Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BC5419

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
21-01-2008
Datum publicatie
29-02-2008
Zaaknummer
136352-07-655
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Alvorens inhoudelijk op de zaak in te gaan dient de kinderrechter te beoordelen of de moeder tijdig beroep heeft ingesteld tegen de schriftelijke aanwijzingen van de Stichting.

Op grond van artikel 1:259 lid 1 BW kan op verzoek van de met het gezag belaste ouder of de minderjarige van twaalf jaren of ouder de kinderrechter een aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen verklaren. Het verzoek heeft geen schorsende werking tenzij de kinderrechter het tegendeel bepaalt. De termijn die is gesteld voor het indienen van een dergelijk beroep is opgenomen in artikel 1:259 lid 3 BW.

Voornoemd artikel luidt als volgt: “De termijn voor het indienen van het verzoek bij de kinderrechter bedraagt twee weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop de beslissing is toegezonden of uitgereikt.” Artikel 1:259 lid 4 BW bepaalt dat van een na afloop van de termijn ingediend verzoek blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien de verzoeker redelijkerwijze niet geoordeeld kan worden in verzuim te zijn geweest.

De kinderrechter stelt vast dat, nu de aanwijzingen op 13 en 21 september 2007 zijn afgegeven en verstuurd en het verzoekschrift tot vervallen-verklaring op 29 november 2007 ter griffie van deze rechtbank is ontvangen, het beroepschrift buiten de in voornoemd artikel gestelde termijn is ingediend.

De moeder heeft desgevraagd ter zitting gesteld dat zij de schriftelijke aanwijzingen niet heeft ontvangen, althans pas in november of december 2007 heeft ontvangen. De raadsvrouw van moeder heeft de stukken op 22 november 2007 van moeders vriendin ontvangen en het beroepschrift op 29 november 2007 bij de rechtbank ingediend. De raadsvrouw heeft gesteld dat de Stichting heeft aangegeven dat er bij moeder sprake is van een cognitieve beperking en dat zij zeer beperkt Nederlands spreekt en dat ondanks de bekendheid van de Stichting met het feit dat moeder sinds juni 2007 door een advocaat wordt bijgestaan, de Stichting verzuimd heeft een afschrift van de schriftelijke aanwijzingen aan de raadsvrouw te versturen of haar op een andere wijze op de hoogte hiervan te stellen.

De moeder stelt zich op het standpunt dat de termijnoverschrijding haar onder deze omstandigheden niet kan worden tegengeworpen.

De kinderrechter is gebleken dat, volgens de Stichting, voornoemde schriftelijke aanwijzingen van de Stichting in de maand september 2007 en oktober 2007 meerdere keren aan moeder zijn verstuurd, door de gezinsvoogdes persoonlijk in moeders brievenbus zijn gedaan, alsmede dat het versturen van de aanwijzingen voorafgaand aan de moeder is medegedeeld. Tevens heeft de ambulante hulpverlening opdracht gekregen om de schriftelijke aanwijzigen met moeder te bespreken..

Gelet op de stelling van de Stichting dat er geen brieven in de maand november 2007 of december 2007 aan de moeder zijn verstuurd en/of zijn afgegeven, en gelet op het feit dat moeders raadsvrouw de stukken op 22 november 2007 heeft ontvangen, acht de kinderrechter het ongeloofwaardig dat de moeder de schriftelijke aanwijzingen pas in november dan wel december 2007 heeft ontvangen. De kinderrechter gaat er vanuit dat de moeder de bestreden aanwijzingen voor november 2007 heeft ontvangen.

Het onderhavige verzoekschrift is derhalve te laat ingediend. Dan dient de vraag beantwoord te worden of de termijnoverschrijding de moeder verweten kan worden. De stelling van de raadsvrouw dat termijnoverschrijding de moeder, op grond van de aangevoerde redenen, niet tegengeworpen mag worden is niet onderbouwd met stukken en/of (medische) verklaringen. Het enkel stellen dat er sprake is van een cognitieve beperking en zeer beperkt Nederlands spreken is hiertoe onvoldoende. De kinderrechter zal dan ook aan dit verweer voorbijgaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2008, 60
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM A

Sector Familie- en Jeugdrecht

Conflictbehandeling: verzoek ex artikel 1:259 BW, alsmede zelfstandig verzoek met betrekking tot de omgangsregeling

zaak-/rekestnr.: 136352/07-655

beschikking van de kinderrechter d.d. 21 januari 2008

naar aanleiding van een verzoek van:

[verzoekster]

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. M.M. van Straten,

-- tegen --

[Stichting Bureau Jeugdzorg],

gevestigd te [vestigingsplaats],

verwerende partij,

hierna te noemen: de Stichting,

met betrekking tot de minderjarigen:

naam: [naam minderjarige 1]

geboren: [geboortedatum] te [geboorteplaats]

verblijfplaats: [verblijfplaats]

en

naam: [naam minderjarige 2]

geboren: [geboortedatum] te [geboorteplaats]

verblijfplaats: in een pleeggezin

vader : [naam]

wonende te [woonplaats]

Verloop van de procedure

Op 29 november 2007 is ter griffie van de rechtbank het verzoekschrift ontvangen van

mr. M.M. van Straten, raadsvrouw van moeder, strekkende tot vervallen-verklaring van de schriftelijke aanwijzing, tevens houdende zelfstandig verzoek tot uitbreiding van de omgangsregeling, met bijlagen.

Gelet op het feit dat de behandeling van het eerder door de Stichting ingediend verzoek tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing ter zitting van 21 december 2007 is bepaald, heeft de kinderrechter, met instemming van betrokkenen, besloten tot gelijktijdige behandeling van de samenhangende verzoeken.

Op 20 december 2007 heeft de kinderrechter van de Stichting vernomen dat de tolk in de Somalische/Swahili taal niet ter zitting zal verschijnen. De kinderrechter heeft de voortzetting van de behandeling van de verzoeken op 4 januari 2008 bepaald.

Op 4 januari 2008 heeft de kinderrechter de verzoeken ter terechtzitting met gesloten deuren behandeld.

Hierbij zijn verschenen en gehoord:

- de moeder, bijgestaan door raad raadsvrouw mr. M.M. van Straten;

- de Stichting, vertegenwoordigd door mevrouw [naam] en mevrouw [naam].

Ter zitting is gebleken dat de tolk in de Somalische/Swahili taal wederom niet is verschenen. De bijstand van de aanwezige tolk in de Engelse taal is onmogelijk gebleken, nu moeder de Engelse taal onvoldoende beheerst. Met instemming van alle betrokkenen heeft de heer [naam], kleinzoon van moeders vriendin, ter zitting gefungeerd als tolk Swahili.

De vaststaande feiten

Bij beschikking d.d. 28 juli 2006 zijn voornoemde minderjarigen voorlopig onder toezicht gesteld, welke ondertoezichtstelling vervolgens definitief is uitgesproken en thans nog voortduurt tot 28 juli 2008.

De eerder verleende machtiging om de minderjarige uit huis te plaatsen is verlengd, en eindigt thans op 7 april 2008.

Bij de schriftelijke aanwijzingen van 13 en 21 september 2007 heeft de Stichting de bezoekregeling teruggebracht naar een begeleid bezoek van zestig minuten per maand, waarbij de bezoeken op kantoor van de Stichting plaatsvinden, zonder aanwezigheid van derden.

Het verzoek en de grondslag daarvan

Het verzoek van de moeder d.d. 29 november 2007 strekt tot de vervallen-verklaring van de schriftelijke aanwijzingen van de Stichting d.d. 13 september 2007 (in de zaak van [minderjarige 2]) en 21 september 2007 (in de zaak van [minderjarige 1]). De moeder komt in beroep tegen de schriftelijke aanwijzingen van de Stichting en heeft de kinderrechter verzocht de schriftelijke aanwijzingen vervallen te verklaren en een omgangsregeling vast te stellen van één zondag van 11.00 tot 16.00 uur per veertien dagen bij de moeder.

De moeder stelt dat - nu juist vaststaat dat zij moeite heeft om de plaats van bestemming alleen te bereiken - haar niet kan worden tegengeworpen dat zij naar de plaats van de bezoeken door haar vriendin wordt begeleid en hieraan consequenties voor de omgang met de kinderen worden verbonden. De inperking van haar bezoekrecht doet geen recht aan de situatie en kan niet in stand blijven.

Het verweer

De Stichting heeft ter zitting gemotiveerd verweer gevoerd. De gezinsvoogdes heeft aangevoerd dat de schriftelijke aanwijzingen zijn gegeven naar aanleiding van een geëscaleerd begeleid bezoek van moeder aan [minderjarige 2]. Moeder heeft toen tegen een eerdere afspraak in een vriendin meegenomen. De Stichting is van mening dat de aanwezigheid van de vriendin niet in het belang is van [minderjarige 2] en zijn relatie met de moeder. De vriendin eist, volgens de Stichting, alle aandacht op tijdens de bezoeken, veroorzaakt ruis in de relatie tussen de moeder en de gezinsvoogdes en kan niet meer op een normale manier communiceren met de gezinsvoogdes.

De Stichting heeft aangegeven dat moeder zich niet aan de (bezoek)afspraken houdt, het belang van het kind tijdens de bezoeken niet op eerste plaats stelt, onvoldoende hulp accepteert en onvoldoende overleg met de gezinsvoogdes pleegt met betrekking tot de bezoeken.

Mede gelet op het bovenstaande en het grote risico dat ook tijdens een bezoek van moeder aan [minderjarige 1] in het gezinshuis een onrustige situatie zal ontstaan, heeft de Stichting bij de schriftelijke aanwijzing van 21 september 2007 dezelfde bezoekregeling met betrekking tot [minderjarige 1] vastgesteld.

De Stichting staat in principe open voor een uitbreiding van de bezoekregelingen. Op langere termijn kan naar een uitbreiding worden toegewerkt, mits de huidige bezoekregelingen goed verlopen en moeder zich goed aan de afspraken houdt. De Stichting sluit de aanwezigheid van moeders vriendin tijdens de bezoeken niet volledig uit, maar het moet een uitzondering blijven.

Beoordeling

Ten aanzien van ontvankelijkheid van het verzoek

Alvorens inhoudelijk op de zaak in te gaan dient de kinderrechter te beoordelen of de moeder tijdig beroep heeft ingesteld tegen de schriftelijke aanwijzingen van de Stichting.

Op grond van artikel 1:259 lid 1 BW kan op verzoek van de met het gezag belaste ouder of de minderjarige van twaalf jaren of ouder de kinderrechter een aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen verklaren. Het verzoek heeft geen schorsende werking tenzij de kinderrechter het tegendeel bepaalt. De termijn die is gesteld voor het indienen van een dergelijk beroep is opgenomen in artikel 1:259 lid 3 BW.

Voornoemd artikel luidt als volgt: “De termijn voor het indienen van het verzoek bij de kinderrechter bedraagt twee weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop de beslissing is toegezonden of uitgereikt.” Artikel 1:259 lid 4 BW bepaalt dat van een na afloop van de termijn ingediend verzoek blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien de verzoeker redelijkerwijze niet geoordeeld kan worden in verzuim te zijn geweest.

De kinderrechter stelt vast dat, nu de aanwijzingen op 13 en 21 september 2007 zijn afgegeven en verstuurd en het verzoekschrift tot vervallen-verklaring op 29 november 2007 ter griffie van deze rechtbank is ontvangen, het beroepschrift buiten de in voornoemd artikel gestelde termijn is ingediend.

De moeder heeft desgevraagd ter zitting gesteld dat zij de schriftelijke aanwijzingen niet heeft ontvangen, althans pas in november of december 2007 heeft ontvangen. De raadsvrouw van moeder heeft de stukken op 22 november 2007 van moeders vriendin ontvangen en het beroepschrift op 29 november 2007 bij de rechtbank ingediend. De raadsvrouw heeft gesteld dat de Stichting heeft aangegeven dat er bij moeder sprake is van een cognitieve beperking en dat zij zeer beperkt Nederlands spreekt en dat ondanks de bekendheid van de Stichting met het feit dat moeder sinds juni 2007 door een advocaat wordt bijgestaan, de Stichting verzuimd heeft een afschrift van de schriftelijke aanwijzingen aan de raadsvrouw te versturen of haar op een andere wijze op de hoogte hiervan te stellen.

De moeder stelt zich op het standpunt dat de termijnoverschrijding haar onder deze omstandigheden niet kan worden tegengeworpen.

De kinderrechter is gebleken dat, volgens de Stichting, voornoemde schriftelijke aanwijzingen van de Stichting in de maand september 2007 en oktober 2007 meerdere keren aan moeder zijn verstuurd, door de gezinsvoogdes persoonlijk in moeders brievenbus zijn gedaan, alsmede dat het versturen van de aanwijzingen voorafgaand aan de moeder is medegedeeld. Tevens heeft de ambulante hulpverlening opdracht gekregen om de schriftelijke aanwijzigen met moeder te bespreken..

Gelet op de stelling van de Stichting dat er geen brieven in de maand november 2007 of december 2007 aan de moeder zijn verstuurd en/of zijn afgegeven, en gelet op het feit dat moeders raadsvrouw de stukken op 22 november 2007 heeft ontvangen, acht de kinderrechter het ongeloofwaardig dat de moeder de schriftelijke aanwijzingen pas in november dan wel december 2007 heeft ontvangen. De kinderrechter gaat er vanuit dat de moeder de bestreden aanwijzingen voor november 2007 heeft ontvangen.

Het onderhavige verzoekschrift is derhalve te laat ingediend. Dan dient de vraag beantwoord te worden of de termijnoverschrijding de moeder verweten kan worden. De stelling van de raadsvrouw dat termijnoverschrijding de moeder, op grond van de aangevoerde redenen, niet tegengeworpen mag worden is niet onderbouwd met stukken en/of (medische) verklaringen. Het enkel stellen dat er sprake is van een cognitieve beperking en zeer beperkt Nederlands spreken is hiertoe onvoldoende. De kinderrechter zal dan ook aan dit verweer voorbijgaan.

Gelet op het hierboven overwogene is de kinderrechter van oordeel dat niet is voldaan aan het gestelde in artikel 1:259 lid 3 en 4 BW, zodat de moeder niet-ontvankelijk is in haar verzoek tot vervallen-verklaring van de schriftelijke aanwijzingen d.d. 13 en

21 september 2007.

Ten aanzien van het zelfstandig verzoek tot uitbreiding van de omgangsregeling bij uithuisplaatsing

Ter zitting d.d. 4 januari 2007 heeft de raadsvrouw van moeder verzocht te komen tot een uitbreiding van de omgangsregeling, met een eventueel tijd-en voorwaarden traject.

De kinderrechter is gebleken dat de bij de schriftelijke aanwijzingen vastgestelde bezoekregelingen nog niet zijn opgestart. Sinds september 2007 heeft geen bezoek meer plaatsgevonden. De kinderrechter is derhalve van oordeel dat een uitbreiding van de omgangsregeling op dit moment voorbarig is. De gezinsvoogdes heeft het toewerken naar een uitbreiding toegezegd, onder de voorwaarde dat moeder zich goed aan de afspraken houdt, de bezoeken goed verlopen en moeders reisbegeleiders zich niet met de uitvoering van de omgangsregeling en/of de gezinsvoogdes bemoeien.

De kinderrechter is van oordeel dat het verloop van de huidige bezoekregelingen voorafgaand aan een uitbreiding dient te worden geëvalueerd, waarbij de mogelijkheid van omgang bij moeder thuis dient betrokken te worden.

De kinderrechter zal derhalve de behandeling van het zelfstandig verzoek tot uitbreiding van de omgangsregeling tot een hierna te noemen zittingsdatum aanhouden, teneinde voldoende bezoeken te laten plaatsingen en de evaluatie van de huidige bezoekregelingen af te wachten.

Beslissing

De kinderrechter:

Verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar verzoek tot vervallen-verklaring van de schriftelijke aanwijzingen d.d. 13 september 2007 en 21 september 2007.

Houdt de behandeling van het zelfstandig verzoek tot uitbreiding van de omgangsregeling aan tot de zitting van … maart 2008 om … uur in het gerechtgebouw De Appelaar, Simon de Vrieshof 1 te Haarlem.

Bepaalt dat deze beschikking tevens dient als oproep voor de Stichting, de moeder en haar raadsvrouw.

Verzoekt de Stichting tijdig de kinderrechter, de moeder en haar raadsvrouw een verslag over het verloop van de bezoekregelingen te doen toekomen.

Deze beschikking is gegeven door mr. W.J. van Andel als kinderrechter en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 januari 2008, in tegenwoordigheid van A. Hausenblasová als griffier.