Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BC8117

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
12-03-2008
Datum publicatie
31-03-2008
Zaaknummer
125399 - HA ZA 06-817
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vraag of bestuurders persoonlijk aansprakelijk zijn voor niet betaalde facturen. Door inkoopbeleid aan te passen, eigendomsvoorbehoud te verschaffen en uitstaande orders te wijzigen hebben bestuurders getracht faillissement te voorkomen. In dat licht onvoldoende onderbouwd dat bestuurders wisten of behoorden te begrijpen dat facturen niet zouden worden betaald en geen verhaal mogelijk zou zijn.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 2
Burgerlijk Wetboek Boek 2 11
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2008/337
JRV 2008, 506

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 125399 / HA ZA 06-817

Vonnis van 12 maart 2008

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

KOOPMAN INTERNATIONAL B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

procureur mr. C.M. Kan,

advocaat mr. Ch.M. de Ruiter te Amsterdam,

tegen

1. [Gedaagde 1],

wonende te Hillegom,

2. [Gedaagde 2],

wonende te Assendelft, gemeente Zaanstad,

gedaagden,

procureur mr. M. Middeldorp,

advocaat mr. F.X.D.A. Hagens te Leusden.

Partijen zullen hierna Koopman en [gedaagden] worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 16 augustus 2006

- het proces-verbaal van comparitie van 8 november 2006

- de akte na comparitie van [gedaagden]

- de (antwoord)akte na comparitie van Koopman

- de nadere akte van Koopman

- de akte uitlaten producties van [gedaagden]

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Koopman houdt zich bezig met de in- en verkoop van huishoudelijke artikelen en meublementen.

2.2. [gedaagde 1] is bestuurder en enig aandeelhouder van Jobro Media B.V. (hierna: Jobro Media), gevestigd te Hillegom, welke vennootschap bestuurder is van Euro Surprise B.V. (hierna: Euro Surprise), gevestigd te Beverwijk.

2.3. [gedaagde 2] is bestuurder en enig aandeelhouder van Brameho B.V. (hierna: Brameho), gevestigd te Assendelft, welke vennootschap eveneens bestuurder is van Euro Surprise.

2.4. In het eerste kwartaal van 2006 heeft Euro Surprise diverse goederen bij Koopman besteld en gekocht. Koopman heeft deze goederen (onder meer) op 14/15 maart 2006 geleverd.

2.5. Koopman heeft Euro Surprise ter zake een vijftal facturen doen toekomen, in totaal voor een bedrag van € 38.784,17. Het gaat om facturen met factuurnummers:

- 1076662 ten bedrage van € 1.078,95 d.d. 2 februari 2006;

- 1076663 ten bedrage van € 1.060,48 d.d. 2 februari 2006;

- 1076729 ten bedrage van € 1.103,32 d.d. 2 februari 2006;

- 1083032 ten bedrage van € 32.301,29 d.d. 14 maart 2006;

- 1085857 ten bedrage van € 3.240,13 d.d. 29 maart 2006.

2.6. Euro Surprise heeft deze facturen niet betaald.

2.7. Euro Surprise is op 11 mei 2006 door deze rechtbank in staat van faillissement verklaard.

2.8. Koopman heeft [gedaagden] bij brief van 24 mei 2006 gesommeerd om de facturen te voldoen. [gedaagden] hebben de facturen niet betaald.

2.9. Bij vonnis in kort geding van 26 september 2006 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank te ’s-Gravenhage het op 7 juni 2006 door Koopman ten laste van [gedaagde 1] gelegde conservatoir beslag opgeheven.

3. Het geschil

3.1. Koopman vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [gedaagden]

– hoofdelijk – tot betaling van € 38.784,17, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening, met hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] in de proceskosten.

3.2. Koopman betoogt – kort samengevat – dat [gedaagden], al dan niet als (indirect) bestuurders, onrechtmatig jegens haar hebben gehandeld doordat zij ten tijde van het aangaan van de koopovereenkomsten wisten, althans behoorden te begrijpen, dat Euro Surprise niet in staat zou zijn voor de goederen te betalen en evenmin verhaal zou bieden voor de dientengevolge door Koopman te lijden schade. Het niet betalen van de facturen is volgens Koopman te wijten aan de betalingsonwil van [gedaagden] als (indirect) bestuurders van Euro Surprise.

3.3. [gedaagden] voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Koopman stelt (primair) dat [gedaagden] op het moment dat zij de orders deden, wisten dat het slecht ging met Euro Surprise, zodat zij – ook gelet op het faillissement d.d. 11 mei 2006 – wisten, althans redelijkerwijs behoorden te begrijpen, dat Euro Surprise de onderhavige facturen niet zou kunnen betalen. Koopman beschouwt de inhoud van haar pleitnota in kort geding als in haar (antwoord)akte na comparitie ingelast, waarbij zij onder meer verwijst naar het ter gelegenheid van de comparitie in het geding gebrachte faillissementsverslag van de curator d.d. 8 juni 2006, waarin als oorzaak voor het faillissement van Euro Surprise onder meer de “algehele economische teruggang” is vermeld, alsmede de omstandigheid dat Jobro Media en Brameho in augustus 2005 beide

€ 100.000,- hebben ingebracht. Koopman wijst voorts op een bij (antwoord)akte na comparitie overgelegde brief van de curator d.d. 16 augustus 2006, waaruit zou blijken dat Euro Surprise vanaf februari 2006 het merendeel van haar verhuurders niet meer heeft betaald en niet of nauwelijks meer heeft ingekocht. Ten slotte zou ook uit het feit dat [gedaagden] naar eigen zeggen als gevolg van de liquiditeitsproblemen in de maanden maart en april 2006 maatregelen hebben getroffen, blijken dat zij al eerder van de financiële malaise wisten. Volgens Koopman hebben zij haar daarover niet ingelicht, maar hebben zij juist toegezegd dat er betaald zou worden.

4.2. [gedaagden] betwisten dat zij ten tijde van het aangaan van de koopovereenkomsten wisten of behoorden te begrijpen dat Euro Surprise niet in staat zou zijn de desbetreffende facturen te betalen. Koopman zou bovendien op de hoogte zijn geweest van de financiële situatie bij Euro Surprise. [gedaagden] betwisten dat zij enige toezegging hebben gedaan omtrent betaling van de facturen, alsmede dat er sprake was van betalingsonwil aan hun zijde.

Ten slotte had Koopman had volgens [gedaagden] gebruik kunnen maken van het overeen-gekomen eigendomsvoorbehoud ten aanzien van de gekochte goederen, waarvan zij ook ten dele daadwerkelijk gebruik heeft gemaakt.

4.3. De rechtbank overweegt als volgt. De bestuurder – of op de voet van artikel 2:11 BW de feitelijk/indirect bestuurder – van een vennootschap is persoonlijk aansprakelijk voor schade die het gevolg is van het feit dat de vennootschap haar verplichtingen uit een overeenkomst niet kan nakomen, indien hij bij het aangaan van de overeenkomst namens de vennootschap wist, althans redelijkerwijs behoorde te begrijpen, dat de vennootschap niet of niet binnen een redelijke termijn aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden voor de ten gevolge van die tekortkoming door de wederpartij te lijden schade.

4.4. De rechtbank volgt Koopman in haar betoog dat [gedaagden] ten tijde van het aangaan van de koopovereenkomsten – waarvan de laatste, gelet op de factuurdata, in ieder geval niet later dan eind maart is aangegaan – hebben geweten dat Euro Surprise in financiële problemen verkeerde. Daaruit blijkt evenwel (nog) niet dat zij wisten, althans redelijkerwijs hebben moeten begrijpen, dat Euro Surprise niet in staat zou zijn de facturen (binnen een redelijke termijn) te voldoen. Ook uit de omstandigheid dat Euro Surprise op 11 mei 2006 in staat van faillissement is verklaard, kan dit niet zonder meer worden afgeleid.

4.5. In dit verband is het volgende van belang. [gedaagden] stellen onweersproken dat Koopman en Euro Surprise reeds langere tijd zaken met elkaar deden. De onderhavige orders pasten dus in het patroon van maandelijks terugkerende bestellingen, die door de inkoper van Euro Surprise werden gedaan. Een verschil met de eerdere bestellingen was dat de orders in het eerste kwartaal van 2006 minder omvangrijk waren. [gedaagden] stellen ter toelichting dat zij in maart en april 2006 het beleid naar aanleiding van de voorlopige bedrijfsresultaten over 2005 en de begroting over 2006 hebben aangepast. Deze voorlopige bedrijfsresultaten en begroting, door [gedaagden] bij akte in het geding gebracht, geven een negatief bedrijfsresultaat over 2005 weer, maar laten een positief resultaat over november van dat jaar zien en geven de verwachting van een positief resultaat over 2006. Koopman betwist deze resultaten onvoldoende gemotiveerd. De stelling van [gedaagden] dat zij met het oog op deze (negatieve) voorlopige bedrijfsresultaten onder meer hun inkoopbeleid wilden aanpassen en dat Koopman hiervan op de hoogte was, vindt bevestiging in de door Koopman in het geding gebrachte verklaring van [A], verkoopleider bij Koopman. [A] heeft verklaard dat [gedaagde 1] op 7 maart 2006 de uitstaande orders heeft gewijzigd en heeft aangegeven voortaan kleinere voorraden tegen scherpere prijzen te willen. Daar komt bij dat als onweersproken vast staat dat Euro Surprise de goederen onder eigendomsvoorbehoud heeft gekocht, zodat ook op deze wijze verhaal mogelijk was. Koopman heeft ook daadwerkelijk een deel van de geleverde goederen naderhand teruggenomen. Ook staat vast dat Euro Surprise betalingsregelingen met leveranciers heeft getroffen, doch niet met Koopman, omdat zij, zo heeft zij onweersproken gesteld, jegens Koopman geen betalingsachterstand had. Pas nadat eind april 2006 de definitieve bedrijfsresultaten over 2005 bekend waren geworden, hebben [gedaagden] besloten om het faillissement van Euro Surprise aan te vragen.

4.6. Uit de niet, althans onvoldoende gemotiveerd weersproken stellingen van [gedaagden], komt aldus het beeld naar voren dat [gedaagden] in het eerste kwartaal van 2006 op een niet onredelijke wijze hebben geprobeerd Euro Surprise voor een faillissement te behoeden door een ander beleid te voeren dan voorheen, daarbij rekening houdend met de belangen van de crediteuren. In het licht van het voorgaande heeft Koopman haar stelling dat [gedaagden] bij het aangaan van de koopovereenkomsten wisten, althans redelijkerwijs hebben moeten begrijpen, dat Euro Surprise niet in staat zou zijn de facturen te voldoen, onvoldoende onderbouwd.

4.7. De (subsidiaire) stelling van Koopman dat er sprake is van betalingsonwil

aan de zijde van [gedaagden], welke stelling door [gedaagden] wordt weersproken, is niet in overeenstemming met hetgeen hiervóór is overwogen. Koopman heeft ook verder geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit de juistheid van haar stelling blijkt.

Van onrechtmatig handelen door [gedaagden] – al dan niet als (indirect) bestuurders – is dan

ook niet gebleken. De rechtbank zal de vordering derhalve afwijzen.

4.8. Koopman zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagden] worden begroot op:

- vast recht € 855,-

- salaris procureur 1.737,- (3,0 punten × tarief € 579,-)

Totaal € 2.592,-

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vordering af,

5.2. veroordeelt Koopman in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagden] tot op heden begroot op € 2.592,-.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.P.J. Ruijpers en in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2008.?