Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BC7397

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
21-03-2008
Datum publicatie
21-03-2008
Zaaknummer
15/630410-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood. Verdachte heeft als bestuurder van een personenauto op 19 mei 2006 een verkeersongeval veroorzaakt op De Dreef te Haarlem. Verdachte reed in de ochtendspits op die binnen de bebouwde kom gelegen weg bij regenachtig en grauw weer met een hogere snelheid dan ter plaatse toegestaan en op dat moment verantwoord was. Op grond van de onderzoeksrapportage van het Nederlands Forensisch Instituut van 2 mei 2007 die steun biedt aan de uitslag van het onderzoek van de politie Kennemerland, afdeling verkeersondersteuning, van 28 juli 2006 gaat de rechtbank ervan uit dat verdachte met een snelheid van ongeveer 88 kilometer per uur heeft gereden. Ook als getuigen gehoorde mede-weggebruikers schrijven aan verdachte een hoge snelheid toe. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij bij de nadering van de T-kruising van De Dreef met de Hazepaterslaan werd afgeleid door een witte auto die zich in zijn ‘dode hoek’ bevond toen hij van rijstrook wilde wisselen. Daardoor moest hij terug naar de rechterrijstrook. Het 15-jarige slachtoffer, [slachtoffer], dat op dat moment De Dreef al fietsend overstak, heeft hij te laat opgemerkt. Hij heeft een botsing met het meisje niet meer kunnen voorkomen en is ter hoogte van de T-kruising met de Hazepaterslaan met de linker voorzijde van zijn personenauto tegen de rechter flank van de fiets van [slachtoffer] gebotst, waardoor zij met haar hoofd tegen de dakstijl van de auto van verdachte sloeg. Na enkele meters op de motorkap van de auto van verdachte te zijn meegevoerd, viel het slachtoffer van de auto af en bleef met ernstig hersenletsel, waaraan zij enige dagen later is overleden, op de grond liggen. De ouders en andere nabestaanden van [slachtoffer] is hiermee onherstelbaar leed en verdriet aangedaan. De rechtbank rekent verdachte zijn zeer onvoorzichtige en onoplettende rijgedrag, dat voormeld ernstig gevolg teweeg heeft gebracht, zwaar aan. In een situatie als beschreven, waarin bij regenachtig weer binnen de bebouwde kom wordt gereden, wordt van een automobilist verwacht dat hij voldoende overzicht over de weg behoudt en zich bij voortduring rekenschap geeft van het overige verkeer voor, naast en achter zich, zodat hij tijdig en adequaat kan reageren op onverwachte gebeurtenissen. Door veel te hard te rijden en zich te laten afleiden door de onbekend gebleven bestuurder van een auto naast zich, heeft verdachte zich niet aan deze norm gehouden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/630410-06

Uitspraakdatum: 21 maart 2008

Tegenspraak

Strafvonnis (als bedoeld in art. 365a Sv)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 7 maart 2008 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats].

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

primair

hij op of omstreeks 19 mei 2006 te Haarlem opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet om (ongeveer) 07.25 uur (zijnde een tijdstip gelegen in de zogenaamde ochtendspits) met een (zeer) hoge snelheid op de openbare, binnen de bebouwde kom gelegen, weg(en) De Herenweg en/of De Wagenweg en/of De Spanjaardslaan en/of De Fonteinlaan en/of De Dreef gereden met een personenauto (merk Seat, met kenteken RX-ZD-03), terwijl

- sprake was van (hevige) regenval waardoor het wegdek zeer vochtig en zijn, verdachtes, zicht beperkt was en/of

- verdachte, samen met een onbekend gebleven bestuurder van een andere personenauto, een wedstrijd hield en/of

- verdachte (vervolgens) de kruising van De Dreef met de Hazepaterslaan naderde/kruiste en

vervolgens tegen die (zich op) de kruising van De Dreef met de Hazepaterslaan bevindende/overstekende [slachtoffer]] (die toen op een fiets reed) is aangereden/gebotst, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer]] is overleden;

subsidiair:

hij op of omstreeks 19 mei 2006 te Haarlem als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig ( te weten een personenauto merk Seat met kenteken RX-ZD-03), daarmede rijdende over de, zich binnen de bebouwde kom bevindende, de weg(en) De Herenweg en/of De Wagenweg en/of De Spanjaardslaan en/of De Fonteinlaan en/of De Dreef zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend te rijden,

immer heeft verdachte om (ongeveer) 07.25 uur (zijnde een tijdstip gelegen in de zogenaamde ochtendspits) met een (zeer) hoge snelheid op die weg gereden met die personenauto, terwijl

- sprake was van (hevige) regenval waardoor het wegdek zeer vochtig en zijn, verdachtes, zich beperkt was en/of

- verdachte, samen met een onbekend gebleven bestuurder van een andere personenauto, een wedstrijd hield, en/of

- verdachte (vervolgens) de kruising van De Dreef met de Hazepaterslaan naderde/kruiste en

vervolgens tegen de (zich op) de kruising van De Dreef met de Hazepaterslaan bevindende/overstekende [slachtoffer] (die toen op een fiets reed) is aangereden/gebotst,

waardoor een ander (genaamd [slachtoffer]) werd gedood

terwijl verdachte de krachtens de Wegenverkeerswet 1994 geldende

maximumsneldheid in ernstige mate heeft overschreden.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Oordeel van de rechtbank

3.1. Vrijspraak

Met de officier van justitie en de raadsman van verdachte is de rechtbank van oordeel dat niet is bewezen hetgeen verdachte primair ten laste is gelegd. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe dat uit de stukken en het onderzoek ter terechtzitting niet is gebleken dat verdachte het onvoorwaardelijk of voorwaardelijk opzet heeft gehad het slachtoffer van het leven te beroven.

3.2 Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan, in dier voege dat:

hij op 19 mei 2006 te Haarlem als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, te weten een personenauto merk Seat met kenteken RX-ZD-03, daarmede rijdende over de, zich binnen de bebouwde kom bevindende weg, De Dreef, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer onvoorzichtig en onoplettend te rijden,

immers heeft verdachte om ongeveer 07.25 uur, zijnde een tijdstip gelegen in de zogenaamde ochtendspits, met een hoge snelheid op die weg gereden met die personenauto, terwijl

- sprake was van regenval waardoor het wegdek zeer vochtig was en

- verdachte de kruising van De Dreef met de Hazepaterslaan naderde en

vervolgens tegen de op de kruising van De Dreef met de Hazepaterslaan overstekende [slachtoffer], die toen op een fiets reed, is gebotst, waardoor [slachtoffer] werd gedood, terwijl verdachte de krachtens de Wegenverkeerswet 1994 geldende maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Strafbaarheid van het feit

Het bewezen verklaarde levert op:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood.

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van de sancties

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het primair ten laste gelegde feit en tot bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde feit en gevorderd dat verdachte ter zake daarvan zal worden veroordeeld tot:

- 209 dagen gevangenisstraf waarvan 180 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, met een proeftijd van 2 jaren ten aanzien van het voorwaardelijk niet ten uitvoer te leggen gedeelte, alsmede tot

- een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 180 uur subsidiair 90 dagen hechtenis. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen voor de duur van 2 jaren, met aftrek van de dagen dat het rijbewijs reeds ingevorderd is geweest.

6.2 Hoofdstraf

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het subsidiair bewezen verklaarde feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting en met name uit de bespreking aldaar van:

- het Pro Justitia rapport van 29 september 2006, opgesteld door de psychiater in opleiding [psychiater] onder supervisie van psychiater [psychiater];

- de door Reclassering Nederland, Unit Haarlem uitgebrachte rapportages van 23 mei 2006, 5 september 2006 en 3 maart 2008, opgesteld door [reclasseringsmedewerker].

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft als bestuurder van een personenauto op 19 mei 2006 een verkeersongeval veroorzaakt op De Dreef te Haarlem. Verdachte reed in de ochtendspits op die binnen de bebouwde kom gelegen weg bij regenachtig en grauw weer met een hogere snelheid dan ter plaatse toegestaan en op dat moment verantwoord was. Op grond van de onderzoeksrapportage van het Nederlands Forensisch Instituut van 2 mei 2007 die steun biedt aan de uitslag van het onderzoek van de politie Kennemerland, afdeling verkeersondersteuning, van 28 juli 2006 gaat de rechtbank ervan uit dat verdachte met een snelheid van ongeveer 88 kilometer per uur heeft gereden. Ook als getuigen gehoorde mede-weggebruikers schrijven aan verdachte een hoge snelheid toe. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij bij de nadering van de T-kruising van De Dreef met de Hazepaterslaan werd afgeleid door een witte auto die zich in zijn ‘dode hoek’ bevond toen hij van rijstrook wilde wisselen. Daardoor moest hij terug naar de rechterrijstrook. Het 15-jarige slachtoffer, [slachtoffer], dat op dat moment De Dreef al fietsend overstak, heeft hij te laat opgemerkt. Hij heeft een botsing met het meisje niet meer kunnen voorkomen en is ter hoogte van de T-kruising met de Hazepaterslaan met de linker voorzijde van zijn personenauto tegen de rechter flank van de fiets van [slachtoffer] gebotst, waardoor zij met haar hoofd tegen de dakstijl van de auto van verdachte sloeg. Na enkele meters op de motorkap van de auto van verdachte te zijn meegevoerd, viel het slachtoffer van de auto af en bleef met ernstig hersenletsel, waaraan zij enige dagen later is overleden, op de grond liggen. De ouders en andere nabestaanden van [slachtoffer] is hiermee onherstelbaar leed en verdriet aangedaan.

De rechtbank rekent verdachte zijn zeer onvoorzichtige en onoplettende rijgedrag, dat voormeld ernstig gevolg teweeg heeft gebracht, zwaar aan. In een situatie als beschreven, waarin bij regenachtig weer binnen de bebouwde kom wordt gereden, wordt van een automobilist verwacht dat hij voldoende overzicht over de weg behoudt en zich bij voortduring rekenschap geeft van het overige verkeer voor, naast en achter zich, zodat hij tijdig en adequaat kan reageren op onverwachte gebeurtenissen. Door veel te hard te rijden en zich te laten afleiden door de onbekend gebleven bestuurder van een auto naast zich, heeft verdachte zich niet aan deze norm gehouden.

Ter terechtzitting heeft verdachte blijk gegeven van gevoelens van spijt en medeleven met de nabestaanden van het slachtoffer. Verdachte heeft een poging ondernomen om zich voor zijn handelwijze en gedrag te verontschuldigen bij de nabestaanden van het slachtoffer. De rechtbank zal hiermee rekening houden.

De rechtbank zal voorts rekening houden met het inmiddels verstreken tijdsverloop. De aanrijding heeft op 19 mei 2006 plaatsgevonden. Verdachte heeft mede als gevolg van het onderzoek dat diende te worden verricht, geruime tijd in onzekerheid verkeerd over de eventuele gevolgen daarvan voor hem.

Op grond van het hiervoor overwogene is de rechtbank ten aanzien van het subsidiair bewezen geachte van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd, met aftrek van de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat geen langere daadwerkelijke vrijheidsbeneming dan de reeds ondergane voorlopige hechtenis behoeft te worden opgelegd. Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank, nu zij het rijgedrag van verdachte niet als roekeloos bestempelt, een vooralsnog niet ten uitvoer te leggen gedeelte niet aangewezen.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat verdachte een taakstraf in de vorm van een werkstraf van na te noemen aantal uren moet worden opgelegd.

Om dezelfde als de zojuist genoemde reden behelst deze werkstraf een lager aantal uren dan door de officier van justitie is gevorderd.

Daarnaast acht de rechtbank het geboden verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid voor na te melden lange duur op te leggen.

Gezien de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken en de omstandigheid dat het rijbewijs van verdachte enkel door de politie ingevorderd is geweest en de officier van justitie niet tot verdere inhouding van dat rijbewijs is overgegaan, zal de rechtbank ten voordele van verdachte bepalen, dat – anders dan door de officier van justitie is gevorderd – deze ontzegging van de rijbevoegdheid vooralsnog niet ten uitvoer gelegd behoeft te worden. Met deze aldus vorm gegeven bijkomende straf wordt beoogd de samenleving gedurende geruime tijd te beschermen tegen herhaling van (soortgelijk) verkeersgevaarlijk gedrag van verdachte.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

Wetboek van Strafrecht: 9, 14a, 14b, 14c, 22c en 22d;

Wegenverkeerswet 1994: 6, 175 en 179.

8. Beslissing

De rechtbank:

Spreekt verdachte vrij van het hem primair ten laste gelegde feit.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.2 vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens dit feit tot een gevangenisstraf voor de duur van 129 (honderdennegenentwintig) dagen.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt verdachte tot het verrichten van 100 (honderd) uren taakstraf in de vorm van een werkstraf, bij het niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis.

Ontzegt verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 2 (twee) jaren, met bevel dat deze bijkomende straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat veroordeelde zich voor het einde van de op twee jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

9. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. Verpalen, voorzitter,

mrs. Lips en De Hek, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. Van Os,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 21 maart 2008.