Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BC6686

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
05-03-2008
Datum publicatie
13-03-2008
Zaaknummer
138049 - HA ZA 07-1036
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 1065 Rv. Vordering tot vernietiging van het vonnis van het Scheidsgerecht voor de Bloembollenhandel afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 138049 / HA ZA 07-1036

Vonnis van 5 maart 2008

in de zaak van

[Eiser],

wonende te Oosterbeek, gemeente Renkum,

eiser,

procureur mr. F.H.P. Venbroek,

advocaat mr. J.T.M. Palstra te Arnhem,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

S. SCHOUTEN & ZN. B.V.,

gevestigd te Wervershoof,

gedaagde,

procureur mr. J.P.S. van Schaik,

advocaat mr. H. van Lingen te Alkmaar.

Partijen zullen hierna [eiser] en Schouten genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 17 oktober 2007 en de daarin genoemde stukken;

- het proces-verbaal van comparitie van 18 januari 2008.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Het Scheidsgerecht voor de Bloembollenhandel (hierna: “het Scheidsgerecht”) heeft ‘rechtdoende als goede mannen naar billijkheid’ bij vonnis van 6 juli 2006 (hierna: “het vonnis”) [eiser] veroordeeld tot betaling aan Schouten van € 68.476,--, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente hierover vanaf 1 november 2003, alsmede van € 4.419,46 ter zake van de kosten van het geding.

2.2. In het vonnis heeft het Scheidsgerecht onder meer het volgende overwogen:

“Vaststaande feiten

Op 7 februari 2003 (koopbriefje SBC nr. 14254) verkocht Schouten aan [eiser] 1.800 kg van de tulpenvariëteit “Bolroy Master”. Het koopbriefje vermeldt als leveringsdatum: “tussen 5/8/2003 en 1/9/2003”. Terzake van zuur vermeldt het koopbriefje: “percentage zuur in onderling overleg vast te stellen voor 1 oktober”.

Levering van de onderhavige bollen aan [eiser] vond plaats op of omstreeks 3 september 2003. Een feitelijke afgifte vond toen niet plaats; voor en na de leveringsdatum bevonden de bollen zich bij firma J. Visser & Zn., die de bollen heeft geteeld.

Op 12 november 2003 schreef SBC aan Schouten dat de onderhavige koopovereenkomst was vervallen “wegens te veel zuur en geen goede kwaliteit”.

Bij fax van 27 november 2003 heeft Schouten bij SBC geprotesteerd tegen de vervallenverklaring. Zij schreef onder meer:

“De reclametermijn is al lang verstreken en tevens heeft S. Schouten & Zn BV ook nooit een brief ontvangen van de tegenpartij, de koper [eiser] wegens ondeugdelijke kwaliteit”.

5. Omschrijving van het geschil

Schouten maakt aanspraak op betaling van de koopsom van de onderhavige partij bollen ad

€ 68.476,--.

[eiser] meent dat de vordering dient te worden afgewezen. Hij wijst erop dat hij op of omstreeks 11 september 2003 een factuur ontving van SBC, waarin de koopsom was verdisconteerd. De koopsom is toen, aldus [eiser], door hem voldaan. Daarna (op of omstreeks 11 november 2003) is hij voor hetzelfde bedrag door SBC gecrediteerd, hetgeen kennelijk verband hield met de vervallenverklaring door SBC van de koopovereenkomst. Die vervallenverklaring bracht met zich, dat de bollen weer waren teruggeleverd aan Schouten.

6. Beoordeling van het geschil

Vast staat dat de onderhavige bollen op of omstreeks 3 september 2003 aan [eiser] zijn geleverd (ook al vond toen geen feitelijke afgifte aan hem plaats). Vast staat ook dat betaling van de koopsom aan Schouten niet heeft plaatsgevonden, terwijl de eventuele betaling van [eiser] aan SBC door haar weer is teruggedraaid door de daarop volgende creditering aan [eiser].

Hieruit volgt dat in beginsel [eiser] gehouden is de koopsom alsnog te voldoen. Dat zou anders zijn indien door of namens hem een tijdige, deugdelijke en gegronde reclame zou zijn uitgebracht. Daarvan is echter niet gebleken. De brief van SBC aan Schouten van 12 november 2003 kan niet als een zodanige reclame gelden, omdat deze brief te laat is verzonden (namelijk na 1 oktober 2003) en daarin bovendien de reclame onvoldoende is gespecificeerd.

Nu de reclame geen rechtsgevolg kende, is van een herlevering van de partij aan Schouten geen sprake geweest.

Het voorgaande betekent dat de vordering van Schouten tot betaling van de koopsom dient te worden toegewezen. Nu hiertegen geen afzonderlijk verweer is gevoerd, zal de vordering terzake van de wettelijke handelsrente eveneens toegewezen worden.”

2.3. Het vonnis is niet vatbaar voor hoger beroep. Op 6 juli 2006 is het ter griffie van de rechtbank Haarlem gedeponeerd en bij beschikking van 14 augustus 2006 is door de voorzieningenrechter te Haarlem verlof tot tenuitvoerlegging verleend.

3. De vordering

3.1. [eiser] vordert – samengevat – vernietiging van het vonnis en tevens Schouten te verbieden zich op de voet van artikel 25 van het Arbitragereglement Scheidsgerecht voor de Bloembollenhandel (hierna: “het Arbitragereglement”) opnieuw te wenden tot het Scheidsgerecht, met veroordeling van Schouten in de proceskosten, te betalen binnen 14 dagen na dagtekening van het vonnis, en, voor het geval voldoening binnen deze termijn niet plaatsvindt, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 14 dagen na dagtekening van het vonnis, en in de nakosten, alles uitvoerbaar bij voorraad.

3.2. [eiser] doet daartoe een beroep op de gronden van artikel 1065, eerste lid aanhef en onder c, d en e, Rv. Voorts stelt [eiser] dat het in strijd is met de redelijkheid en billijkheid als hij zich na een eventuele vernietiging van het vonnis opnieuw tot het Scheidsgerecht zou moeten wenden zoals artikel 25 van het Arbitragereglement voorschrijft. Dit artikel is bovendien onredelijk bezwarend, aldus [eiser].

4. Het verweer

4.1. Schouten heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Daarop zal, zo nodig, bij de beoordeling van het geschil nader worden ingegaan.

5. De beoordeling

5.1. Bij de beantwoording van de vraag of het vonnis voor vernietiging in aanmerking komt geldt als uitgangspunt dat de rechtbank bij zijn onderzoek of een grond voor vernietiging bestaat, terughoudendheid moet betrachten. Een vernietigingsprocedure mag niet worden gebruikt als een verkapt hoger beroep, terwijl het algemeen belang bij een effectief functionerende arbitrale rechtspleging meebrengt dat de burgerlijke rechter slechts in sprekende gevallen dient in te grijpen in arbitrale beslissingen.

5.2. In artikel 1065 Rv wordt een limitatieve opsomming gegeven van de vernietigingsgronden, die grotendeels zien op de formele toetsing van het arbitraal vonnis. Het staat de burgerlijke rechter niet vrij een arbitraal vonnis inhoudelijk te toetsen. Dit is slechts anders indien sprake is van strijd met de openbare orde. Deze vernietigingsgrond zal evenwel naar haar aard met terughoudendheid moeten worden toegepast. Strijd met de openbare orde bestaat – voor zover voor het onderhavige geding van belang – slechts als de inhoud van het arbitraal vonnis in strijd is met dwingend recht van een zo fundamenteel karakter dat de naleving ervan niet door beperkingen van procesrechtelijke aard mag worden verhinderd.

Voorts geldt dat de enkele ondeugdelijke motivering van het vonnis niet voldoende is om tot vernietiging te komen; uitsluitend wanneer de motivering geheel ontbreekt of indien weliswaar een motivering is gegeven maar daarin enige steekhoudende verklaring voor de desbetreffende beslissing niet te onderkennen valt, kan het vonnis worden vernietigd.

Strijd met de openbare orde

5.3. [eiser] heeft onder meer betoogd dat het Scheidsgerecht in strijd heeft gehandeld met fundamentele regels van procesrecht aangezien het ten onrechte als vaststaand heeft aangenomen dat betaling van de koopsom door hem aan Schouten niet heeft plaatsgevonden, terwijl hij onbetwist heeft gesteld dat hij op 31 oktober 2003 aan Schouten heeft betaald.

5.4. Dit betoog faalt. Het Scheidsgerecht heeft (terecht) beslist als goede mannen naar billijkheid, hetgeen betekent dat het in beginsel niet gebonden is aan regels van dwingend recht. Dit is slechts anders als sprake is van dwingend recht van openbare orde. Daarvan is echter in het geval van het bewijsrecht, in het bijzonder artikel 149, eerste lid, Rv, waar het betoog van [eiser] zich kennelijk op richt, gelet op voormelde maatstaf, geen sprake. Bovendien is in artikel 1039, vijfde lid, Rv bepaald dat het Scheidsgerecht – voor zover partijen niet anders zijn overeengekomen, hetgeen niet het geval is – vrij is ten aanzien van de toepassing van de regelen van bewijsrecht. Derhalve kan hetgeen [eiser] op dit punt naar voren heeft gebracht niet tot vernietiging van het vonnis leiden. Overigens leest de rechtbank de overweging van het Scheidsgerecht op dit punt aldus dat betaling van de koopsom aan Schouten uiteindelijk niet heeft plaats gevonden, aangezien de op 31 oktober 2003 verrichte betaling door SBC is ‘teruggedraaid’, zodat van strijdigheid met de onbetwiste stelling van [eiser] bovendien geen sprake is.

Ook het betoog van [eiser] dat het gevolg van het vonnis – dat hij én geen bollen heeft ontvangen én tweemaal de koopsom zou moeten betalen – in strijd is met de openbare orde en de goede zeden, gaat – gelet op voormelde maatstaf – niet op.

5.5. Voorts heeft [eiser] aangevoerd dat het Scheidsgerecht in strijd heeft gehandeld met fundamentele regels van een eerlijk proces en met de openbare orde door zich bij zijn beslissing te beroepen op een argument dat het zelf heeft bedacht, te weten dat de brief van SBC van 12 november 2003 te laat (namelijk na 1 oktober 2003) is verzonden.

5.6. Ook dit gaat niet op. Nog daargelaten of – gelet op voormelde maatstaf – sprake is van strijd met de openbare orde, ontbeert de stelling van [eiser] feitelijke grondslag. Immers, Schouten heeft bij verzoekschrift van 13 februari 2006 (onder punt 2. en 6.) en in haar pleitnotities (onder punt 14. en 15.) uitdrukkelijk aangevoerd dat eerst op 12 november 2003 is gereclameerd, hetgeen niet binnen de voorgeschreven reclametermijn is. Van een argument dat het Scheidsgerecht zelf heeft bedacht is derhalve geen sprake. Dat het Scheidsgerecht daarbij kennelijk – in afwijking van Schouten – aansluiting heeft gezocht bij de datum 1 oktober 2003, maakt dit niet anders. Op het koopbriefje stond ter zake van zuur immers vermeld: “percentage zuur in onderling overleg vast te stellen voor 1 oktober”, zodat van een aanvulling van de feiten door het Scheidsgerecht evenmin sprake is, te meer nu Schouten in punt 4 van zijn verzoekschrift nog heeft verwezen naar het eerste deel van voornoemde bepaling in het koopbriefje. Aan de vraag of 1 oktober 2003 als een vervaltermijn kán worden beschouwd, komt de rechtbank ten slotte niet toe, nu het hem – zoals hiervoor reeds overwogen – niet vrij staat het vonnis inhoudelijk te toetsen. Daarbij wordt overigens opgemerkt dat het Scheidsgerecht de reclame niet alleen te laat maar bovendien ook onvoldoende gespecificeerd heeft geacht, hetgeen eveneens reden was voor het Scheidsgerecht om te oordelen dat de overeenkomst niet rechtsgeldig was ontbonden.

Motivering

5.7. De stelling van [eiser] dat de motivering van het Scheidsgerecht inconsequent is omdat het enerzijds vaststelt dat [eiser] niet heeft betaald en anderzijds betoogt dat als [eiser] wel heeft betaald, hij te laat heeft gereclameerd, kan niet leiden tot vernietiging op de grond dat een motivering ontbreekt. Uit het vonnis volgt immers dat het Scheidsgerecht van oordeel was dat de door [eiser] aangevoerde grond om te ontbinden niet opging omdat hij te laat had gereclameerd, hetgeen tot gevolg heeft dat hij voor de aan hem geleverde maar niet door hem betaalde bollen, alsnog diende te betalen. Daarin valt een steekhoudende verklaring voor de beslissing te herkennen en een verdere toetsing is - gelet op het onder 5.2 vermelde - niet aan de orde.

Essentiële verweren

5.8. [eiser] heeft zich daarnaast op het standpunt gesteld dat het Scheidsgerecht een aantal essentiële verweren onbesproken heeft gelaten. Zo heeft het Scheidsgerecht het verweer dat Schouten na ontvangst van de brief van 12 november 2003 niet “onverwijld” heeft gereageerd, zoals artikel 14, derde lid, van het SBC-Reglement voorschrijft, niet behandeld. En daarnaast is het verweer dat SBC (mede) optrad als gevolmachtigde van Schouten en SBC namens beide partijen de overeenkomst “vervallen” heeft verklaard, onbehandeld gelaten, aldus [eiser].

5.9. Ook hierin wordt [eiser] niet gevolgd. Het Scheidsgerecht is slechts gehouden de voor zijn beslissing relevant zijnde verweren te bespreken. Aangezien voormelde verweren de door het Scheidsgerecht gebruikte motivering van zijn beslissing niet raken en deze verweren daarmee voor de beslissing irrelevant waren, behoefde het deze niet te bespreken. Aldus heeft het Scheidsgerecht zijn opdracht noch zijn motiveringsplicht geschonden.

Overige door [eiser] aangevoerde vernietigingsgronden

5.10. [eiser] heeft voorts – bij gebrek aan wetenschap – betwist dat het origineel van het vonnis door alle arbiters is ondertekend. Deze betwisting mist echter doel aangezien uit het als productie 1 bij conclusie van antwoord overgelegde kopie van het vonnis het tegendeel blijkt. Dat de voorzitter van het Scheidsgerecht een onleesbare krabbel zou hebben geplaatst, is irrelevant. Ook de omstandigheid dat de leden van het Scheidsgerecht het vonnis ieder op een aparte bladzijde en vóór de uiteindelijke vonnisdatum hebben getekend, maakt niet dat daarmee een grond voor vernietiging van het vonnis is gegeven. Immers, op die apart getekende bladzijden staan telkens de namen van partijen en het zaaknummer zodat duidelijk is dat de desbetreffende leden van de arbitragecommissie hebben getekend voor het tussen partijen gewezen vonnis. Voorts kan ook de omstandigheid dat het vonnis niet de woonplaatsen van alle arbiters bevat – gelet op de limitatieve opsomming van vernietigingsgronden in artikel 1065 Rv – niet tot vernietiging van het vonnis leiden. [eiser] had voor opneming van de woonplaatsen van de arbiters in het vonnis – gelet op artikel 1060, tweede lid, Rv – binnen dertig dagen na de dag van de nederlegging van het vonnis ter griffie van de rechtbank, het Scheidsgerecht daarom schriftelijk kunnen verzoeken. Ook de stelling van [eiser] dat het vonnis in strijd met de waarheid vermeldt dat het te Haarlem is gewezen, kan – gelet op de limitatieve opsomming van artikel 1065 Rv – niet tot vernietiging van het vonnis leiden. Daarbij wordt opgemerkt dat de rechtbank te Den Haag in haar vonnis van 14 februari 2007 reeds heeft overwogen dat de locatie waar de zitting van het Scheidsgerecht feitelijk heeft plaatsgevonden, te weten Hillegom, niet maatgevend is en dat Haarlem als de plaats van arbitrage heeft te gelden.

5.11. Gelet op het vorenoverwogene, kan geen van de door [eiser] aangevoerde gronden leiden tot de vernietiging van het vonnis. Daarmee is van een nieuwe berechting door het Scheidsgerecht, zoals is bepaald in artikel 25 van het Arbitragereglement, geen sprake zodat hetgeen [eiser] hieromtrent heeft aangevoerd, bij gebrek aan belang, kan worden gepasseerd. Dit leidt tot de slotsom dat de rechtbank de vorderingen van [eiser] zal afwijzen.

5.12. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Schouten worden begroot op:

- vast recht 248,00

- salaris procureur 904,00 (2,0 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 1.152,00

5.13. De rechter, ten overstaan van wie de comparitie van partijen is gehouden, heeft dit vonnis niet kunnen wijzen om organisatorische redenen.

6. De beslissing

De rechtbank

6.1. wijst de vorderingen af,

6.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van Schouten tot op heden begroot op EUR 1.152,00,

6.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R. van der Heijden en in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2008.?