Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BC7004

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
26-02-2008
Datum publicatie
18-03-2008
Zaaknummer
137020/2007-2370
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Op grond van artikel 1:401 lid 5 kan een overeenkomst betreffende levensonderhoud worden gewijzigd of ingetrokken, indien zij is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven. Het gaat er hierbij om dat, uitgaande van dezelfde gegevens, er geen duidelijke wanverhouding mag bestaan tussen de onderhoudsbijdrage waartoe de rechter zou hebben beslist en die welke partijen zijn overeengekomen. Ter zitting hebben beide partijen weergegeven op welke wijze met name de hoogte van de partnerbijdrage tot stand is gekomen. Hieruit komt naar voren dat met name de berekening van de draagkracht van de man door het door de vrouw ingeschakelde “Alimentatiehaven” maatgevend is geweest. Nu door de man niet, althans onvoldoende, is betwist dat op basis van zijn financiële gegevens in 2005 en uitgaande van de gebruikelijke alimentatienormen zijn draagkracht tweemaal zo hoog was als waar partijen destijds van zijn uitgegaan, is de rechtbank van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat partijen onopzettelijk door onjuist inzicht of onjuiste gegevens zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven. Nu daarbij niet is gebleken dat partijen bewust hebben willen afwijken van de wettelijke maatstaven, is hiermee de genoemde wanverhouding komen vast te staan en zal de rechtbank tot een inhoudelijke beoordeling van de zaak overgaan. De vrouw heeft op grond van het voorgaande thans geen belang meer bij de behandeling van de overige gronden van haar verzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Familie- en Jeugdrecht

alimentatie/tegenspraak

zaak-/rekestnr.: 137020/2007-2370

beschikking van de meervoudige kamer voor familiezaken van 26 februari 2008

in de zaak van:

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

hierna mede te noemen: de vrouw,

procureur mr. C.W.M. Neefjes,

tegen

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

hierna mede te noemen: de man.

procureur mr. P.H. Visser.

1 Procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift, met bijlagen, van de vrouw van en ingekomen op 11 juli 2007;

- het verweerschrift, met bijlagen, van de man van 7 augustus 2007, ingekomen op 8 augustus 2007;

- de brief, met bijlage, van de procureur van de man van 14 augustus 2007;

- de brief, met bijlagen, van de procureur van de man van 5 november 2007.

1.2 De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 22 november 2007 in aanwezigheid van partijen, de vrouw bijgestaan door mr. C.W.M. Neefjes en de man door mr. P.H. Visser.

1.3 Na de behandeling heeft de procureur van de man zich bij brief, met bijlagen, van

29 november 2007 nog uitgelaten over de hypotheeklasten van de man. De procureur van de vrouw heeft hierop bij brief van 3 december 2007 schriftelijk gereageerd.

2 Feiten en omstandigheden

2.1 Partijen zijn op [datum] 1992 met elkaar gehuwd, welk huwelijk op [datum] 2005 is ontbonden door inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van de echtscheidingsbeschikking van deze rechtbank van 7 juni 2005.

2.2 Uit dit huwelijk zijn geboren de minderjarigen [geslachtsnaam]:

- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] in de gemeente [naam];

- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] in de gemeente [naam],

over wie partijen gezamenlijk het gezag uitoefenen.

2.3 Bij de hiervoor genoemde beschikking van 7 juni 2005 is bepaald dat

het echtscheidingsconvenant dat partijen hebben gesloten, deel uitmaakt van de beschikking. In dit convenant zijn de man en de vrouw - kort gezegd - een co-ouderschapsregeling overeengekomen, inhoudende dat de kinderen de ene week bij de vrouw en de andere week bij de man verblijven. De kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarigen] zullen partijen naar rato verdelen, volgens de bij het convenant gevoegde bijlage door storting op een zogenoemde kinderrekening waarop ook de kinderbijslag zal worden gestort. Voor 2005 is de verdeling van de kosten vastgesteld op 70% voor de man (€ 365,-- per maand) en 30% (€ 155,-- per maand) voor de vrouw. Over deze verdeling zullen partijen jaarlijks in onderling overleg nieuwe afspraken maken, aan de hand van hun loonstroken en jaaropgaven. Voorts zijn partijen overeengekomen dat de man aan de vrouw een bruto partnerbijdrage zal betalen van € 500,-- per maand. Ingeval de eigen inkomsten van de vrouw de komende periode in enig jaar méér zullen bedragen dan € 17.939,--, zal de alimentatiebijdrage het daarop volgende jaar met 50% van dat meerdere worden gekort. Ingeval de eigen inkomsten van de vrouw minder zullen bedragen dan € 17.939,-- zal deze omstandigheid geen aanleiding mogen geven tot alimentatiewijziging.

3 Verzoek

3.1 De vrouw verzoekt de beschikking van deze rechtbank van 7 juni 2005 te wijzigen, in die zin dat de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de datum van indiening van het verzoekschrift wordt bepaald op € 337,50 per maand per kind, te vermeerderen met € 100,-- per maand voor ieder kwartaal dat de man in gebreke blijft de kinderbijslag ten goede van de vrouw te laten komen en voorts dat de door de man te betalen partnerbijdrage met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de datum van indiening van het verzoekschrift wordt bepaald op € 1.500,-- per maand, een en ander met bepaling dat de vast te stellen bedragen met ingang van 1 januari 2008 zullen worden geïndexeerd.

3.2 De vrouw grondt haar verzoek op de stelling dat de overeenkomst betreffende levensonderhoud is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven en tot stand is gekomen door dwaling aan de zijde van de vrouw en dwang en misbruik van omstandigheden aan de kant van de man. Bovendien zijn de omstandigheden zodanig gewijzigd dat een hernieuwde vaststelling van de onderhoudsverplichting van de man gerechtvaardigd is.

3.3 Zij stelt daartoe dat uit de herberekening van de alimentatiemogelijkheden van de man volgens de gebruikelijke alimentatieberekening blijkt dat de draagkracht van de man destijds het dubbele was van hetgeen in het convenant is vastgelegd en in de beschikking is overgenomen. Ook de verhouding tussen de inkomens van partijen lag en ligt anders dan waar partijen van zijn uitgegaan, zodat de naar rato verdeling van de kosten van de kinderen niet langer ongewijzigd kan blijven. Bovendien is het salaris van de man gestegen.

De vrouw heeft daarbij aangevoerd dat de man werkt als businessanalist en daarmee mag gelden als deskundige op financieel en economisch gebied, terwijl zij op dit gebied vrijwel geen kennis in huis heeft en dat zij onder druk van de man, maar ook vanwege de lieve vrede zich akkoord heeft verklaard met het convenant.

De vrouw is van mening dat de man op geen enkele wijze rekening houdt en hield met haar standpunt. De man heeft sinds 2006 het eigen aandeel van beide partijen in de kinderbijdrage op basis van zijn eigen berekening tweemaal eenzijdig verlaagd tot € 200,-- per maand. Bij zijn herberekeningen laat de man echter buiten beschouwing dat de kinderbijdrage ook bedoeld is als bijdrage in de kosten van het gezamenlijk huishouden. Ook de partnerbijdrage heeft de man onder protest van de vrouw tweemaal verlaagd stellende dat de vrouw meer uren werkt dan wel meer uren zou kunnen werken, hetgeen niet het geval is. De vrouw is van mening dat de man de kinderbijdrage voortaan aan haar dient te voldoen en dat ook de kinderbijslag aan haar zal moeten worden uitbetaald, zodat zij alle kosten van de kinderen kan voldoen en daarmee iedere verdere discussie hierover tot het verleden behoort.

4 Verweer

4.1 De man verzet zich tegen de ontbinding van het convenant en wenst een herstel van de zogenaamde kinderrekening. Hij betwist dat het convenant tot stand is gekomen onder dwang van zijn zijde en dwaling aan de zijde van de vrouw. De overeenkomst is tot stand gekomen na veelvuldig overleg en na rijp beraad ten overstaan van een VFAS-scheidingsbemiddelaar. De man beroept zich primair op de in het convenant genoemde geschillenregeling en op de in de - aan het convenant gehechte - bijlage genoemde arbitrage. Voorts betwist de man dat er sprake is van grove miskenning van de wettelijke maatstaven. De vrouw miskent daarbij dat de kostenverdeling van de kinderen is gebaseerd op de verhouding van de netto inkomsten van destijds (de vrouw gaat ten onrechte uit van de bruto inkomsten) en miskent eveneens dat partijen zijn uitgegaan van de feitelijke kosten van de kinderen en niet van de Nibudnormen. Ook van wijziging van omstandigheden is volgens de man geen sprake, althans zeker niet van een zodanige wijziging dat deze de door partijen overeengekomen alimentatieregeling zou moeten doorkruisen. Weliswaar is er sprake van een inkomensverbetering aan de zijde van de man, maar dit is niet relevant voor zover het de partneralimentatie betreft, omdat deze is gebaseerd op de behoefte van de vrouw. Mocht de vrouw menen dat zij een hogere behoefte heeft, dan moet zij in staat worden geacht haar werkzaamheden uit te breiden.

De door de vrouw gestelde onenigheid over de kinderrekening is door de vrouw zelf ontstaan, doordat zij ten eigen bate van deze rekening geld heeft opgenomen. De man heeft daarop de gelden op een separate rekening overgeboekt, waarop hij maandelijks zijn kinderbijdrage stort en alle kosten van de kinderen voldoet.

De man verzet zich tegen de door de vrouw verzochte indexering. Hij wijst er daarbij op dat partijen in het convenant zijn overeengekomen dat de indexering wordt uitgesloten. Dit hangt samen met het supplementaire karakter van de partneralimentatie op het inkomen van de vrouw en haar uitbreiding van werkzaamheden.

Subsidiair stelt de man zich op het standpunt dat gezien zijn inkomsten en lasten hem de draagkracht ontbreekt om de door de vrouw verzochte bedragen te voldoen.

5 Beoordeling

5.1 De rechtbank heeft, voorzover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens op hele euro’s afgerond.

5.2 De man beroept zich primair op het niet nakomen door de vrouw van de geschillenregeling genoemd in artikel 7 van het convenant.

Nu gebleken is dat de vrouw de oorspronkelijke echtscheidingsbemiddelaar heeft benaderd om een en ander te bespreken, maar dit niet tot resultaat heeft geleid, is de rechtbank van oordeel dat een beroep van de man op de geschillenregeling niet slaagt en zal tot een inhoudelijke beoordeling van de zaak worden overgegaan.

5.3 De rechtbank stelt vast dat de man zijn beroep op het arbitragebeding, zoals vermeld in de bijlage van het convenant, ter zitting heeft ingetrokken.

5.4 Op grond van artikel 1:401 lid 5 kan een overeenkomst betreffende levensonderhoud worden gewijzigd of ingetrokken, indien zij is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven. Het gaat er hierbij om dat, uitgaande van dezelfde gegevens, er geen duidelijke wanverhouding mag bestaan tussen de onderhoudsbijdrage waartoe de rechter zou hebben beslist en die welke partijen zijn overeengekomen. Ter zitting hebben beide partijen weergegeven op welke wijze met name de hoogte van de partnerbijdrage tot stand is gekomen. Hieruit komt naar voren dat met name de berekening van de draagkracht van de man door het door de vrouw ingeschakelde “Alimentatiehaven” maatgevend is geweest. Nu door de man niet, althans onvoldoende, is betwist dat op basis van zijn financiële gegevens in 2005 en uitgaande van de gebruikelijke alimentatienormen zijn draagkracht tweemaal zo hoog was als waar partijen destijds van zijn uitgegaan, is de rechtbank van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat partijen onopzettelijk door onjuist inzicht of onjuiste gegevens zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven. Nu daarbij niet is gebleken dat partijen bewust hebben willen afwijken van de wettelijke maatstaven, is hiermee de genoemde wanverhouding komen vast te staan en zal de rechtbank tot een inhoudelijke beoordeling van de zaak overgaan. De vrouw heeft op grond van het voorgaande thans geen belang meer bij de behandeling van de overige gronden van haar verzoek.

5.5 De rechtbank acht het alle omstandigheden in aanmerking nemende redelijk om voor wat betreft de kinderbijdrage zoveel mogelijk aan te sluiten bij hetgeen partijen voor ogen heeft gestaan bij het sluiten van het convenant, in die zin dat zij geen termen aanwezig acht om de kinderrekening op te heffen. De rechtbank heeft daarbij meegewogen dat partijen een goedlopende co-ouderschapregeling uitvoeren waarbij de kinderen de ene week bij de man en de andere week bij de vrouw verblijven. Van partijen mag daarom worden verwacht dat zij op basis van de door de rechtbank te bepalen financiële regeling met betrekking tot de kinderen in staat zijn over de uitvoering hiervan, en voorzover nodig, eventueel nog nadere afspraken te maken.

Elk der partijen zal dan ook, in navolging van het convenant, naar rato van haar/zijn inkomen een evenredig deel moeten bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [naam minderjarigen]. Elk der partijen betaalt zelf de kosten voor voeding, huisvesting, uitstapjes, openbaar vervoer en vakanties, ontstaan gedurende de periode dat [naam minderjarigen] bij hem/haar verblijven (hierna ook: verblijfskosten). De volgende kosten (hierna ook: gezamenlijke kinderkosten) zullen naar rato van het inkomen gelijkelijk door partijen gedeeld worden: de ziektekosten (inclusief medicijnen, alsmede ziektekostenverzekering), de kosten voor schoolreisjes en overige excursies, school- en onderwijskosten, kosten voor sportbeoefening, kosten voor kleding en schoenen, hondenbelasting en dierenartskosten. Partijen zullen maandelijks de door hen te betalen bijdragen overmaken op een aparte bankrekening. Ook de kinderbijslag zal op deze rekening worden gestort. Het administreren van de rekeningen en het verrichten van de betalingen zal door de vrouw uitgevoerd worden.

Voor de bepaling van de hoogte van deze gezamenlijke kinderkosten zoekt de rechtbank eveneens aansluiting bij het convenant. Daarin zijn, zo is ter zitting gebleken, partijen uitgegaan van totale kosten van de kinderen van € 800,-- per maand, waarvan de gezamenlijke kinderkosten € 500,-- per maand bedragen. Een bedrag van (na indexering)

€ 525,-- per maand voor gezamenlijke kinderkosten acht de rechtbank redelijk, waarbij de rechtbank eraan hecht op te merken dat deze kosten niet - zoals de man blijkbaar bij zijn jaarlijkse herberekeningen doet - telkens wijzigen.

Uitgaande van hetgeen hierna over de verdiencapaciteit van de vrouw wordt overwogen en uitgaande van een inkomen van de man van ca. € 3.100,-- netto per maand inclusief vakantietoeslag, is de rechtbank van oordeel dat het alleszins redelijk is dat de vrouw maandelijks € 170,-- op de kinderrekening stort en de man € 337,--.

Voorzover de man heeft betoogd dat het onredelijk is dat het bedrag dat partijen maandelijks op de kinderrekening storten jaarlijks zal worden verhoogd met de wettelijke indexering omdat partijen die bij convenant hebben uitgesloten, verwerpt de rechtbank dit verweer nu uit het convenant niet blijkt van uitsluiting van wettelijke indexering.

5.6 Vervolgens komt de vraag aan de orde of de vrouw een hogere behoefte heeft dan de overeengekomen partnerbijdrage van € 500,-- per maand en zo ja, of de man in staat is om een hogere partnerbijdrage te voldoen.

5.7 De man betwist dat de vrouw een hogere behoefte heeft, omdat volgens hem partijen reeds bij het convenant ervan uitgegaan zijn dat de vrouw meer inkomen zou verwerven. Hij is daarom van mening dat de vrouw indien zij meent een hogere behoefte te hebben zelf in staat is daarin te voorzien.

Op basis van de jaaropgave van de vrouw over 2006 (bruto jaarinkomen € 18.269), rekeninghoudende met de voor haar toepasselijke kortingen, begroot de rechtbank het huidige besteedbare inkomen van de vrouw op ca. € 1.500,-- netto per maand. Zij werkt 45%. De vrouw heeft met haar werkgever afgesproken dat zij in de weken dat zij de kinderen niet heeft 3 uren meer werkt om in de weken dat de kinderen bij haar verblijven 3 uren minder te werken. Daarnaast kan zij meer werken, zodat zij in de schoolvakanties langere tijd verlof op kan nemen.

De rechtbank is van oordeel dat niet valt in te zien dat van de vrouw niet verwacht kan worden dat zij haar werkzaamheden structureel uitbreidt en acht het daarom redelijk om ervan uit te gaan dat de vrouw in staat is zich extra inkomsten te verwerven van € 300,-- netto per maand.

Uit de overgelegde stukken is gebleken dat het netto besteedbare gezinsinkomen tijdens het huwelijk van partijen in 2005 ca. € 4.700,-- per maand bedroeg. De rechtbank relateert de behoefte van de vrouw aan dit gezinsinkomen tijdens het huwelijk. Daarop komen de kosten van de minderjarige(n) van in totaal € 800,-- per maand in mindering, waarna een bedrag van € 3.900,-- per maand ter besteding voor de man en de vrouw resteert. Aangezien de splitsing van één huishouden in twee huishoudens extra kosten meebrengt, acht de rechtbank het redelijk de behoefte van de vrouw op 60% van het resterende bedrag te bepalen. De rechtbank berekent de behoefte van de vrouw dan ook op geïndexeerd € 2.340,-- netto per maand.

Daarop komt het eigen – door de vrouw te verdienen - inkomen van € 1.800,-- per maand in mindering, zodat de behoefte van de vrouw aan een bijdrage van de man € 840,-- netto en omgerekend € 1.400,-- bruto per maand bedraagt.

5.8 Bij de bepaling van de draagkracht van de man gaat de rechtbank uit van de volgende gegevens:

- hij heeft blijkens de jaaropgave een inkomen van € 77.275,-- bruto per jaar;

- de norm voor een co-ouder is op hem van toepassing en er wordt uitgegaan van een beschikbaar draagkrachtpercentage van 52,5 %;

- de arbeidskorting, algemene heffingskorting en alleenstaande ouderkorting zijn op hem van toepassing;

- zijn premie zorgverzekering bedraagt € 110,-- per maand en er wordt rekening gehouden met de gebruikelijke inkomensafhankelijke bijdrage.

Ten aanzien van de woonlasten van de man is gebleken uit de nader overgelegde stukken dat de man thans een hypotheekrente heeft van € 671,-- bruto per maand. Daarnaast wordt rekening gehouden met de forfaitaire eigenaarslasten en een premie levensverzekering van

€ 50,-- per maand. De man heeft nog betoogd dat rekening moet worden gehouden met een hogere hypotheekrente (€ 1.049,48) omdat door de overname van ABN-AMRO (de werkgever van de man) door de Fortis bank de door de ABN-AMRO bank indertijd geboden kortingen komen te vervallen en de hypotheeklasten zullen worden gezet op commerciële marktrentes. Nu de man hiervan geen stukken heeft overgelegd en dit een onzekere toekomstverwachting betreft zal hiermee geen rekening worden gehouden.

5.9 Op grond van voormelde gegevens, hetgeen hiervoor is overwogen en rekening houdend met de fiscale effecten, wordt de man in staat geacht om in de aanvullende behoefte van de vrouw te kunnen voorzien. De rechtbank wijst er – ten overvloede – op dat hierbij is rekening gehouden met de hierboven onder 5.4. genoemde maandelijkse storting van de man op de kinderrekening.

5.10 De rechtbank acht het, alle omstandigheden in aanmerking nemende, redelijk om de gewijzigde kinderbijdragen te doen ingaan met ingang 1 februari 2008 en de gewijzigde partnerbijdrage met ingang van eerste dag van de maand volgend op de datum van indiening van het verzoekschrift, omdat de man in het laatste geval in ieder geval vanaf dat moment rekening heeft kunnen houden met een gewijzigde bijdrage.

5.11 De vordering van de vrouw de kinderbijdragen te vermeerderen met een bedrag van € 100,-- per kind per maand voor ieder kwartaal dat de heer [] in gebreke blijft de kinderbijslag ten goede te laten komen aan verzoekster zal de rechtbank, nog daargelaten of voor een dergelijke vordering een wettelijke grondslag bestaat, afwijzen wegens het ontbreken van belang nu de rechtbank heeft bepaald dat de kinderbijslag moet worden gestort op de kinderrekening.

6 Beslissing

De rechtbank:

6.1 Bepaalt, met wijziging in zoverre van de hierboven genoemde beschikking van deze rechtbank van 7 juni 2005 en voor zover nodig met wijziging van voormeld convenant,

dat de man als bijdrage in de kinderkosten ten behoeve van de minderjarigen [geslachtsnaam]:

- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] in de gemeente [naam];

- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] in de gemeente [naam],

telkens bij vooruitbetaling dient te voldoen € 337,-- per maand door storting op de kinderrekening een en ander zoals hiervoor onder 5.5 is overwogen, met ingang van

1 februari 2008

6.2 Bepaalt, met wijziging in zoverre van de hierboven genoemde beschikking van deze rechtbank van 7 juni 2005 en voor zover nodig met wijziging van voormeld convenant,

dat de vrouw als bijdrage in de kinderkosten ten behoeve van de minderjarigen [geslachtsnaam]:

- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] in de gemeente [naam];

- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] in de gemeente [naam],

telkens bij vooruitbetaling dient te voldoen € 170,-- per maand door storting op de kinderrekening een en ander zoals hiervoor onder 5.4 is overwogen, met ingang 1 februari 2008.

6.3 Bepaalt, met wijziging in zoverre van de hierboven genoemde beschikking van deze rechtbank van 7 juni 2005 en voor zover nodig met wijziging van voormeld convenant, dat de man aan de vrouw als uitkering tot levensonderhoud telkens bij vooruitbetaling dient te voldoen € 1.400,-- per maand, met ingang van 1 augustus 2007.

6.4 Wijst er – ten overvloede – op dat de hiervoor vastgestelde bijdragen jaarlijks van rechtswege worden gewijzigd met het wettelijk vast te stellen indexeringspercentage.

6.5 Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

6.6 Wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. W.J. van Andel, als voorzitter en mrs. J.G. Kok en P.R. de Geus, als leden van deze kamer en in het openbaar uitgesproken van 26 februari 2008 in tegenwoordigheid van E. Dijkstra als griffier.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een procureur hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen.