Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BC6081

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
22-02-2008
Datum publicatie
29-04-2008
Zaaknummer
06/9462
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2009:BK0064, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Douane. Na invoer bleek een bacterie in het vlees te zitten waardoor er gasvorming ontstond in het vacuum verpakte vlees. Het vlees is daarom na invoer vernietigd. Eiseres verzoekt om terugbetaling op grond van artikel 238 van het CDW. Besmetting met de bacterie is pas kenbaar geworden na invoer, waardoor niet is voldaan aan de bepalingen uit het contract tussen eiseres en leverancier. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige douanekamer

Procedurenummers: AWB 06/9462, 06/9463, 06/9464, 06/9465

Uitspraakdatum: 22 februari 2008

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de gedingen tussen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V., gevestigd te Z, eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Douane West, kantoor Hoofddorp, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Eiseres heeft op 28 juni 2005 een aangifte ten invoer gedaan met het nummer [nummer] bij de Douane, kantoor Rotterdam Airport. Bij brief van 7 september 2005, ontvangen door verweerder op 8 september 2005, heeft eiseres op de voet van artikel 238, tweede lid van het Communautair Douanewetboek (CDW) een verzoek tot terugbetaling gedaan van een bedrag van € 501,07 voor 510 kg vlees (“Baby Tops”). Bij beschikking van 7 november 2005 heeft verweerder het verzoek van eiseres afgewezen. Na daartegen door eiseres gemaakt bezwaar heeft verweerder bij uitspraak op bezwaar van 10 juli 2006 het bezwaar afgewezen.

1.2. Eiseres heeft op 5 juli 2005 een aangifte ten invoer gedaan met het nummer [nummer] bij de Douane, kantoor Rotterdam Airport. Bij brief van 7 september 2005, ontvangen door verweerder op 8 september 2005, heeft eiseres op de voet van artikel 238, tweede lid van het CDW een verzoek tot terugbetaling gedaan van een bedrag van € 11.662,62 voor 3.389 kg vlees (3.028 kg “Striploins” en 361 kg “Tenderloins”). Bij beschikking van 7 november 2005 heeft verweerder het verzoek van eiseres afgewezen. Na daartegen door eiseres gemaakt bezwaar heeft verweerder bij uitspraak op bezwaar van 10 juli 2006 het bezwaar afgewezen.

1.3. Eiseres heeft op 30 juni 2005 en aangifte ten invoer gedaan met het nummer [nummer] bij de Douane, kantoor Rotterdam Airport. Bij brief van 7 september 2005, ontvangen door verweerder op 8 september 2005, heeft eiseres op de voet van artikel 238, tweede lid van het CDW een verzoek tot terugbetaling gedaan van een bedrag van € 592,27 voor 575 kg vlees (“Striploins”). Bij beschikking van 7 november 2005 heeft verweerder het verzoek van eiseres afgewezen. Na daartegen door eiseres gemaakt bezwaar heeft verweerder bij uitspraak op bezwaar van 10 juli 2006 het bezwaar afgewezen.

1.4. Eiseres heeft op 13 juli 2005 een aangifte ten invoer gedaan met het nummer [nummer] bij de Douane, kantoor Rotterdam Airport. Bij brief van 7 september 2005, ontvangen door verweerder op 8 september 2005, heeft eiseres op de voet van artikel 238, tweede lid van het CDW een verzoek tot terugbetaling gedaan van een bedrag van € 15.368,46 voor 4.529 kg vlees (“Striploins”). Bij beschikking van 4 november 2005 heeft verweerder het verzoek van eiseres afgewezen. Na daartegen door eiseres gemaakt bezwaar heeft verweerder bij uitspraak op bezwaar van 10 juli 2006 het bezwaar afgewezen.

1.5. Eiseres heeft bij brief van 17 augustus 2006, ontvangen bij de rechtbank op 18 augustus 2006 beroep ingesteld. Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend. Partijen hebben voor de zitting ieder aanvullende stukken ingediend. De rechtbank heeft een afschrift van deze stukken verstrekt aan de wederpartij.

1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 februari 2008 te Haarlem. Namens eiseres zijn verschenen A en B. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. C en D. Partijen hebben een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan elkaar. De inhoud van deze pleitnota’s moet als hier ingelast worden aangemerkt.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Eiseres heeft op 28 juni 2005 een aangifte ten invoer gedaan met het nummer [nummer]. De omschrijving van de goederen luidt: “VLEES VAN RUNDEREN VERS OFGEKOELD ZONDER BEEN”. Het nettogewicht is 9.580 kg. Als land van oorsprong is aangegeven Brazilië.

2.2. Eiseres heeft op 5 juli 2005 een aangifte ten invoer gedaan met het nummer [nummer]. De omschrijving van de goederen luidt: “VLEES VAN RUNDEREN VERS OFGEKOELD ZONDER BEEN”. Het nettogewicht is 10.967 kg. Als land van oorsprong is aangegeven Brazilië.

2.3. Eiseres heeft op 30 juni 2005 en aangifte ten invoer gedaan met het nummer [nummer]. De omschrijving van de goederen luidt: “VLEES VAN RUNDEREN VERS OFGEKOELD ZONDER BEEN”. Het nettogewicht is 8.134 kg. Als land van oorsprong is aangegeven Brazilië.

2.4. Eiseres heeft op 13 juli 2005 een aangifte ten invoer gedaan met het nummer [nummer]. De omschrijving van de goederen luidt: “VLEES VAN RUNDEREN VERS OFGEKOELD ZONDER BEEN”. Het nettogewicht is 25.073 kg. Als land van oorsprong is aangegeven Brazilië.

2.5. Bij drie aangiften werd een “Gemeenschappelijk Veterinair Document van Binnenkomst” overgelegd. Op deze documenten is door de keuringsarts aangegeven dat het vlees voor menselijke consumptie is goedgekeurd. Voor de onder 2.3. bedoelde aangifte werd een Duitstalig document “Gemeinsames Veterinärdokument für die Einfuhr” overgelegd. Op dit document is door de keuringsarts aangegeven dat het vlees voor menselijke consumptie (“Lebensmittel”) is goedgekeurd. Op de documenten is in de vakken 26 (documentencontrole), 27 (overeenstemmingscontrole) en 28 (fysieke controle) aangegeven dat de zending conform de voorschriften is bevonden, met dien verstande dat geen fysieke is uitgevoerd bij de aangifte van 13 juli 2006.

2.6. Bij de stukken van het geding behoren kopieën van getekende en gestempelde veterinaire certificaten afgegeven door de Braziliaanse autoriteiten, nummers [nummer], [nummer], [nummer] en [nummer].

2.7. Tot de stukken van het geding behoren kopieën van de volgende bewijzen van aanmelding destructiemateriaal afgegeven door de RVV:

- [nummer] van 8 augustus 2005 voor 510 kg vlees (“Baby Tops”);

- [nummer] van 8 augustus 2005 voor 3.389 kg vlees (“Striploins + Hazen”);

- [nummer] van 12 augustus 2005 voor 145,34 kg vlees (“Striploin 4-5 art. 201QS3 contr. 52392 Quatro Marcos Brasil 3031”);

- [nummer] van 12 augustus 2005 voor 429,79 kg vlees (“Striploin 5-6 art. 201QS4 contr. 52392 Quatro Marcos Brazil 3031”);

- [nummer] van 30 augustus 2005 voor 4.042 kg vlees (“Striploins 4/5 + 5/6”);

- [nummer] van 24 augustus 2005 voor 106 kg vlees (“Striploins 5-6”);

- [nummer] van 6 september 2005 voor 381 kg vlees (“Striploins”).

2.8. Tot de stukken van het geding behoren kopieën van de volgende bonnen voor ontvangen grondstoffen uitgegeven door destructiebedrijf Rendac:

- Zendingnummer [nummer] van 19 augustus 2005 voor in totaal 6.333 kg vlees(RVV-bonnen [nummer], [nummer], [nummer], [nummer] en [nummer]). De omschrijving is “runderafval”;

- Bonnummer [nummer] van 31 augustus 2005 voor in totaal 5.392 kg vlees (RVV-bonnen [nummer], [nummer] en [nummer]. De omschrijving is “gemeng afval Rundvlees incidentele partij”);

- Zendingnummer [nummer] van 7 september 2005 voor in totaal 1.012 kg vlees (RVV-bonnen [nummer], [nummer], [nummer] en [nummer]). De omschrijving is “RUNDERAFVAL”.

2.9. Tot de stukken van het geding behoort een kopie van een uitspraak op bezwaar van verweerder van 4 oktober 2004 over een verzoek om teruggaaf van eiseres voor invoerrechten die eiseres heeft betaald wegens de invoer van vlees op 1 en 2 mei 2003. In de uitspraak op bezwaar is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:

“Uit de door op 16 april 2004 opgezonden koopcontracten blijkt dat het vlees vacuümverpakt diende te worden geleverd. Mede aan de hand van de door u overgelegde verklaring van uw leverancier dat met betrekking tot de leveringen (…) is geconstateerd dat de vacuümmachine niet goed heeft gefunctioneerd kan worden vastgesteld dat de aan u geleverde goederen niet voldeden aan de bepaling van het contract.

(…)

Bij uw verzoek heeft u een door de RVV afgestempeld en ondertekend bewijs van aanmelding destructiemateriaal met nr. [nummer] overgelegd. Op dit bewijs wordt verwezen naar de GPC certificaten nrs. [nummer], [nummer] en [nummer] en de invoeraangiften [nummer], [nummer] en [nummer]. Tevens overlegt u een bon voor ontvangen grondstoffen srm, afgegeven door E B.V. te Q (de door de RVV erkende instantie voor de destructie van vlees en vleesafval) waaruit blijkt dat 7612 kg gemengd afval cat.II voor destructie is aangeboden.

Gelet op het bovenstaande stel ik vast dat aan alle voorwaarden om tot terugbetaling of kwijtschelding over te gaan, is voldaan.”

2.10. Tot de stukken van het geding behoort een kopie van een uitspraak op bezwaar van verweerder van 22 augustus 2006 over een verzoek om teruggaaf van F B.V. voor invoerrechten die deze vennootschap heeft betaald wegens de invoer van vlees op 15 maart 2006. In de uitspraak op bezwaar is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:

“1. Door u wordt gesteld in uw verzoek dat het vacuüm en luchtdicht verpakken op zich al een garantie zou zijn dat er na invoer niets met het vlees gebeurd kan zijn waaraan de schade toegeschreven zou kunnen worden.

Deze stelling deel ik gedeeltelijk omdat naar mijn mening temperatuurschommelingen ook oorzaak kunnen zijn van eventueel bederf, en daar wordt in uw bezwaar niet over gerept.

Alleen in bijlage 7 verklaart de Engelse Meat Hygiene Service dat de opslag heeft plaatsgevonden in een schone omgeving met een temperatuur van -1 tot 1 graden Celsius. Verder stelt u dat problemen zijn ontstaan ten gevolge van bacteriologisch bederf van het type Clostridium, waarschijnlijk variant Estherteicum. Besmetting vanwege gasvormend psychrophilic micro-organisme met een lange incubatietijd. De bacterie ontwikkelt zich in vacuüm verpakkingen van binnenuit waarbij een reactie met de resterende lucht gasvorming tot gevolg heeft. Het vlees moet tijdens het verpakkingsproces besmet zijn geraakt. Telefonisch contact met de Voedsel- en Warenautoriteit leert dat deze bacterie een zogenaamde sporenvormer is, die onder de opslagomstandigheden zoals in bijlage 7 genoemd, langere tijd latent aanwezig kan zijn. Deze wetenschap in combinatie met de vacuümverpakking die later opbolde vanwege gasvorming, maakt aannemelijk dat de feiten of omstandigheden waarschijnlijk tijdens het verpakkingsproces zijn opgetreden, of in ieder geval in het vlees aanwezig waren.

Indien de vernietiging van het vlees niet onder douanetoezicht is gebeurd, dienen bewijsstukken te worden overgelegd waaruit moet blijken of het vlees is vernietigd onder toezicht van autoriteiten of personen die gemachtigd zijn dat officieel vast te stellen.

Ten behoeve van deze bepaling diende u bijlage 7 in, waarin door de Engelse Meat Hygiene Service verklaart wordt dat 628 kartons ongeschikt zijn voor menselijke consumptie vanwege bacteriologische besmetting. In deze verklaring wordt verwezen naar de factuur en naar een “Rejected Meat Receipt”, welke als bijlage 6 is ingediend. Als bijlage 9 werd ingediend een verklaring van vernietiging van het Engelse destructiebedrijf G Ltd. Deze verklaring verwijst naar het factuurnummer en het nummer van het “Rejected Meat Receipt”. Het gaat om 8680 kg. hetgeen overeenkomt met een douanewaarde van € 21.006,-. Vanwege het ontbreken van details met betrekking tot de “striploins” die zijn vernietigd, is hierbij de laagste factuurprijs van “striploins” in aanmerking genomen.

Ter vaststelling van de bevoegdheid, zoals bedoeld in artikel 902, lid 1, letter b TCDW, wijst u op Verordening (EG) nr. 1774/2002 (tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde) dierlijke bijproducten. U overlegde een lijst van inzake artikel 13 en 17 van deze verordening bevoegde ondernemingen. In deze lijst is G Ltd opgenomen. Tevens toonde u de benoeming van de betreffende dierenarts aan door verklaringen van de Meat Hygiene Service.

Gelet hierop stel ik vast dat u heeft aangetoond te voldoen aan artikel 902 lid 1, letter b TCDW.”

3. Geschil en standpunten van partijen

3.1. In geschil is of verweerder terecht de verzoeken tot terugbetaling heeft afgewezen.

3.2. Eiseres bepleit dat het besluit van verweerder genomen is op basis van een verkeerde interpretatie van de informatie van specialisten over de mogelijke besmetting van het vlees met Clostridium estertheticum (hierna: CE) op het moment van invoer, dat er in het verleden afspraken zijn gemaakt met het inmiddels gesloten douanekantoor te R met betrekking tot de afhandeling van verzoeken om terugbetaling ten aanzien van afgekeurd vlees en dat een eerder verzoek om terugbetaling wel werd gehonoreerd.

3.3. Verweerder stelt dat hetgeen eiseres stelt over de ontwikkeling en het bestaan CE niets bewijst ten aanzien van de onderhavige partijen vlees omdat het bedorven vlees inmiddels is vernietigd en voorafgaande aan de vernietiging niet is getoond aan een keurende instantie. Zelfs indien de onderhavige partijen vlees met CE waren besmet, zijn de teruggaafverzoeken terecht afgewezen, omdat het vlees ten tijde van de invoer zonder gevaar voor de volksgezondheid had kunnen worden geconsumeerd. Van gemaakte afspraken is verweerder niets gebleken. Ten aanzien van het gehonoreerde verzoek om terugbetaling stelt verweerder dat dit verzoek vergezeld ging van bewijs waaruit ten genoegen van verweerder bleek dat die partij vlees op het moment van invoer niet voldeed.

3.4. Voor de overige standpunten van partijen wordt verwezen naar de stukken van het geding en het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Artikel 238, eerste lid, van het Communautair douanewetboek (hierna: het CDW) bepaalt dat tot terugbetaling of kwijtschelding van de rechten bij invoer wordt overgegaan indien wordt vastgesteld dat het geboekte bedrag van deze rechten betrekking heeft op goederen die onder de desbetreffende douaneregeling zijn geplaatst en die door de importeur worden geweigerd omdat zij op het in artikel 67 CDW bedoelde tijdstip gebreken vertonen of niet in overeenstemming zijn met de bepalingen van het contract op grond waarvan zij zijn ingevoerd.

Artikel 901, tweede lid, van de Toepassingsverordening Communautair douanewetboek (hierna: de TCDW) bepaalt dat de terugbetaling of de kwijtschelding van rechten bij invoer afhankelijk is van de voorwaarde dat:

a) alle bewijsstukken worden overgelegd die het de beschikkende douaneautoriteit mogelijk maken zich ervan te vergewissen dat de goederen waarvoor terugbetaling of kwijtschelding van de rechten wordt gevraagd:

- wel degelijk (...) of

- zijn vernietigd onder toezicht van autoriteiten of personen die gemachtigd zijn zulks officieel vast te stellen;

b) (…).

4.2. De rechtbank zal eerst beoordelen hoe artikel 238, eerste lid, van het CDW dient te worden uitgelegd en onder welke omstandigheden sprake is van vlees dat ten tijde van de invoer gebreken vertoont of niet in overeenstemming is met de bepalingen van het contract op grond waarvan het is ingevoerd. Eiseres heeft ter zitting onweersproken verklaard dat zij rundvlees uit Zuid-Amerika invoert omdat dit - dankzij de kwaliteit van het vlees, veroorzaakt door de grotere levensruimte die de runderen hebben, en de betere slachthygiëne - vier tot zes maanden houdbaar is in gekoelde en vacuümverpakte staat. Eiseres heeft hieraan toegevoegd dat zij de gebreken aan het vlees noteert en deze meldt aan de leverancier en dat zij na verloop van tijd, wanneer een bepaalde grens is bereikt, een regeling treft met de leverancier. Hoewel het treffen van dergelijke regelingen niet in het contract met de leveranciers is neergelegd, is de rechtbank van oordeel dat vlees dat niet vier tot zes maanden goed blijft in gekoelde staat, niet voldoet aan de bepalingen van het contract dat eiseres met de leveranciers heeft gesloten. Dat een gebrek latent aanwezig kan zijn in het ingevoerde product, zodat het ten tijde van de invoer niet kenbaar is, doet hier niet aan af. Indien zich tijdens de minimaal gegarandeerde periode van houdbaarheid van vier maanden gebreken manifesteren in het product die ten tijde van de invoer aanwezig moeten zijn geweest, is sprake van een product dat niet aan de bepalingen van het contract voldoet. Hiermee is de stelling van verweerder dat niet is aangetoond dat het vlees ten tijde van de invoer geen gebrek vertoonde verworpen. Voorts dient de stelling van verweerder dat eiseres het vlees in de conditie waarin het zich bevond had moeten leveren en laten consumeren voordat de exponentiële groei van CE consumptie onmogelijk maakte, te worden verworpen. Honorering van deze stelling zou betekenen dat dit rundvlees uit Brazilië altijd binnen een periode van zes tot acht weken na de slacht - de tijd die verstrijkt voordat CE het vlees in die mate aantast dat gebruik als levensmiddel niet meer mogelijk is - dient te worden geconsumeerd, omdat de aanwezigheid van CE voordien niet kenbaar is en ieder stuk vlees een - weliswaar klein - risico heeft besmet te zijn met CE. In dit kader is rekening gehouden met het feit dat gekoeld vlees wordt bewaard onder omstandigheden die de groei van CE mogelijk maken, zoals in een vacuümverpakking bij een temperatuur van 0 tot 4 graden Celsius.

4.3. Gelet op hetgeen is overwogen onder 4.2., zal de rechtbank nu beoordelen of aannemelijk is dat de in geding zijnde partijen vlees ten tijde van de invoer een kenbaar dan wel latent gebrek bezaten dat tot gevolg heeft dat de partijen niet voldeden aan de bepalingen van het contract. Eiseres stelt dat de partijen vlees besmet waren met CE, hetgeen zou zijn gebleken uit de opbollende verpakking. Verweerder stelt dat eiseres niet heeft bewezen dat het ingevoerde vlees besmet was met CE. Tussen partijen is niet in geschil dat de besmetting met CE niet na het verpakken van het vlees kan hebben plaatsgevonden, en dat het bol staan van de verpakking bewijst dat de verpakking nog steeds intact is en ondoordringbaar is voor bacteriën. De rechtbank leidt uit de gedingstukken, zoals de foto’s van de partijen vlees in opbollende verpakking, en hetgeen eiseres ter zitting heeft verklaard af dat aannemelijk is dat de partijen vlees vóór ommekomst van de minimale houdbaarheidsperiode van 4 maanden zijn bedorven door besmetting met CE of met een bacterie die op vergelijkbare wijze, i.e. tijdens de slacht, in het vlees terecht komt en onder vergelijkbare omstandigheden groeit en het natuurlijke bederf versnelt. Nu besmetting met CE of een vergelijkbare bacterie niet na het verpakken kan zijn gebeurd, voldeden de onderhavige partijen vlees door het pas na invoer kenbaar geworden gebrek niet aan de bepalingen van het contract dat eiseres met de leveranciers had gesloten. Van enig ander bederf veroorzakende handeling of omstandigheid is niet gebleken.

4.4. Tot slot is tussen partijen niet in geschil en de rechtbank uit de gedingstukken genoeglijk gebleken dat de onderhavige partijen vlees zijn vernietigd onder toezicht van daartoe bevoegde autoriteiten of personen, waarmee is voldaan aan de voorwaarden van artikel 238, eerste en tweede lid CDW en artikel 901, tweede lid, sub a, tweede gedachtestreepje, van de TCDW. Nu aan alle gestelde voorwaarden is voldaan, heeft verweerder de teruggaafverzoeken ten onrechte afgewezen.

Gelet op het vorenoverwogene dienen de beroepen gegrond te worden verklaard. Het beroep van eiseres op het vertrouwensbeginsel behoeft geen behandeling meer.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, omdat niet is gesteld dat eiseres kosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar;

- gelast dat verweerder de door eiseres gevraagde teruggaven verleent;

- gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiseres betaalde griffierecht van € 281 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 22 februari 2008 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. A. van Dongen, voorzitter, mr. A.J. Roke en mr. E. Polak, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C. Hummel als auditeur en van mr. J.P. Wismeijer, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (douanekamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.