Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BC7754

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
12-03-2008
Datum publicatie
26-03-2008
Zaaknummer
132550 - HA ZA 07-223
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Voorrang preferente vordering Ontvanger op grond van aanslagen inkomstenbelasting over verduisterde gelden boven een concurrente vordering uit onrechtmatige daad van de benadeelde van verduistering. Het verzoek om de regeling van artikel 21 Iw opzij te zetten, wordt afgewezen. Van een situatie als in het arrest Ontvanger/Hamm qq (HR 5 september 1997, NJ 1998/437), te weten een onmiskenbare vergissing, is geen sprake.

Het Ministerie van Financiën heeft in redelijkheid kunnen beslissen om niet af te zien van voorrang van de preferente vordering van de Ontavnger. Van een extreem schrijnend geval met een duidelijk humanitair karakter is geen sprake.

De benadeelde van de verduistering is geen direct materieel belanghebbende bij de belastingaanslag, zodat niet aan de voor een actie uit onrechtmatige daad vereiste relativiteit is voldaan (artikel 6:163 BW). Van ongerechtvaardigde verrijking is evenmin sprake omdat, indien al sprake zou zijn van een verrijking van de Ontvanger, deze verrijking haar rechtvaardiging vindt in de wet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2008, 921 met annotatie van van der Voort Maarschalk
FutD 2008-1016
V-N 2008/17.27

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 132550 / HA ZA 07-223

Vonnis van 12 maart 2008

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[X] B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[Y] B.V.

gevestigd te Amsterdam,

3. de naamloze vennootschap

[Z] N.V.,

gevestigd te Willemstad, Curacao,

eiseressen,

procureur mr. M. Middeldorp,

advocaat mr. J.J. Vetter te Amsterdam,

tegen

1. DE ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST/HOLLAND MIDDEN/ KANTOOR HAARLEM,

gevestigd te Haarlem,

2. DE STAAT DER NEDERLANDEN (MINISTERIE VAN FINANCIËN),

gevestigd te 's- Gravenhage,

gedaagden,

procureur mr. P. Ingwersen,

advocaat mr. M.S. de Kort-de Wolde te 's-Gravenhage.

Partijen zullen hierna [Z] en de Ontvanger en de Staat genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 11 juli 2007

- het proces-verbaal van comparitie van 29 oktober 2007 en de daarin vermelde stukken

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [Z] drijft trustkantoren.

2.2. [A] is op 1 mei 1993 bij [Z] in dienst getreden als boekhouder. Op 14 mei 1997 is [A] naast ondermeer [B] benoemd tot statutair directeur.

2.3. [B] is in 1999 ernstig en levensbedreigend ziek geworden.

2.4. [A] en zijn echtgenote hebben vanaf 1996 gelden van [Z] verduisterd. In eerste instantie op kleine schaal en vanaf 1999 op grote schaal. Op 19 april 2002 heeft [Z] de verduistering ontdekt. Per 1 mei 2002 is [A] op staande voet ontslagen. Op 22 juli 2002 hebben [Z] c.s. en [A] c.s. een vaststellingsovereenkomst gesloten, op grond waarvan [A] en zijn echtgenote een bedrag van € 3.600.000,- aan [Z] dienen terug te betalen. Bij vonnis van 20 augustus 2003 zijn [A] en zijn echtgenote veroordeeld om een bedrag van € 3.600.000,-- aan [Z] terug te betalen, welk vonnis in hoger beroep is bekrachtigd.

2.5. [Z] heeft conservatoir beslag gelegd op twee panden van [A] en zijn echtgenote. Dit beslag is medio 2002 executoriaal geworden.

2.6. [Z] heeft in het najaar van 2002 de Belastingdienst gevraagd om te helpen bij het verhaal op [A] en zijn echtgenote. De Belastingdienst heeft geen hulp verleend.

2.7. Op 17 januari 2003 heeft de Ontvanger executoriaal beslag gelegd op dezelfde twee panden van [A] en zijn echtgenote in verband met openstaande belastingschulden, hoofdzakelijk bestaande uit aanslagen inkomstenbelasting over de verduisterde gelden. De executieopbrengst (netto € 284.824,93) is onder notaris T.W. van Grafhorst in depot gestort.

2.8. Bij brief van 6 februari 2003 heeft [Z] de Ontvanger verzocht om af te zien van het recht van voorrang ex artikel 21 Invorderingswet 1990 (hierna Iw). De Ontvanger heeft het verzoek doorgezonden aan de minister van Financiën.

2.9. Bij brief van 27 september 2006 heeft de minister van Financiën het verzoek van [Z] definitief afgewezen.

3. De vordering

3.1. [Z] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

a. voor recht zal verklaren dat de Ontvanger en de Staat door niet af te zien van het fiscale voorrecht in strijd handelen met de Leidraad Invordering 1990, althans de beginselen van behoorlijk bestuur (waaronder het vertrouwens- en zorgvuldigheidsbeginsel), althans misbruik van recht plegen, althans in strijd handelen met artikel 3:2 Awb dan wel 3:4 Awb, en aldus jegens [Z] onrechtmatig handelen dan wel ongerechtvaardigd verrijkt zijn en de Ontvanger en de Staat te verplichten tot een schadevergoeding nader op te maken bij staat;

b. voor recht zal verklaren dat de redelijkheid en hetgeen in het maatschappelijk verkeer betamelijk is met zich meebrengen dat in dit geval de vordering van het slachtoffer voorgaat op de vordering van de Ontvanger tot betaling van inkomstenbelasting over de verduisteringsopbrengst jegens [A] en zijn echtgenote;

c. voor recht zal verklaren dat de aanslagen waarvoor de Ontvanger beslag gelegd heeft op 13 januari 2003 niet deugdelijk bekend gemaakt zijn aan [A] en zijn echtgenote en derhalve niet geldig zijn c.q. geen werking hebben;

d. voor recht zal verklaren dat de dwangbevelen op basis waarvan de Ontvanger beslag heeft gelegd op 13 januari 2003 niet geldig zijn, omdat zij gegrond zijn op niet deugdelijk bekend gemaakte aanslagen dan wel niet voorafgegaan zijn door deugdelijk bekend gemaakte aanmaningen;

e. voor recht zal verklaren dat de dwangbevelen waarvoor op 13 januari 2003 beslag is gelegd door de Ontvanger niet geldig zijn, omdat deze dwangbevelen niet deugdelijk kenbaar zijn gemaakt aan [A] en zijn echtgenote;

f. voor recht zal verklaren dat de inkomstenbelasting waarvoor de aanslagen genoemd in de beslagexploten d.d. 13 januari 2003 zijn opgelegd niet materieel verschuldigd is te achten door [A] en zijn echtgenote en dat de invordering van die niet materieel verschuldigd te achten inkomstenbelasting een onrechtmatige daad oplevert van de Ontvanger;

g. voor recht zal verklaren dat als verduisteraars zoals [A] en zijn echtgenote hun verduisteringsacties hebben verricht via v.o.f.’s waarin zijzelf vennoot zijn, de opbrengst van die verduisteringsacties fiscaal gekwalificeerd moet worden als winst uit onderneming, zowel onder de Wet IB 1964 als onder de Wet IB 2001;

h. in algemene zin voor recht zal verklaren dat het onethisch is dat de Staat (Ministerie van Financiën) en de Ontvanger nastreven dat de verhaalsacties van het slachtoffer gefrustreerd worden door vorderingen gebaseerd op inkomstenbelastingheffing over de verduisteringsopbrengst bij de verduisteraars;

i. voor recht zal verklaren dat de handelwijze van de staat (Ministerie van Financiën) en de Ontvanger in strijd is met het ‘fair play beginsel’ doordat de Belastingdienst Haarlem toen de hulp ingeroepen werd door [Z] bij verhaalsacties op [A] en zijn echtgenote niet de hulp bood doch integendeel de wel gevonden Nederlandse verhaalsobjecten trachtte te confisqueren via een executoriaal beslag voor op basis van de door [Z] gegeven informatie opgelegde aanslagen terzake de verduisteringsopbrengst;

j. voor recht zal verklaren dat het depot dat zich thans bevindt bij notaris Van Grafhorst, alsmede de rente op dit depot, toekomt aan [Z] en niet toekomt aan de Ontvanger en de Staat;

k. voor recht zal verklaren dat de Ontvanger en de Staat jegens [Z] onrechtmatig hebben gehandeld door te weigeren inzicht te verschaffen via onderliggende stukken in de onderbouwing van de aanslagen waarvoor op 17 januari 2003 beslag is gelegd ten laste van [A] en zijn echtgenote.

l. voor recht zal verklaren dat de Ontvanger en de Staat jegens [Z] in algemene zin onrechtmatig hebben gehandeld en/of onrechtmatig zijn verrijkt en de Ontvanger en de Staat te verplichten tot een schadevergoeding nader op te maken bij staat;

m. voor recht zal verklaren dat het door de Ontvanger op 17 januari 2003 ten laste van [A] en zijn echtgenote gelegde beslag nietig is c.q. inmiddels is vervallen, nu de overbetekening van dit beslag niet, althans niet deugdelijk heeft plaatsgevonden binnen de daarvoor geldende termijnen;

n. de Ontvanger en de Staat te veroordelen in de kosten van het geding.

3.2. [Z] grondt haar vordering op onrechtmatige daad en (subsidiair) ongerechtvaardigde verrijking. Daarnaast grondt zij haar vordering op de ‘redelijkheid’ en op hetgeen ‘maatschappelijk aanvaardbaar’ is en verwijst daarbij naar het arrest HR 5 september 1997, NJ 1998/437 (Ontvanger/Hamm qq).

[Z] beroept zich voorts op artikel 21, §1, elfde lid van de Leidraad Invordering 1990, in combinatie met het vertrouwensbeginsel, het gelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het fair play beginsel. Zij stelt dat het Ministerie van Financiën in redelijkheid in de onderhavige situatie niet had kunnen beslissen dat niet wordt afgezien van het voorrecht omdat weldegelijk sprake is van een schrijnende situatie van humanitaire aard. Bovendien stelt zij dat er geen sprake is van een geldige belastingaanslag, formeel noch materieel. Op de Staat en de ontvanger rust de bewijslast dienaangaande, aldus [Z]. Zij zullen dan ook, gelet op artikel 21, 22 en 150 Rv bewijsstukken in het geding moeten brengen, zoals COA-overzichten, correspondentie, aanslagen en dergelijke, zo stelt [Z]. Deze verplichting vloeit volgens [Z] eveneens voort uit het bepaalde in artikel 8:42 Awb, nu zij de materiële verschuldigdheid van de aan [A] opgelegde aanslagen inkomstenbelasting ter integrale beoordeling aan de civiele rechter voorlegt. De mogelijkheid tot een dergelijke integrale beoordeling volgt uit het arrest HR 3 februari 2006, NJ 2006/325, aldus [Z].

4. Het verweer

4.1. De Ontvanger en de Staat hebben gemotiveerd verweer gevoerd. Daarop zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het geschil nader worden ingegaan.

5. De beoordeling

5.1. Inzet van de procedure zijn de gelden die zich in depot bij de notaris bevinden. Zowel [Z], als de Ontvanger maken aanspraak op deze gelden. [Z]’s aanspraak vloeit voort uit een vordering uit onrechtmatige daad die [A] en zijn echtgenote jegens [Z] hebben gepleegd. De aanspraak van de Ontvanger vloeit voort uit belastingschulden van [Z] en zijn echtgenote in verband met door hen verkregen inkomsten uit verduistering van aan [Z] toebehorende gelden.

5.2. Op grond van artikel 21 lid 1 Invorderingswet kan de Belastingdienst een belastingschuld met voorrang verhalen op alle goederen van de belastingschuldige. Aan de vordering van [Z] uit onrechtmatige daad is geen voorrang toegekend. De hieruit voortvloeiende gunstige positie voor de Ontvanger is een direct gevolg van het wettelijk preferentiesysteem van artikel 3:276 e.v. BW. (HR 27 september 2002, NJ 2002/620). Ingevolge het wettelijk systeem heeft een preferente vordering van de fiscus derhalve voorrang boven een concurrente vordering uit onrechtmatige daad van een benadeelde, ook indien de vordering van de fiscus uiteindelijk haar grondslag vindt in het onrechtmatig handelen van de belastingschuldige jegens de benadeelde. Het verzoek van [Z] om de regeling van artikel 21 Iw conform de redering in het arrest Ontvanger/Hamm qq opzij te zetten, wordt afgewezen. Van een situatie als in voormeld arrest, te weten een onmiskenbare vergissing, is in het onderhavige geval geen sprake.

5.3. Artikel 21, §1 Leidraad Invordering (hierna de leidraad) luidt als volgt:

“Wordt aan de ontvanger het verzoek gedaan om geheel of gedeeltelijk van het recht van voorrang af te zien om andere redenen dan ter bereiking van een akkoord, dan wordt dit verzoek ter verdere afwikkeling overgedragen aan het ministerie.”

5.4. Een openbaar beleidsdocument waaruit blijkt welke criteria het ministerie hanteert bij het hanteren van de in de leidraad genoemde bevoegdheid ontbreekt. De staatssecretaris van Financiën heeft in een brief van 15 februari 1999 en in een brief van 5 november 1999 opgemerkt “dat in zeer bijzondere situaties, te weten in extreem schrijnende gevallen met een duidelijk humanitair karakter, zou kunnen worden afgezien van het recht van voorrang”. Nu het een discretionaire bevoegdheid van het ministerie betreft, kan het besluit slechts marginaal worden getoetst.

5.5. Aan de orde is derhalve de vraag of het ministerie in het onderhavige geval in redelijkheid kon beslissen om niet af te zien van voorrang.

5.6. [Z] stelt zich op het standpunt dat deze vraag ontkennend dient te worden beantwoord. In de eerste plaats omdat er sprake is van een extreem schrijnend geval met een duidelijk humanitair karakter en in de tweede plaats omdat geen sprake is van een geldige belastingaanslag.

I. Extreem schrijnend geval met een duidelijk humanitair karakter?

5.7. [Z] voert ter onderbouwing van haar standpunt, dat sprake is van extreem schrijnend geval met een duidelijk humanitair karakter, het volgende aan. De door [A] en zijn echtgenote verduisterde gelden waren bestemd als pensioenvoorziening van [B]. [A] en zijn echtgenote hebben geprofiteerd van de ernstige en levensbedreigende ziekte van [B], die dientengevolge niet goed kon opletten. De belastingdienst is op de hoogte geraakt van de verduisterde gelden, doordat [Z] de hulp van de belastinginspecteur heeft ingeroepen. In plaats van deze hulp te verlenen, heeft de belastingdienst aanslagen opgelegd wegens inkomen uit de verduistering. Enkele uren voor de veiling is door de Ontvanger beslag gelegd op de onroerende zaken van [A] en zijn echtgenote. Uit aantekening 30 bij artikel 21 Invorderingswet 1990 blijkt dat volgens de schrijvers van de Vakstudie Invordering het desbetreffende leidraadartikel juist in het leven is geroepen voor het geval dat zich thans voordoet. Hierin staat immers vermeld: “Te denken valt bijvoorbeeld aan een gelaedeerde die wegens diefstal is benadeeld door een werknemer en terzake van welke diefstal belastingheffing plaatsvindt. In dat geval zou mogelijk kunnen zijn dat de fiscus de gelaedeerde vóór laat gaan t.a.v. de fiscale vordering ter zake van de diefstal.”, aldus nog steeds [Z].

5.8. De Ontvanger en de Staat stellen zich op het standpunt dat van een extreem schrijnend geval met een duidelijk humanitair karakter in het onderhavige geval geen sprake is. Zij voeren daartoe de volgende argumenten aan. [Z] is geen privé persoon, maar een onderneming en reeds daarom is geen sprake van een duidelijk humanitair karakter. Daarbij komt dat de diefstallen over een lange periode hebben plaatsgevonden, te weten van 1996 tot 2002, en dat niet aannemelijk is dat [B] al die tijd in het ziekenhuis heeft gelegen. Bovendien was [B] naast [A] niet de enige directeur, maar had [Z] nog diverse andere directeuren. Voorts dient het bestuur ervoor te zorgen dat een onderneming, ook bij ziekte van een bestuurder, adequaat wordt aangestuurd. [Z] heeft derhalve grote steken laten vallen, gelet op het gemak waarmee [A] zich heeft kunnen verrijken, aldus de Ontvanger en de Staat.

5.9. De rechtbank is met de Ontvanger en de Staat van oordeel dat van een extreem schrijnend geval met een duidelijk humanitair karakter in het onderhavige geval geen sprake is. Daartoe is het volgende van belang. Ter comparitie is gebleken dat de verduisterde gelden winstreserve uit de onderneming betroffen. Het vormde een pensioenreserve voor [B]. [B] was veel op zakenreis en liet alles over aan [A]. [A] stond niemand inzage toe en de boekhouding bevond zich bij [A] thuis. Er zijn nooit jaarrekeningen opgesteld. Jarenlang hebben [A] en zijn vrouw zich ongemerkt gelden kunnen toe-eigenen. Van enige controle was geen sprake. [B] heeft het geld ook niet gemist. Eerst nadat de bank contact met hem heeft opgenomen, is een onderzoek ingesteld waaruit is gebleken dat er gelden verduisterd waren. Dat [A] en zijn echtgenote zo gemakkelijk gelden hebben kunnen verduisteren laat zich niet verklaren door [B]’s ziekte, hoe ernstig ook. Toen de verduistering begon, was [B] immers nog niet ziek. Bovendien heeft [B] ook tijdens zijn ziekte perioden gewerkt. Daar komt nog bij dat [Z] niet heeft betwist dat er naast [B] en [A] nog andere directeuren binnen [Z] waren. Veeleer was derhalve sprake van een situatie waarin [A] zeer vergaande bevoegdheden had, zonder dat er ook maar enige vorm van toezicht was.

5.10. De stelling van [Z], dat uit aantekening 30 bij artikel 21 Invorderingswet 1990 blijkt dat volgens de schrijvers van de Vakstudie Invordering het desbetreffende leidraadartikel juist in het leven is geroepen voor het geval dat zich thans voordoet, wordt door de rechtbank verworpen. Met de Ontvanger en de Staat is de rechtbank van oordeel dat dit voorbeeld geen gepubliceerd beleid vormt en bovendien niet afkomstig is van het ministerie van Financiën. [Z] kan hieraan dan ook geen rechten ontlenen. Bovendien dient ieder geval op zichzelf te worden beoordeeld. Dat de schrijver van de betreffende passage in de Vakstudie Invordering dit ook voor ogen heeft, blijk uit de formulering “zou mogelijk kunnen zijn”. In het onderhavige geval is de rechtbank van oordeel dat, gelet op de hierboven onder 5.9. genoemde omstandigheden, van een extreem schrijnend geval met een duidelijk humanitair karakter geen sprake is.

II. Geldige belastingaanslag?

5.11. [Z] stelt zich op het standpunt dat de aanslagen waarvoor de Ontvanger beslag heeft gelegd, noch de dwangbevelen, deugdelijk bekend zijn gemaakt aan [A] en zijn echtgenote. Voorts stelt zij dat de inkomstenbelasting niet materieel verschuldigd is te achten, nu de opbrengst van de verduisteringsacties fiscaal gekwalificeerd dient te worden als winst uit onderneming. [Z] vraagt een integrale toetsing van de aanslagen door de civiele rechter in het kader van deze procedure en stelt dat de civiele rechter daartoe bevoegd is gelet op het arrest van de Hoge Raad van 3 februari 2006, NJ 2006/325. Een toetsing door de belastingrechter staat immers voor [Z] niet open, aldus [Z].

5.12. De Ontvanger en de Staat stellen zich op het standpunt dat bezwaar en beroep tegen belastingaanslagen alleen open staat voor de belastingplichtige zelf en daarnaast voor personen van wie inkomen of vermogen is begrepen in het voorwerp van belasting. De belastingaanslagen zijn rechtsgeldig opgelegd en hebben [A] en zijn echtgenote ook bereikt. Voor [A] gaat het om zes aanslagen. Tegen vier hiervan heeft [A] bezwaar ingesteld, zodat vast staat dat deze hem hebben bereikt. De overige twee zijn betekend op het adres waar hij op dat moment stond ingeschreven en zijn bovendien toegezonden aan zijn advocaat. Voor de echtgenote van [A] gaat het om vijf aanslagen, tegen vier waarvan bezwaar is ingesteld. De vijfde was de echtgenote van [A] ook bekend, nu zij deze heeft genoemd in haar brief van 1 juli 2003. Alle aanslagen staan inmiddels onherroepelijk vast, zodat sprake is van formele rechtskracht, aldus nog steeds de Ontvanger en de Staat.

5.13. Vast staat dat voor [Z] bij de belastingrechter geen rechtsgang open staat of open heeft gestaan tegen de aanslagen Inkomsten belasting van [A] en zijn echtgenote. Het standpunt van [Z] dat reeds daarom, gelet op de uitspraak van de Hoge Raad van 3 februari 2006, NJ 2006/325, deze aanslagen door de civiele rechter kunnen worden getoetst, wordt door de rechtbank niet gevolgd. [Z] heeft voor een dergelijk beroep op de civiele rechter een eigen rechtsingang nodig. Zij heeft hiertoe een vordering ingesteld, gegrond op onrechtmatige (overheids)daad en ongerechtvaardigde verrijking. [Z] is echter geen direct materieel belanghebbende bij de belastingaanslag, zodat niet aan de voor een actie uit onrechtmatige daad vereiste relativiteit is voldaan (artikel 6:163 BW). Het enkele feit dat een hogere aanslag tot gevolg heeft dat de Ontvanger met voorrang een hoger bedrag kan verhalen, zodat dientengevolge een lager bedrag voor [Z] overblijft, is daartoe onvoldoende. Nu [Z] geen andere feiten of omstandigheden heeft gesteld die maken dat de inmiddels onherroepelijke aanslagen van [A] en zijn echtgenote jegens haar onrechtmatig zijn te achten, kan die grondslag de vordering niet dragen. Van ongerechtvaardigde verrijking is evenmin sprake omdat, indien al sprake zou zijn van een verrijking van de Ontvanger, deze verrijking haar rechtvaardiging vindt in de wet.

Conclusie

5.14. Gelet op het voorgaande dienen de vorderingen van [Z] te worden afgewezen.

5.15. [Z] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Ontvanger en de Staat worden begroot op:

- vast recht 251,00

- salaris procureur 904,00 (2,0 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 1.155,00

6. De beslissing

De rechtbank

6.1. wijst de vorderingen af,

6.2. veroordeelt [Z] in de proceskosten, aan de zijde van de Ontvanger tot op heden begroot op EUR 1.155,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.P. Ruitinga, mr. L.F. Roseval en mr. C.A.M. van de Rest-van der Heijden en in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2008.?