Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BC8331

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
26-03-2008
Datum publicatie
02-04-2008
Zaaknummer
375157 / VV EXPL 08-50
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Opzegging van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Eiser betwist de rechtsgeldigheid van de opzegging en vordert in kort geding (onder andere) doorbetaling van salaris. Volgens eiser is de in de schriftelijke arbeidsovereenkomst opgenomen bepaling dat de arbeidsovereenkomst wordt geacht te zijn aangegaan voor een onbepaalde periode, indien werkgever niet vóór of uiterlijk op 19 januari 2008 schriftelijk aan werknemer zal hebben meegedeeld, dat de overeenkomst wordt beëindigd, een beding van voorafgaande opzegging in de zin van het arrest van de Hoge Raad van 23 maart 1962 (NJ 1962/167), zodat ingevolge artikel 6 BBA voorafgaande toestemming van het CWI is vereist. De kantonrechter is van oordeel dat de bepaling niet heeft te gelden als een beding van voorafgaande opzegging, maar als een in het belang van eiser verplicht gestelde waarschuwing dat de arbeidsovereenkomst van rechtswege gaat eindigen. Artikel 6 BBA is derhalve niet van toepassing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2008-0244

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector kanton

Locatie Haarlem

zaak/rolnr.: 375157 / VV EXPL 08-50

datum uitspraak: 26 maart 2007

VONNIS VAN DE KANTONRECHTER IN KORT GEDING

inzake

[eiser]

te [woonplaats]

eisende partij

hierna te noemen [eiser]

gemachtigde mr. H.W. Prillevitz

tegen

[gedaagde]

h.o.d.n. Hanson Bedrijfsmakelaardij

te [woonplaats]

gedaagde partij

hierna te noemen [gedaagde]

gemachtigde mr. M.H. Godthelp

De procedure

[eiser] heeft [gedaagde] op 11 maart 2008 gedagvaard. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 19 maart 2008, tezamen met een door [gedaagde] ingediend verzoekschrift tot voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [eiser] (zaaknummer 376710/AO VERZ 08-199). De gemachtigden hebben zich bediend van pleitnotities. Partijen hebben stukken in het geding gebracht. De griffier heeft aantekening gehouden van hetgeen ter zitting is verhandeld.

De feiten

1. [eiser], 47 jaar oud, is op 19 februari 2007 bij [gedaagde] in dienst getreden voor de duur van 12 maanden, in de functie van commercieel directeur, tegen een salaris van € 5.375,00 bruto per maand, exclusief vakantiegeld en overige emolumenten, waaronder een dertiende maand en een omzetgerelateerde bonus. Aan [eiser] is voorts een mobiele telefoon alsmede een lease-auto ter beschikking gesteld.

2. De tweede zin van artikel 1 van de arbeidsovereenkomst luidt als volgt:

“Indien werkgever niet vóór of uiterlijk op 19 januari 2008 schriftelijk aan werknemer zal hebben meegedeeld, dat de overeenkomst wordt beëindigd, dan wordt geacht dat deze overeenkomst te zijn aangegaan voor een onbepaalde periode.”

3. Blijkens artikel 2 van de arbeidsovereenkomst bestaat de inhoud van de werkzaamheden van commercieel directeur, voor zover van belang, uit de volgende taken:

• “vormgeven en uitbreiden van de interne organisatie […]

• bereiken van een goede interne samenwerking en communicatie

• verbetering van efficiency in de werkwijze

• leidinggeven aan zowel de individuele medewerkers als de dienstgroepen binnen het kantoor

• bereiken van een optimale toepassing van de (interne) kantoorautomatisering (MIEP) […]

• beoordeling van medewerkers en waar mogelijk het verbeteren van hun functioneren

• kwaliteitscontrole op het werkproces”

4. Op 21 juni 2007 heeft [gedaagde] [eiser] verzocht zijn ideeën over de toekomstige organisatie en werkwijze van Hanson aan te geven.

5. Bij e-mailbericht van 14 juli 2007 heeft [gedaagde] onder meer het volgende aan [eiser] medegedeeld:

“Ik was blij te merken […] dat iedereen directe coaching van jouw kant erg waardeert. Je hebt de afgelopen tijd een goed draagvlak gecreëerd […]

Er wordt […] wel meer van je verwacht dat je in je aansturing in de komende tijd meer concreet en directer wordt. […] Het zal heel goed zijn wanneer je ook een deel van je tijd metterdaad besteed aan new business. […]

Ik meen ook dat jij de werking van miep ook goed onder de duim moet hebben. […]

Ik stel voor dat we volgende week eens ruim de tijd nemen om te praten en concrete doelstellingen etc. gaan vastleggen […]”

6. Vanaf medio 2007 heeft [gedaagde] twee ochtenden per week met [eiser] over diens functioneren gesproken. In augustus 2007 heeft [gedaagde] een coach ingehuurd ten einde hem te begeleiden bij het begeleiden van [eiser].

7. Op 26 september 2007 heeft tussen [gedaagde] en [eiser] een gesprek plaatsgevonden naar aanleiding van een door [eiser] opgestelde lijst van kerncompetities. In het gespreksverslag zijn diverse opmerkingen en ontwikkelpunten genoemd. Bij het punt Organisatieloyaliteit is onder meer het volgende opgemerkt: “meer proactief, meer resultaatgericht […] meer hands-on mentaliteit.” Bij Leidinggeven: “meer controleren […] Je stuurt zelf onvoldoende proactief. [..] Verwacht dat je meer concreet wordt en meer zelf initiatief neemt.” Bij Probleemanalyse: “Oplossingen worden bij anderen gezocht. Sturing van het probleem geef je uit handen.” Bij Initiatief: “Je bent tot nu toe te veel volgend en te weinig initiërend.”

8. Onder punt 4. Doelstellingen voor de komende zes maanden, zijn onder meer de volgende punten opgenomen:

“Binnenkort heb je een korte termijn beleidsplan klaar voor de periode oktober- december, en dit vertaald in doelstellingen voor de verschillende medewerkers. Je hebt een communicatiemodel opgezet (besprekingen individueel en met het team) dat passend is en niet nodeloos tijd kost.

[…] MIEP. Je gaat het systeem gebruiken […]”

9. Naar aanleiding van het gesprek op 26 september 2007 heeft [gedaagde] [eiser] bij e-mail van 30 september 2007 onder meer het volgende medegedeeld:

“De omzet van het kantoor is beneden de maat. […] De mensen gaan hun eigen gang en werken niet hard of niet efficiënt genoeg […] Jouw aansturing en voorbeeldgedrag draagt onvoldoende bij aan het verbeteren van de situatie. […] Om de voortgang te monitoren overleggen jij en ik tweemaal per week ’s ochtends. […]

Door jou wordt snel een zowel korte als lange termijn visie opgesteld. Daar hoort een duidelijke planning bij […] Kort voor jouw vakantie hebben wij elkaar hierover al eerder gesproken/gemaild. Ik ga ervan uit dat je daar inmiddels ideeën over hebt ontwikkeld en die in week 41 schriftelijk kunt presenteren.”

10. Bij e-mail van 18 oktober 2007 heeft [eiser] onder meer het volgende aan [gedaagde] doen weten:

“Ben vanochtend bij de huisarts geweest. De bloeddruk is inderdaad aan de hoge kant […] We kwamen gezamenlijk tot de conclusie dat het de stress is die het werk met zich meebrengt.”

11. Bij e-mail van 8 november 2007 (21.00 uur) heeft [gedaagde] onder meer het volgende aan [eiser] medegedeeld:

“Uiterlijk aan het eind van de volgende week wil ik graag het navolgende gereed hebben:

Functioneren/beoordelen:

• De functieomschrijvingen van elke medewerker met zijn of haar competenties;

• concepten voor de functioneringsgesprekken […]

• concepten voor de beoordelingsgesprekken met ieder.

[…]

Salarissen

Graag en salaris overzicht (2007) van iedereen en jouw visie voor salarisverhoging (2008) […]

Budgettering 2008:

Graag jouw eerste (overzichtelijke) voorzet voor de budgettering 2008 […]”

12. Op dezelfde dag (8 november 2007 om 21.34 uur) heeft [gedaagde] per e-mail onder meer het volgende aan [eiser] doen weten:

“Vanmiddag was je afwezig. Evenals dinsdag en maandagmiddag. Dit is voorgaande weken ook gebeurd. […] Ter compensatie van je vroege aanwezigheid zou je de maandag en dinsdagmiddagen gebruiken voor werken vanuit thuis. De donderdag(middag) zou je gebruiken voor netwerken en acquisitie voor Hanson.

Omdat mij is gebleken, dat deze afspraken niet in het belang van de onderneming uitpakken en omdat er intern een negatief signaal vanuitgaat, annuleer ik per direct de gemaakte afspraken. Daarnaast blijven concrete resultaten over beleidsvorming en planning uit.”

13. [eiser] heeft zich op 9 november 2007, na op kantoor te zijn verschenen en de e-mails van 8 november 2007 te hebben gelezen, ziek gemeld en is naar huis vertrokken.

14. Bij brief van 13 november 2007 heeft de gemachtigde van [eiser] aan [gedaagde] doen weten dat [eiser] zich tot hem had gewend om zich te laten adviseren over zijn arbeidsrechtelijke positie.

15. Bij brief van 14 november 2007 heeft [gedaagde] [eiser] doen weten dat het dienstverband na 29 februari 2008 niet zal worden verlengd in verband met ernstig disfunctioneren van [eiser] en hem gesommeerd de sleutels van het kantoor van Hanson in te leveren.

16. Op 20 november 2007 heeft de bedrijfsarts [eiser] gezien en geconstateerd dat er geen sprake is van medische beperkingen ten gevolge van ziekte of handicap, maar van een verstoorde arbeidsverhouding, en mediation geadviseerd.

17. Op 6 december 2007 heeft [gedaagde] het salaris over november 2007 aan [eiser] voldaan.

18. Op 7 december 2007 heeft [eiser] de leaseauto en telefoon ingeleverd.

19. Op 20 december 2007 heeft de arbeidsdeskundige van het UWV [eiser] op 12 november 2007 niet geschikt geoordeeld voor het verrichten van het eigen werk tengevolge van “zuiver situationele bepaalde klachten”.

20. [gedaagde] heeft op het salaris van december 2007 een bedrag van € 250,00 ingehouden in verband met Bijdrage auto. Voorts heeft [gedaagde] het salaris over die maand verhoogd met € 664,38 in verband met fiscale bijtelling auto.

21. Op 2 januari 2008 heeft de gemachtigde van [eiser] gesommeerd tot betaling van de dertiende maand 2007.

22. Op 10 maart 2008 heeft [gedaagde] aan [eiser] een bedrag van € 4.177,00 netto betaald in verband met het salaris over januari 2008 (€ 2.794,48) en februari 2008 (€ 3.286,70) alsmede de dertiende maand (€ 1.790,88), onder aftrek van € 3.000,00 ter zake van leasevergoeding, € 250,00 auto bijdrage januari, € 14,00 lunchbijdrage, € 5,00 verjaardagsfonds en € 426,08 ter zake van pensioenbijdrage januari en februari.

De vordering

[eiser] vordert bij wijze van voorlopige voorziening, (samengevat) veroordeling van [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van

I. € 250,00 ter zake van de op het salaris van december 2007 ingehouden eigen bijdrage bedrijfsauto, vermeerderd met de wettelijke verhoging ad € 125,00 en de wettelijke rente vanaf 1 januari 2008;

II. € 1.075,00 netto ter zake van de wettelijke verhoging van 20% over het salaris over november 2007 ad € 5.375,00 bruto, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 tot 6 december 2007;

III. € 5.375,00 bruto ter zake van de dertiende maand, vermeerderd met € 2.687,50 netto ter zake van de wettelijke verhoging en met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2008 althans 1 februari 2008;

IV. € 5.375,00 bruto ter zake van het salaris over januari 2008, vermeerderd met € 2.687,50 netto ter zake van de wettelijke verhoging en de wettelijke rente vanaf 1 februari 2008;

V. € 5.375,00 bruto ter zake van het salaris over februari 2008, vermeerderd met € 2.687,50 netto ter zake van de wettelijke verhoging en de wettelijke rente vanaf 1 maart 2008;

VI. het volledige salaris van € 5.375,00 bruto per maand vanaf 1 maart 2008 tot het rechtsgeldig einde van de arbeidsovereenkomst;

VII. € 3.300,00 ter zake van (voorschot) buitengerechtelijke kosten;

VIII. de kosten van de procedure.

[eiser] stelt daartoe het volgende.

Ad I

[gedaagde] heeft op het salaris van december 2007 ten onrechte een bedrag van € 250,00 ter zake van de eigen bijdrage voor de bedrijfsauto in mindering gebracht. [eiser] had immers vanaf 7 december 2007 niet meer de beschikking over de auto.

Ad II

Het salaris over de maand november 2007 is pas op 6 december 2007 betaald. Daarom is [gedaagde] de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW van 20% over dit bedrag verschuldigd.

Ad III

De dertiende maand is verschuldigd aan het einde van het kalenderjaar. [gedaagde] heeft verzuimd de dertiende maand op tijd te betalen. Aan [eiser] komt derhalve vanaf 31 december 2007 althans vanaf 31 januari 2008 een bedrag van € 5.375,00 bruto toe, vermeerderd met de wettelijke verhoging ad 50%.

Ad IV en V

Het salaris over de maanden januari en februari 2008 is niet op tijd aan [eiser] voldaan. [eiser] heeft ter zake twee maal € 5.375,00 bruto van [gedaagde] te vorderen, vermeerderd met de wettelijke verhoging van 50% vanaf 1 februari respectievelijk 1 maart 2008.

Ad VI

De arbeidsovereenkomst is niet per 20 februari 2008 geëindigd. Hetgeen in de arbeidsovereenkomst onder artikel 1 is vermeld met betrekking tot de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, heeft te gelden als een beding van voorafgaande opzegging in de zin van het arrest van de Hoge Raad van 23 maart 1962 (NJ 1962/167). Ingevolge dit arrest is voor de opzegging van de arbeidsovereenkomst op de voet van artikel 6 BBA toestemming van het CWI is vereist. [gedaagde] heeft de arbeidsovereenkomst opgezegd zonder die toestemming. De opzegging is daarom niet rechtsgeldig, zodat de arbeidsovereenkomst tot op heden voortduurt.

Daarbij komt dat de opzegging in strijd is met het opzegverbod van artikel 7:670 BW, nu [eiser] op het moment van opzegging arbeidsongeschikt was.

[eiser] heeft dus vanaf 20 februari 2008 onverminderd recht op doorbetaling van het salaris tot het rechtsgeldig einde van de arbeidsovereenkomst.

Ad VII

[eiser] heeft schade geleden, omdat hij tengevolge van het onrechtmatig handelen van [gedaagde] zich genoodzaakt heeft gezien juridische bijstand in te schakelen. Hij heeft daarvoor kosten moeten maken, die momenteel een bedrag van € 7.098,82 exclusief btw bedragen. [eiser] vordert bij wijze van voorschot hierop, op de voet van artikel 6:96 althans 6:162 BW, een bedrag van € 3.300,00 exclusief btw.

[eiser] heeft de vordering verminderd met het door [gedaagde] op10 maart 2008 aan [eiser] betaalde bedrag van € 4.177,00 netto.

Het verweer

[gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd waarop, voor zover van belang, bij de beoordeling van het geschil zal worden ingegaan.

De beoordeling van het geschil

De gevorderde voorlopige voorziening komt slechts voor toewijzing in aanmerking als in dit geding aan de hand van de thans bekende feiten en omstandigheden de verwachting gewettigd is dat in een eventueel tussen partijen nog te voeren bodemprocedure een soortgelijke vordering van [eiser] tot een toewijzing daarvan zal leiden.

Ad I

Gesteld noch gebleken is dat [eiser] ook na de teruggave van de lease-auto de eigen bijdrage van € 250,00 per maand verschuldigd is. [gedaagde] dient [eiser] dan ook het door hem op het salaris van december 2007 ingehouden bedrag van € 250,00 netto te voldoen, vermeerderd met de wettelijke verhoging van 50%.

Ad II

Anders dan [gedaagde] is de kantonrechter van oordeel dat artikel 7:625 BW niet inhoudt dat het salaris tot één maand na afloop van de maand waarin gewerkt is, aan de werknemer mag worden betaald. Het loon dient ingevolge dit artikel na afloop van het tijdvak waarover het loon moet worden berekend, te worden voldaan, waarbij het tijdvak voor voldoening niet korter is dan één week en niet langer dan één maand. Nu [gedaagde] het loon over november 2007 op de zesde dag na afloop van het tijdvak waarover het berekend wordt, aan [eiser] heeft voldaan, heeft dit tot gevolg dat [gedaagde] ingevolge artikel 7:625 BW de wettelijke verhoging is verschuldigd over de vierde en vijfde dag. Hij dient derhalve aan [eiser] een bedrag van € 537,50 bruto, zijnde 10% van het salaris ad € 5.375,00 bruto per maand, te voldoen.

Ad III

[gedaagde] heeft onder verwijzing naar een door haar overgelegde specificatie van de betaling van 10 maart 2008 aangevoerd, dat aan [eiser] ter zake van de dertiende maand een bedrag van € 3.731,00 bruto toekomt. Volgens [gedaagde] heeft [eiser] alleen recht op betaling over de periode waarin hij daadwerkelijk werkzaamheden voor [gedaagde] heeft verricht. Vanaf 9 november 2007 heeft [eiser] geen recht op de dertiende maand, omdat [gedaagde] betwist dat hij vanaf die datum arbeidsongeschikt is, aldus [gedaagde].

De kantonrechter volgt [gedaagde] niet in dit verweer, nu in de arbeidsovereenkomst is vastgelegd dat “werknemer een dertiende maand ter grootte van één maandsalaris uitgekeerd zal krijgen” en gesteld noch gebleken is dat aan de uitbetaling daarvan (beperkende) voorwaarden zijn verbonden.

Aan [eiser] komt derhalve, conform de arbeidsovereenkomst, ter zake van de dertiende maand een bedrag van € 5.375,00 bruto toe.

Met betrekking tot de betalingstermijn van de dertiende maand verschillen partijen van mening. Nu niet is gebleken dat partijen daaromtrent concrete afspraken hebben gemaakt, gaat de kantonrechter ervan uit dat de dertiende maand in ieder geval verschuldigd was per 19 februari 2008. Omdat betaling eerst op 10 maart 2008 heeft plaatsgevonden, brengt dit mee dat aan [eiser] tevens toekomt een bedrag van € 2.687,50 bruto ter zake van de maximale wettelijke verhoging. Ook de wettelijke rente is toewijsbaar zoals gevorderd, nu [gedaagde] met tijdige betaling in gebreke is gebleven.

Ad IV

Als niet door [gedaagde] betwist staat vast dat het aan [eiser] het salaris over januari 2008 ad € 5.375,00 bruto toekomt.

Gelet op hetgeen hiervoor onder II met betrekking tot het tijdstip van de betaling is overwogen, komt aan [eiser] ook een bedrag van € 2.687,50 bruto ter zake van de wettelijke verhoging over het salaris van januari 2008 toe.

Ad V en VI

Niet in geschil is dat [eiser] ter zake van salaris over de maand februari 2008 in ieder geval recht heeft op het pro rata bedrag tot en met 19 februari 2008. Nu betaling eerst op 10 maart 2008 heeft plaatsgevonden, komt aan [eiser] over dat bedrag tevens ingevolge artikel 7:625 BW de wettelijke verhoging ad 26% toe.

[gedaagde] heeft met betrekking tot de betaling van het loon na 19 februari 2008 aangevoerd, dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd per die datum, zodat na die datum geen loon meer verschuldigd is. Volgens [gedaagde] is artikel 1 van de arbeidsovereenkomst niet aan te merken als een beding van voorafgaande opzegging, zoals bedoeld in het arrest van de Hoge Raad van 23 maart 1962, maar slechts als waarschuwing dat de arbeidsovereenkomst gaat eindigen. Daarom is voor de opzegging geen voorafgaande toestemming van het CWI nodig, stelt [gedaagde].

Ingevolge artikel 7:667 lid 1 jº 2 sub a BW eindigt een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van rechtswege, maar is voorafgaande opzegging nodig indien zulks bij schriftelijk aangegane overeenkomst is bepaald. In het arrest van 10 juni 1983 (NJ 1984/60) heeft de Hoge Raad bepaald dat een in de cao opgenomen bepaling dat een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd na het verstrijken van die tijd geacht wordt te zijn aangegaan voor onbepaalde tijd, tenzij de werkgever uiterlijk twee maanden voor het verstrijken van de bepaalde tijd schriftelijk mededeelt de arbeidsovereenkomst niet te willen voortzetten, niet geldt als een beding van voorafgaande opzegging, maar als een in het belang van de werknemer verplichte waarschuwing dat de arbeidsverhouding van rechtswege gaat eindigen.

[eiser] heeft niets gesteld waaruit kan worden afgeleid dat partijen destijds de bedoeling hebben gehad om een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd met elkaar aan te gaan, die slechts door opzegging zou kunnen worden beëindigd. Ook uit de tekst van de tussen partijen tot stand gekomen arbeidsovereenkomst blijkt niet van een zodanige bedoeling. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter heeft de in artikel 1 van de arbeidsovereenkomst opgenomen mededeling dan ook niet te gelden als een schriftelijk opzeggingsbeding als genoemd in artikel 7:667 lid 2 sub a BW, maar als een in het belang van [gedaagde] verplicht gestelde waarschuwing dat de arbeidsovereenkomst van rechtswege gaat eindigen.

Het voorgaande leidt ertoe dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen door de mededeling van [gedaagde] van 14 november 2007 op 19 februari 2008 rechtsgeldig is geëindigd, zodat aan [eiser] na die datum geen salaris toekomt.

Ad VII

[gedaagde] heeft de verschuldigdheid van de door [eiser] gevorderde buitengerechtelijke kosten betwist, aanvoerende dat de eventuele proceskostenveroordeling daarvoor een vergoeding pleegt in te houden.

Dit verweer gaat slechts op voor de kosten gemaakt ter voorbereiding van de procedure, in casu voor de kosten die zijn gemaakt vanaf het moment dat [eiser] heeft besloten [gedaagde] in rechte te betrekken. Blijkens het overzicht heeft de gemachtigde van [eiser] op 25 februari 2008 een aanvang gemaakt met het opstellen van de conceptdagvaarding. Dat brengt mee dat de vanaf die datum opgevoerde kosten betrekking hebben op de voorbereiding van de procedure.

[eiser] heeft een overzicht van de door zijn gemachtigde gemaakte kosten overgelegd. Blijkens dit overzicht worden vanaf 13 november 2007 kosten berekend. Naar het oordeel van de kantonrechter bestond voor [eiser] vóór ontvangst van de brief van 14 november 2007 geen noodzaak tot het inschakelen van een gemachtigde. De voor die datum gedeclareerde kosten komen daarom ook niet voor vergoeding in aanmerking.

Voor het overige zijn de buitengerechtelijke kosten toewijsbaar, nu [gedaagde] daartegen geen inhoudelijk verweer heeft gevoerd. Toegewezen wordt derhalve een bedrag van (15,9 uur x

€ 196,10 =) € 3.117,99.

[gedaagde] heeft zich voorts beroepen op het recht om hetgeen [eiser] ter zake van salaris over januari en februari 2008, alsmede de dertiende maand toekomt, te verrekenen met een bedrag van in totaal € 3.695,00 ter zake van afkoop leasecontract, auto bijdrage januari, lunchbijdrage, verjaardagsfonds en pensioenbijdrage.

Dit verweer treft doel met betrekking tot de lunchbijdrage, het verjaardagsfonds en de pensioenbijdrage, nu [eiser] genoemde bijdrages niet heeft betwist.

Met betrekking tot de bedragen ter zake van de kosten beëindiging leasecontract en eigen bijdrage auto wordt het volgende overwogen.

leasecontract

Uit de tekst van het arbeidscontract noch uit de stellingen van [gedaagde] is gebleken dat de kosten van de beëindiging van het leasecontract voor rekening van [eiser] dienen te komen. Nu [gedaagde] op eigen initiatief het leasecontract heeft beëindigd, is [eiser] niet aansprakelijk voor de daarmee samenhangende kosten. Vooralsnog is niet aannemelijk dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat deze kosten dienen te worden beschouwd als door [eiser] veroorzaakte schade.

eigen bijdrage auto

Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] verklaard dat het bedrag van € 250,00 betrekking heeft op een door de leasemaatschappij geconstateerde schade aan de leaseauto. Volgens [gedaagde] heeft [eiser] die schade veroorzaakt, zodat hij het door de verzekeringsmaatschappij aan [gedaagde] in rekening gebrachte eigen risico van € 250,00 dient te dragen.

[eiser] heeft gemotiveerd betwist dat hij aansprakelijk is voor de schade aan de auto. Volgens [eiser] ging het bovendien om een klein krasje dat kon worden weggepoetst.

De door [eiser] overgelegde factuur van de leasemaatschappij is niet voldoende om de door [gedaagde] gestelde schade uit af te leiden. Daarbij komt dat [gedaagde] geen feiten heeft aangevoerd waaruit kan worden afgeleid dat ten gevolge van de schuld of bewuste roekeloosheid van [eiser] schade is ontstaan aan de lease-auto. Dit brengt mee dat vooralsnog onvoldoende aannemelijk is geworden dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat het eigen risico voor rekening van [eiser] dient te komen.

Resumerend leidt het voorgaande ertoe dat de (verminderde) vordering tot betaling van salaris, dertiende maand, wettelijke verhoging en buitengerechtelijke kosten zal worden toegewezen zoals hiervoor met betrekking tot de respectievelijke onderdelen van de vordering is overwogen en beslist, onder aftrek van de niet betwiste bedragen ter zake van verjaardagsfonds, lunchbijdrage en pensioenbijdrage.

De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] omdat deze voor het grootste deel in het ongelijk wordt gesteld.

Beslissing

De kantonrechter:

- veroordeelt [gedaagde] bij wijze van voorlopige voorziening tot betaling aan [eiser] van:

I. € 250,00 netto ter zake van de op het salaris van december 2007 ingehouden eigen bijdrage bedrijfsauto, vermeerderd met de wettelijke verhoging ad € 125,00 en de wettelijke rente vanaf 1 januari 2008 tot aan de dag der algehele voldoening;

II. € 537,50 bruto ter zake van de wettelijke verhoging ad 10% van het bruto salaris over november 2007, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 tot 6 december 2007;

III. € 5.375,00 bruto ter zake van de dertiende maand, te vermeerderen met € 2.687,50 bruto ter zake van de wettelijke verhoging ad 50% en de wettelijke rente vanaf 1 januari 2008 tot de dag der algehele voldoening;

IV. € 5.375,00 bruto ter zake van het salaris over januari 2008, te vermeerderen met € 2.687,50 bruto ter zake van de wettelijke verhoging ad 50% en de wettelijke rente vanaf 1 februari 2008 tot de dag der algehele voldoening;

V. een bedrag gelijk aan het bruto salaris over de periode vanaf 1 tot en met 19 februari 2008, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ad 50% en de wettelijk rente vanaf 1 maart 2008 tot aan de dag der algehele voldoening;

VI. € 3.117,99 ter zake van buitengerechtelijke incassokosten;

een en ander onder aftrek van het door [gedaagde] op 10 maart 2008 aan [eiser] betaalde bedrag van € 4.177,00 netto en een bedrag van in totaal € 445,08 netto ter zake van lunchbijdrage, verjaardagsfonds en pensioenbijdrage;

- veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten, die aan de kant van [eiser] tot en met vandaag worden begroot op de bedragen zoals deze hieronder zijn gespecificeerd:

dagvaarding € 85,44

vastrecht € 201,00

salaris gemachtigde € 400,00;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.J. Harts en uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum.