Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BC5860

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
26-02-2008
Datum publicatie
12-03-2008
Zaaknummer
06/6721
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2010:BP3291, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Foutenleer. Niet aannemelijk is gemaakt dat het melkquotum bij de beëindiging van de maatschap in zijn geheel van de vader is overgegaan op de zoon en ten onrechte niet na de bedrijfsovername is geactiveerd en is afgeschreven. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2008/27.1.2
FutD 2008-0599
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/6721

Uitspraakdatum: 26 februari 2008

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

X, wonende te Z, eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst P, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2003 een aanslag (…) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 6.807 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 3.485.

Verweerder is bij uitspraak van 12 mei 2006 gedeeltelijk aan het bezwaar van eiser tegemoetgekomen door het belastbaar inkomen uit werk en woning nader vast te stellen op € -/- 29.540. Het ondernemingsverlies voor het jaar 2003 is door verweerder vastgesteld op € 28.915.

Eiser heeft daartegen bij brief van 15 juni 2006, aangevuld bij schrijven van 11 september 2006, beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft, na daartoe door de rechtbank in de gelegenheid te zijn gesteld, schriftelijk gerepliceerd, waarna verweerder schriftelijk heeft gedupliceerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 december 2007 te Haarlem. Namens eiser zijn verschenen A en B. Namens verweerder is verschenen C.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Eiser heeft van 1 januari 1978 tot 1 november 1985 met zijn vader een melkveehouderij gedreven in de vorm van een maatschap. Dit is vastgelegd in een maatschapcontract. In dit contract zijn eiser en zijn vader, respectievelijk aangeduid als tweede en eerste ondergetekende, voor zover van belang, het volgende overeengekomen:

“a. Met ingang van 1-1-1978 zal het veehouderijbedrijf, toebehorend aan D worden uitgeoefend voor gezamenlijke rekening, met dien verstande, dat de financiële winsten en verliezen zullen worden verdeeld in de verhouding 20% voor de eerste ondergetekende en 80% voor de tweede ondergetekende. Deze verdeling geldt met ingang van 1 januari 1979. De winst over het jaar 1978 zal in onderling overleg verdeeld worden.

b. De stille reserves, die in het bedrijf bij beëindiging van deze overeenkomst eventueel aanwezig zijn, zullen uitsluitend aan de eerste ondergetekende toebehoren.”

2.2. In 1984 is ten laste van de producenten van koemelk bij Verordening (EEG) nr. 856/84 van de Raad een extra heffing ingesteld (‘superheffing’) over de geproduceerde hoeveelheid melk die een bepaalde referentiehoeveelheid (‘melkquotum’) te boven gaat. Aan de door eiser en zijn vader gedreven melkveehouderij is door het Productschap voor Zuivel om niet een melkquotum toegekend van 358.201 kg. Het productschap voor Zuivel placht evenbedoelde melkquota op naam te stellen van diegene die in de openbare registers stond vermeld als zakelijk gerechtigde tot de gronden waarop het bedrijf werd uitgeoefend. Aldus is het melkquotum op naam van eisers vader gesteld.

2.3. Op 1 november 1985 heeft eiser het aandeel van zijn vader in het bedrijf overgenomen. Aan het toenmalige Ministerie van Landbouw en Visserij is verzocht om het melkquotum op de naam van eiser over te laten gaan. Het melkquotum had toen een waarde in het economisch verkeer van f 626.851. Aan dit verzoek is gehoor gegeven.

2.4. Eiser heeft het melkquotum niet op zijn bedrijfsbalans geactiveerd. Naar aanleiding van een verzoek van eiser om het melkquotum met toepassing van de foutenleer alsnog voor de waarde in het economisch verkeer per 1 november 1985 op zijn balans te boek te mogen stellen, heeft verweerder bij schrijven van 24 april 1990 onder meer het volgende aan eiser medegedeeld:

“Gelet op de winstverdeling is de zoon reeds voor 80% economisch eigenaar van de bedrijfsmiddelen, terwijl vader overeenkomstig het maatschapscontract de stille reserves, zowel in positieve als negatieve, aan zich heeft voorbehouden. Dit houdt in, dat zoon van vader koopt: 20% van de boekwaarden + de stille reserves van de activa.”

2.5. In de jaren 1985, 1986 en 1987 heeft eiser op grond van evengenoemde brief respectievelijk f 3.483, f 20.895 en f 20.895 afgeschreven op het melkquotum. In de jaren 1988, 1989 en 1990 heeft eiser om onduidelijk gebleven redenen niet op zijn melkquotum afgeschreven. Bij de uitspraak op bezwaar heeft verweerder hiervoor een inhaalafschrijving toegepast. Deze inhaalafschrijving is als volgt berekend:

Waarde melkquotum f 626.851

20% daarvan is verkregen van vader 125.370

Af: afschrijvingen (3.483 + 20.895 + 20.895) -/- 45.273 +

Boekwaarde per 1 januari 2003, tevens inhaalafschrijving f 80.097

2.6. Na de uitspraak op bezwaar luidt het belastbaar inkomen uit werk en woning als volgt:

Vastgesteld belastbaar inkomen uit werk en woning € 6.807

Af: inhaalafschrijving (NLG 80.097 * 2.20371) -/- 36.347 +

Nader vastgesteld inkomen uit werk en woning € -/- 29.540

3. Geschil

3.1. In geschil is of eiser alsnog tot het gehele bedrag van f 626.851 mag afschrijven met een beroep op de foutenleer.

3.2. Eiser beantwoordt deze vraag bevestigend. Naar hij stelt behoorde het melkquotum in juridische en economische zin geheel toe aan de vader. Bij de bedrijfsovername had eiser het melkquotum voor het gehele bedrag moeten activeren en het in zes jaar geheel kunnen afschrijven. Nu dit niet is gebeurd dient eiser op grond van de foutenleer de activering van het melkquotum alsnog uit te voeren in het laatst openstaande jaar, 2003.

Eiser stelt zich subsidiair op het standpunt dat er mag worden afgeschreven voor een bedrag van f 533.719. Overeenkomstig de aanschrijving van 7 april 1986, nr. 285-17529, zou de vader belast zijn geweest voor f 93.132. Indien de rechtbank van mening is dat door herstel van de fout een deel van de totaalwinst onbelast blijft zonder de mogelijkheid om hierover bij de vader alsnog te heffen, kan hieraan tegemoet worden gekomen door het te activeren bedrag te verminderen met f 93.132 naar f 533.719.

3.3. Verweerder beantwoordt deze vraag ontkennend. Er is geen sprake van een bepaaldelijke fout op grond waarvan de foutenleer toegepast kan worden. Hij stelt dat de vader van eiser de waarde van het melkquotum niet in zijn stakingswinst heeft begrepen. In de notariële overdrachtsakte van 24 oktober 1985 waarin de overgedragen zaken zijn neergelegd, wordt het melkquotum niet genoemd. Vanaf het moment van toekenning was eiser voor 80% gerechtigd tot het melkquotum. In de brief van 24 april 1990 staat dat het melkquotum mag worden geactiveerd voor de resterende van zijn vader verkregen 20% en dat over dat bedrag afschrijving wordt toegestaan. Hiertegen is geen bezwaar ingediend door eiser. Eiser heeft zich klaarblijkelijk neergelegd bij het door verweerder ingenomen standpunt, aldus verweerder.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. De rechtbank is van oordeel dat, nu eiser een beroep doet op de foutenleer, een redelijke verdeling van de bewijslast met zich meebrengt dat op eiser de last rust aannemelijk te maken dat sprake is van een fout die correctie behoeft.

4.2. In dat verband stelt eiser dat het melkquotum pas bij de beëindiging van de maatschap door de vader aan eiser is overgedragen, zonder dat daar een vergoeding tegenover stond.

De rechtbank is van oordeel dat eiser deze stelling onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt en overweegt daartoe het volgende.

4.3. De notariële akte van 24 oktober 1985, waarbij het bedrijfsonroerend goed van vader op zoon werd overgedragen, bevatte een zogenoemd boerenbeding op grond waarvan eiser bij verkoop van het onroerende goed binnen tien jaar, de meeropbrengt daarvan diende te verdelen met zijn zuster. In deze akte wordt het melkquotum niet genoemd. Dit vormt voor de rechtbank een aanwijzing dat de vader wat betreft zijn aandeel in het boerenbedrijf eiser niet ten koste van zijn zus wilde bevoordelen. De rechtbank acht het daarom niet zonder meer aannemelijk dat de vader voor wat betreft het melkquotum wél een bevoordeling van eiser zou hebben beoogd.

4.4. Door verweerder is aangevoerd dat eisers vader de in het melkquotum belichaamde stille reserve niet in zijn stakingswinst heeft begrepen. Eiser heeft hier tegen ingebracht dat dit later door verweerder is gecorrigeerd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser zijn stelling dat de waarde van het melkquotum in de stakingswinst van zijn vader is begrepen niet aannemelijk weten te maken.

4.5. Voorts heeft eiser desgevraagd niet aan de hand van bescheiden aannemelijk kunnen maken dat de materiele bevoordeling, die zou hebben plaatsgehad doordat vader het melkquotum om niet aan eiser zou hebben overgedragen, bij het afwikkelen van de nalatenschap van de vader in aanmerking is genomen.

4.6. Bij brief van 24 april 1990 heeft verweerder goedgekeurd dat 20% van de waarde van het melkquotum mag worden geactiveerd en dat over dat bedrag afschrijving wordt toegestaan. Kennelijk heeft eiser hierin berust, want hij heeft deze opvatting van verweerder niet eerder in een bezwaar- of beroepsprocedure bestreden.

4.7. Bij het opstellen van de maatschapsovereenkomst tussen vader en zoon hebben partijen geen rekening kunnen houden met de latere invoering van de superheffing en de toekenning van waardevolle melkquota. Deze toekenning in 1984 was een ingrijpende gebeurtenis. Indien het voorbehoud van stille reserves zich naar de bedoeling van partijen mede over het melkquotum zou hebben uitgestrekt, hadden partijen dit in een aanvulling op de overeenkomst buiten twijfel moeten stellen. Aan de geciteerde passage in de maatschapsovereenkomst kent de rechtbank daarom geen doorslaggevende betekenis toe.

4.8. Op grond van hetgeen hierboven is overwogen, komt de rechtbank tot de slotsom dat eiser er niet in geslaagd is om aannemelijk te maken dat het melkquotum bij de beëindiging van de maatschap in zijn geheel van de vader is overgegaan op de zoon. De rechtbank acht daarentegen aannemelijk dat eiser reeds vanaf het moment van toekenning een aandeel van 80% in het melkquotum had. Voor zover er sprake is van een fout in de zin van de foutenleer doordat eiser de resterende 20% die hij om niet van zijn vader heeft verkregen niet tegen de werkelijke waarde in zijn balans heeft opgenomen, heeft verweerder deze fout bij uitspraak op bezwaar hersteld. Het beroep zal daarom ongegrond worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 26 februari 2008 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. L.F. Roseval, voorzitter, mr. J. Snitker en mr. J.H. Hoekstra rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.J. Loggen - ten Hoopen, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.