiseerd. Deze tekeningen zijn een meer gedetailleerde weergave van de kaart van De Zaan van juni 1967, nummer 2954, van het Hoogheemraadschap van Uitwaterende Sluizen in Kennemerland en Westfriesland, welke kaart een bijlage is bij de beleidsnota Zorg voor de Zaan van 23 januari 1980.

Eiser heeft deze ter zitting besproken tekeningen niet of onvoldoende bestreden en de voorzieningenrechter gaat dan ook uit van de juistheid van hetgeen daarop is aangegeven.

2.8 Aan de hand van deze tekeningen is vastgesteld dat eiser de damwand heeft aangebracht met een overschrijding van de Zaanoevernormaallijn, en wel met 0.80 meter, dat de demping derhalve eveneens met deze overschrijding is gebeurd en dat eiser daaraan, gemeten vanaf de beschoeiing, - naar de voorzieningenrechter heeft berekend - 8.50 meter vaste steiger heeft aangebouwd.

2.9 Verweerder heeft aangegeven dat deze situatie niet gelegaliseerd kan worden. Het alsnog verlenen van vergunning, eventueel met vrijstelling, voor de demping en de damwand zou in strijd komen met het bestendige beleid om strikt vast te houden aan de Zaanoevernormaallijn. Dit beleid beoogt zowel het tegengaan van verrommeling van de oeverlijn, het houden van de Zaan op de gewenste breedte, als het vermijden van het ontstaan van hoeken of nissen, waar zich slib, afval en ander vuil kan verzamelen. Bovendien zou het leiden tot schending van de belangen van de eigenaar van de Zaan, de gemeente Zaanstad.

2.10 Eiser heeft aangevoerd dat hij vanwege de basaltblokken, die ter plekke in het water lagen, genoodzaakt was de damwand te slaan op de aangegeven huidige plek. Eiser heeft deze stelling evenwel niet dan wel onvoldoende aannemelijk gemaakt en vast staat dat hij het werk zonder overleg of met toestemming van de eigenaar van het water heeft uitgevoerd. Eiser heeft voorts betoogd dat, als hij de damwand en het gedempte stuk (van 0.80 meter) in de oude staat moet herstellen, het gevaar dreigt dat zijn woning in het water van de Zaan zal schuiven. Eiser heeft deze stelling niet voldoende aannemelijk gemaakt. De door hem overgelegde brief van 20 maart 2008 van civieltechnisch ontwerper Tijsterman is daartoe niet toereikend. Tevens is hier van belang dat verweerder de stelling heeft bestreden, onder andere door te wijzen op de omstandigheid dat bij de eerdere verbouwing van eisers pand het gevaar zich niet heeft voorgedaan.

2.11 Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder het belang bij handhaving ten aanzien van de demping en de damwand zwaarder mogen laten wegen dan het belang van eiser.

2.12 Met betrekking tot de demping en het slaan van de damwand is er derhalve geen concreet zicht op legalisatie.

2.13 Met betrekking tot de steiger is van belang dat verweerder bij besluit van 24 maart 2004 de door eiser aangevraagde bouwvergunning voor de feitelijk gerealiseerde, langere steiger heeft geweigerd. Het beroep tegen de ongegrondverklaring van het daartegen gemaakte bezwaar is bij uitspraak van de rechtbank van 23 februari 2006 ongegrond verklaard (reg.nr. 05-2283). Het hoger beroep daartegen is niet-ontvankelijk verklaard, waartegen eiser geen verzet heeft gedaan.

Voorts heeft verweerder naar voren gebracht dat volgens het beleid van de gemeente Zaanstad vrijstelling (en bouwvergunning) mogelijk is voor de bouw van steigers tot maximaal 5 meter uit de Zaanoevernormaallijn. De huidige steiger is, zoals hiervoor reeds aangegeven, veel langer en legalisatie ligt niet in het verschiet.

2.14 Eiser heeft aangevoerd dat de last tot verwijderen van de steiger niet verder zou mogen strekken dan tot de met vrijstelling toegestane lengte van 5 meter.

Afgezien van de omstandigheid dat een aanvraag voor een steiger van die lengte niet door eiser is gedaan, merkt de voorzieningenrechter op dat het, gegeven het oordeel ten aanzien van de demping en de damwand, feitelijk niet mogelijk is een (5 meter lang) deel van de steiger te laten staan.

2.15 Eiser heeft voorts betoogd dat er bijzondere omstandigheden zijn om van handhaving af te zien, omdat hem indertijd - bij besluit van 10 juli 2002 - van de zijde van (de rechtsvoorganger van) het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (hierna: het Hoogheemraadschap) ontheffing is verleend voor het vervangen van een steiger in de Zaan tot een maximale lengte van 5 meter uit de Zaanoevernormaallijn.

Eiser heeft hierbij betoogd dat de genoemde lijn, zoals was voorgeschreven, ter plekke is aangewezen door de projectbeheerder van het Hoogheemraadschap, en dat die lijn moet worden aangehouden. Eiser heeft daarbij aangegeven dat hij op die aangewezen lijn de damwand heeft geplaatst en de steiger heeft aangebracht. Eiser heeft gewezen op de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) van 19 april 2006, waarin deze heeft uitgesproken dat, waar eiser op aanwijzing van de projectbeheerder tot het plaatsen van de vaste steiger op de huidige plaats is gekomen, hem bezwaarlijk kan worden verweten dat hij die in afwijking van de ontheffing heeft geplaatst.

2.16 Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan het voorgaande niet worden beschouwd als een bijzondere omstandigheid, op grond waarvan verweerder van handhaving had moeten afzien.

In de eerste plaats betreft de uitspraak van de ABRS een procedure tussen eiser en het Hoogheemraadschap, waarin verweerder geen partij is geweest. Overigens heeft de ABRS het Hoogheemraadschap opgedragen nader te onderzoeken of de projectbeheerder al dan niet een onjuiste aanwijzing heeft gegeven.

Vervolgens behelst de uitspraak - in rechtsoverweging 2.4. - de vaststelling "dat de aangelegde vaste steiger ten opzichte van de Zaanoevernormaallijn 0.80 meter te lang is" .

Ten slotte is van belang dat thans ter zitting van 1 april 2008 de betreffende lijn - onweersproken - is vastgesteld, en daarmee tevens de overschrijding ervan, niet alleen van de demping en de damwand, maar tevens van de steiger.

2.17 Nu - samengevat - geen concreet zicht op legalisatie aanwezig is en zich geen bijzonder omstandigheden voordoen om van handhavend optreden af te zien bestaat er geen aanleiding voor vernietiging van het dwangsombesluit.

2.18 Het beroep is ongegrond. Gegeven het oordeel in de hoofdzaak wordt het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

2.19 Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

3.1 verklaart het beroep ongegrond;

3.2 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Guinau, voorzieningenrechter, en op 7 april 2008 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. M. Hekelaar, griffier.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat uitsluitend voorzover het de hoofdzaak betreft hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.