Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BC5424

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
15-01-2008
Datum publicatie
29-02-2008
Zaaknummer
131705-07-226
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Op grond van artikel 1: 253n BW kan de rechtbank op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd. Alsdan bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan in het belang van het kind het gezag over het minderjarige kind toekomt.

De vraag die thans voorligt, is of er sprake is van zodanig gewijzigde omstandigheden dat het belang van de minderjarigen meebrengt dat – anders dan tot op heden het geval is – de vrouw voortaan alleen met het gezag over hen wordt belast.

Bij de beoordeling van het verzoek van de vrouw stelt de rechtbank voorop dat aan het wettelijk uitgangspunt van handhaving van het gezamenlijk gezag na echtscheiding ten grondslag ligt dat het belang van het kind als regel het meest gediend is met de voortzetting van het gezamenlijk gezag en voorts dat toewijzing van het eenhoofdig gezag aan een van de ouders een inmenging in het recht op “family life” betekent en een veelal onomkeerbare beslissing is.

Uit de overgelegde stukken en hetgeen ter terechtzitting van 5 maart 2007 naar voren is gekomen is gebleken dat partijen reeds vrijwel direct na de echtscheiding niet in staat zijn geweest met elkaar over de belangen van de minderjarigen te overleggen. Partijen verwijten elkaar over en weer niet te willen meewerken aan het tot stand komen van de omgangsregeling of de informatieverstrekking omtrent de ontwikkelingen van de kinderen. Partijen zijn ter zitting uiteindelijk overeengekomen hun geschil door middel van mediation te beëindigen. Zij zijn daarin echter niet geslaagd.

Uit het door de procureur van vrouw overgelegde verslag en de door de procureur van de man overgelegde integrale reactie van de man op dit verslag blijkt dat de strijd tussen partijen rond de contacten tussen de man en de kinderen gedurende de (mediation)periode niet is verminderd, maar feitelijk op dezelfde manier werd voortgezet.

Vaststaat dat de kinderen sinds het uiteengaan van partijen bij de vrouw verblijven en dat zij feitelijk alleen de zorg voor hen heeft gehad. De omgangscontacten tussen de man en de kinderen zijn medio juli 2006 beëindigd. Sinds ca. een jaar is er ook geen sprake meer van telefonische contacten tussen de man en de kinderen.

Het ontbreken van een goede communicatie tussen de ouders dan wel een grote afstand tussen de niet verzorgende ouder en de kinderen zijn op zichzelf genomen onvoldoende redenen om het gezamenlijk gezag te beëindigen. Desondanks acht de rechtbank de huidige onduidelijke en onrustige situatie niet in het belang van de kinderen. Voldoende aannemelijk is geworden dat de kinderen door de reeds jarenlange aanhoudende strijd klem of verloren raken tussen de ouders en dat niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd verbetering zal komen, nu ook de mediator er niet in is geslaagd met partijen goede afspraken over de belangen van hun kinderen te maken.

De rechtbank laat daarbij in het midden bij wie van de ouders de oorzaak moet worden gezocht dat zij hiertoe niet in staat zijn gebleken.

Het voorgaande leidt tot het oordeel – mede gelet op het verhoor van de kinderen in raadkamer - dat het in het belang van de minderjarigen moet worden geacht dat het gezamenlijk gezag over hen wordt beëindigd en dat de vrouw alleen met het gezag over de minderjarigen wordt belast. Daarom zal het verzoek van de vrouw in zoverre worden toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Familie- en Jeugdrecht

Gezagswijziging /omgangsregeling

zaak-/rekestnr.: 131705/2007-226

beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken d.d. 15 januari 2008

in de zaak van:

[naam vrouw],

wonende te [woonplaats],

hierna mede te noemen: de vrouw,

procureur: mr. B. Kochheim-Bossink,

--tegen--

[naam man],

wonende te [woonplaats],

hierna mede te noemen: de man,

procureur: mr. M.J.F.A. Mutsaers.

1 Verloop van de procedure

1.1 Voor het verloop van de procedure verwijst de rechtbank naar de volgende stukken:

- de beschikking van deze rechtbank d.d. 3 april 2007 en de daarin vermelde stukken;

- de dagbepalingsbeschikking van d.d. 19 juli 2007 en de daarin vermelde stukken;

- de brief van 17 oktober 2007 van de procureur van de man;

- de brief van 30 november 2007 van de procureur van de vrouw;

- de brief van 19 december 2007 met bijlage van de procureur van de man.

2 De vaststaande feiten

Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het volgende gebleken:

2.1 Partijen zijn op [datum] 1995 met elkaar gehuwd, welk huwe¬lijk op [datum] 2000 is ontbon¬den door de inschrijving in de regis¬ters van de burger¬lijke stand van de echtscheidingsbeschikking van deze rechtbank van [datum] 2000.

2.2 Het gezamenlijk gezag over de minderjarigen [geslachtsnaam]:

- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

is na de echtscheiding in stand gebleven.

3 Het verzoek en de grondslag daarvan

3.1 Het verzoek van de vrouw strekt tot wijziging van het gezag over voornoemde minderjarigen in die zin dat zij alleen met het gezag over hen wordt belast.

3.2 Zij baseert haar verzoek op de stelling dat de om¬standigheden sedert de datum van de echtscheidingsbeschikking zijn gewij¬zigd. De contacten tussen de man en de kinderen verliepen kort na de echtscheiding erg moeizaam. Vanaf 27 juli 2003 heeft de man de kinderen niet meer opgehaald voor de omgangsregeling. Om het contact tussen de man en de kinderen te laten bestaan heeft de vrouw de kinderen zo nu en dan naar de ouders van de man gebracht zodat de man de kinderen kon zien wanneer hij bij hen op bezoek was. Vanaf 3 juli 2006 is er geen contact meer geweest tussen de man en de kinderen. Ook telefonisch contact tussen hen is geëindigd.

De vrouw stelt voorts dat zij uitsluitend de zorg voor de kinderen heeft. Omdat de man zich voor de vrouw onbereikbaar houdt, kan zij hem niet bereiken wanneer zij belangrijke beslissingen omtrent de kinderen moet nemen of een paspoort voor hen wil aanvragen.

De vrouw is van mening dat het in het belang van de kinderen is dat zij alleen met het gezag over hen wordt belast.

Ten slotte heeft de vrouw schriftelijk haar verzoek aangevuld. Zij heeft gesteld dat de man wil instemmen met achternaamwijziging van de kinderen. Voor het geval hij zou weigeren zijn medewerking te verlenen aan de ondertekening van de benodigde formulieren, verzoekt zij de rechtbank deze beschikking in de plaats van zijn instemmingsverklaring te stellen.

4 Het verweer tevens zelfstandig verzoek

4.1 De man heeft het verzoek gemotiveerd bestreden. Hij is van mening dat er geen reden is om het gezamenlijk gezag te beëindigen en is bereid te investeren in het herstel van het ouder-contact met de vrouw.

4.2 De man heeft bij schriftelijk gewijzigd cq aanvullend zelfstandig verzoek verzocht dat de rechtbank een informatie- en consultatieplicht aan de vrouw oplegt waarbij de vrouw hem eenmaal per twee maanden schriftelijk per email informeert over belangrijke aangelegenheden van de kinderen, zoals de school, medische, psychische en sociale ontwikkelingen. Voorts heeft hij verzocht te bepalen dat de vrouw verplicht is eens per kwartaal een recente foto van de kinderen (digitaal) te zenden alsmede een kopie van de jaarlijks te maken klassenfoto. Ten slotte heeft hij verzocht te bepalen dat de vrouw een dwangsom verbeurt van € 500,- per keer dat de vrouw in gebreke is met het voldoen van de door de rechtbank op te leggen informatieplicht. Aan zijn verzoek heeft de man voorts ten grondslag gelegd dat hij door de vrouw niet wordt betrokken bij de schoolkeuze van de kinderen en dat zij hem evenmin informeert over belangrijke aangelegenheden betreffende de kinderen. De vrouw kan de man telefonisch bereiken en beschikt ook over zijn postadres.

5 Beoordeling van het verzoek

Met betrekking tot het gezag

5.1 Op grond van artikel 1: 253n BW kan de rechtbank op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd. Alsdan bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan in het belang van het kind het gezag over het minderjarige kind toekomt.

De vraag die thans voorligt, is of er sprake is van zodanig gewijzigde omstandigheden dat het belang van de minderjarigen meebrengt dat – anders dan tot op heden het geval is – de vrouw voortaan alleen met het gezag over hen wordt belast.

Bij de beoordeling van het verzoek van de vrouw stelt de rechtbank voorop dat aan het wettelijk uitgangspunt van handhaving van het gezamenlijk gezag na echtscheiding ten grondslag ligt dat het belang van het kind als regel het meest gediend is met de voortzetting van het gezamenlijk gezag en voorts dat toewijzing van het eenhoofdig gezag aan een van de ouders een inmenging in het recht op “family life” betekent en een veelal onomkeerbare beslissing is.

5.2 Uit de overgelegde stukken en hetgeen ter terechtzitting van 5 maart 2007 naar voren is gekomen is gebleken dat partijen reeds vrijwel direct na de echtscheiding niet in staat zijn geweest met elkaar over de belangen van de minderjarigen te overleggen. Partijen verwijten elkaar over en weer niet te willen meewerken aan het tot stand komen van de omgangsregeling of de informatieverstrekking omtrent de ontwikkelingen van de kinderen. Partijen zijn ter zitting uiteindelijk overeengekomen hun geschil door middel van mediation te beëindigen. Zij zijn daarin echter niet geslaagd.

Uit het door de procureur van vrouw overgelegde verslag en de door de procureur van de man overgelegde integrale reactie van de man op dit verslag blijkt dat de strijd tussen partijen rond de contacten tussen de man en de kinderen gedurende de (mediation)periode niet is verminderd, maar feitelijk op dezelfde manier werd voortgezet.

5.3 Vaststaat dat de kinderen sinds het uiteengaan van partijen bij de vrouw verblijven en dat zij feitelijk alleen de zorg voor hen heeft gehad. De omgangscontacten tussen de man en de kinderen zijn medio juli 2006 beëindigd. Sinds ca. een jaar is er ook geen sprake meer van telefonische contacten tussen de man en de kinderen.

Het ontbreken van een goede communicatie tussen de ouders dan wel een grote afstand tussen de niet verzorgende ouder en de kinderen zijn op zichzelf genomen onvoldoende redenen om het gezamenlijk gezag te beëindigen. Desondanks acht de rechtbank de huidige onduidelijke en onrustige situatie niet in het belang van de kinderen. Voldoende aannemelijk is geworden dat de kinderen door de reeds jarenlange aanhoudende strijd klem of verloren raken tussen de ouders en dat niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd verbetering zal komen, nu ook de mediator er niet in is geslaagd met partijen goede afspraken over de belangen van hun kinderen te maken.

De rechtbank laat daarbij in het midden bij wie van de ouders de oorzaak moet worden gezocht dat zij hiertoe niet in staat zijn gebleken.

Het voorgaande leidt tot het oordeel – mede gelet op het verhoor van de kinderen in raadkamer - dat het in het belang van de minderjarigen moet worden geacht dat het gezamenlijk gezag over hen wordt beëindigd en dat de vrouw alleen met het gezag over de minderjarigen wordt belast. Daarom zal het verzoek van de vrouw in zoverre worden toegewezen.

Het verzoek van de vrouw in verband met de formaliteiten ten aanzien van de naamswijziging van de kinderen wordt wegens gebrek aan belang afgewezen, nu de man heeft verklaard daaraan in het belang van de kinderen mee te werken.

Met betrekking tot de omgangsregeling

5.4 Nu de man bij brief van zijn procureur van 17 oktober 2007 zijn verzoek tot het vaststellen van een omgangsregeling in het belang van de kinderen intrekt, behoeft op dit onderdeel van het verzoek niet meer te worden beslist.

Met betrekking tot de informatieregeling

5.5 Op grond van art. 1:377b lid 1 BW is de vrouw als de ouder die met het gezag wordt belast, verplicht de man op de hoogte te stellen over gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en vermogen van de kinderen en deze te raadplegen – zonodig door tussenkomst van derden – over daaromtrent te nemen beslissingen. Op verzoek van een ouder kan de rechter ter zake een regeling vaststellen.

Gelet op de langdurige strijd tussen de ouders acht de rechtbank het in het belang van de man na te melden informatieregeling vast te leggen, zodat de man op de hoogte blijft over de ontwikkelingen van de kinderen. De rechtbank acht de vrouw in staat om tweemaal per jaar een recente foto van de kinderen aan de man te zenden en is van oordeel , mede gezien de mogelijkheden die de elektronische weg verschaft, dat er geen aanleiding is de man te verplichten de vrouw een fototoestel ter beschikking te stellen dan wel de kosten van het ontwikkelen en afdrukken te betalen.

Gelet op de bereidheid van de vrouw mee te werken aan de informatieregeling ziet de rechtbank geen aanleiding aan deze regeling een dwangsom te koppelen, zodat het verzoek van de man op dit onderdeel zal worden afgewezen.

De man heeft zijn verzoek tot het opleggen van een consultatieplicht toegespitst op de keuze van de (vervolg)opleiding van de kinderen. Op de vrouw rust ter zake een verplichting de man rechtstreeks dan wel door tussenkomst van derden te consulteren. De rechtbank merkt daarbij wellicht ten overvloede op dat de verplichting van de vrouw om advies te vragen aan de man geen verandering brengt in haar bevoegdheid tot het nemen van een beslissing met betrekking tot de keuze van de (vervolg)opleiding van de kinderen.

6 Beslissing

De rechtbank:

6.1 Bepaalt dat het gezag over de minderjarigen [geslachtsnaam]:

- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],,

toekomt aan de vrouw.

6.2 Bepaalt dat de vrouw de man tweemaal per jaar (begin januari en eind juli) schriftelijk informeert over belangrijke aangelegenheden van de kinderen zoals school, medische, psychische en sociale ontwikkelingen, waarbij zij de man tevens kopieën van de schoolrapporten en recente (school)foto’s van de kinderen toezendt.

Bepaalt voorts dat de vrouw de man consulteert omtrent de (vervolg)opleiding van de kinderen.

6.3 Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

6.4 Wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.A. Coyajee-Kappers, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken ter terechtzitting van 15 januari 2008 , in tegenwoordigheid van M.P. Joukes als griffier.