Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BC5307

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
22-02-2008
Datum publicatie
27-02-2008
Zaaknummer
15/700874-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mishandeling; bedreiging met misdrijf tegen het leven gericht; ISD-maatregel.

i. De wet kent niet de beslissing tot niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in de vordering tot het opleggen van de ISD-maatregel.

ii. Vertrouwensbeginsel niet geschonden. Op het moment van aanvragen van reclasseringsrapportage door het OM ontrent de wenselijkheid van het opleggen van de ISD-maatregel, moet het voor de verdediging duidelijk zijn geweest dat de officier van justitie wellicht het opleggen van de ISD-maatregel zou vorderen.

iii. Strafrestant van meer dan vier maanden. Nu de rechtbank vast stelt dat het openstaande strafrestant van verdachte voor eigen rekening komt, zou het in strijd met de eisen van een behoorlijke procesorde zijn wanneer verdachte zich met succes zou kunnen beroepen dat er geen ISD-maatregel kan worden opgegelegd, gezien het nog openstaande strafrestant van meer dan vier maanden.

iii. De maatregel strekt er primair toe de maatschappij te beschermen tegen en de overlast te beperken van criminaliteit die wordt veroorzaakt door veelplegers, de zogenaamde stelselmatige daders. Slechts subsidiair strekt de ISD-maatregel mede tot het leveren van een bijdrage aan de oplossing van de problematiek van de verdachte. Zie 38m Sr.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/700874-07

Uitspraakdatum: 22 februari 2008

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 08 februari 2008 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans gedetineerd in PI Midden Holland, HvB Haarlem.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1

hij op of omstreeks 06 november 2007 te Beverwijk opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer1]), een of meer malen (met gebalde vuisten) in het gezicht heeft geslagen en/of gestompt, waardoor deze [slachtoffer1] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2 primair

hij op of omstreeks 06 november 2007 te Beverwijk opzettelijk een mobiele telefoon (merk Samsung), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk(e) goed(eren) verdachte anders dan door misdrijf, te weten als gebruiker (immers had die [slachtoffer1] hem die telefoon overhandigd om ter plekke te bellen), onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

2 subsidiair

hij op of omstreeks 06 november 2007 te Beverwijk met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een mobiele telefoon (merk Samsung), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

3

hij op of omstreeks 23 september 2007 te Beverwijk [slachtoffer2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een engelse sleutel of een dopsleutel, in elk geval een daarop gelijkend voorwerp in zijn hand gehad en/of (daarbij) deze [slachtoffer2] dreigend de woorden toegevoegd: "Als mijn moeder haar telefoon niet krijgt en je loopt buiten met je hond dan ben je voor mij" en/of (later die dag) "Kom je aangifte over mij doen. Als je dat doet, pak ik jou gelijk vandaag", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Vrijspraak

Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder feit 2 zowel primair als subsidiair ten laste is gelegd. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Wat betreft feit 2 primair is de rechtbank van oordeel dat niet bewezen is dat de verdachte het opzet heeft gehad om de telefoon zich wederrechtelijk toe te eigenen. Wat betreft feit 2 subsidiair is de rechtbank van oordeel dat niet bewezen is dat verdachte heeft gehandeld met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening.

4. Bewijs

4.1 Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder feit 1 en feit 3 tenlastegelegde feiten heeft begaan, in dier voege dat:

1

hij op 6 november 2007 te Beverwijk opzettelijk mishandelend een persoon, te weten [slachtoffer1], meermalen met gebalde vuisten in het gezicht heeft geslagen, waardoor deze [slachtoffer1] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

3

hij op 23 september 2007 te Beverwijk [slachtoffer2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk deze [slachtoffer2] dreigend de woorden toegevoegd: "Als mijn moeder haar telefoon niet krijgt en je loopt buiten met je hond dan ben je voor mij" en (later die dag) "Kom je aangifte over mij doen. Als je dat doet, pak ik jou gelijk vandaag".

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte onder feit 1 en feit 3 meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Wat betreft het onder feit 3 tenlastegelegde dreigen met een engelse sleutel, een dopsleutel of een daarop gelijkend voorwerp overweegt de rechtbank dat zij op grond van de inhoud van de dossierstukken en het verhandelde ter terechtzitting niet de overtuiging heeft gekregen dat verdachte dit heeft gedaan.

4.2 Bewijsmiddelen

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder feit 1 en feit 3 tenlastegelegde feiten op grond van de navolgende bewijsmiddelen:

Ten aanzien van feit 1:

• de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd;

• het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer1] (dossierpagina 45 e.v.).

Ten aanzien van feit 3:

• de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd;

• het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer2] (dossierpagina 56 e.v.);

• het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van [betrokkene1] (dossierpagina 59 e.v.);

• het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van [betrokkene2] (dossierpagina 62 e.v.).

5. Strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1: mishandeling;

Feit 3: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.

6. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering van de sanctie

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder feit 1, feit 2 primair en feit 3 tenlastegelegde feiten en gevorderd dat aan verdachte ter zake de maatregel tot plaatsing in een Inrichting voor Stelselmatige Daders (hierna te noemen: ISD-maatregel) zal worden opgelegd voor de duur van twee jaar. De officier van justitie heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat is voldaan aan de eisen die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht stelt.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat aan zijn cliënt niet de ISD-maatregel kan en moet worden opgelegd. Aan het vorderen en opleggen van de ISD-maatregel staat naar de mening van de raadsman in de weg dat volgens de OM-richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige zeer actieve veelplegers - welke richtlijn is gepubliceerd (2004 R004) - geen ISD-maatregel wordt gevorderd wanneer de verdachte een strafrestant heeft openstaan van meer dan vier maanden gevangenisstraf en/of vervangende hechtenis. Dat is hier het geval, aldus de raadsman, en de officier van justitie handelt volgens hem dan ook in strijd met genoemde richtlijn en schendt daarmee het bij zijn cliënt opgewekte vertrouwen dat de ISD-maatregel niet zou worden gevorderd. Naar de mening van de raadsman dient de officier van justitie op grond van het voorgaande niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering tot het opleggen van de ISD-maatregel.

Beslissing van de rechtbank

De rechtbank deelt de mening van de raadsman niet. Voorop moet worden gesteld dat de wet niet de beslissing kent tot niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in de vordering tot het opleggen van de ISD-maatregel. De wet kent enkel de beslissing tot niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in de vervolging. Voor die beslissing bestaat in de onderhavige zaak echter geen enkele grond.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat de officier van justitie het vertrouwensbeginsel niet heeft geschonden. Immers, reeds op 9 november 2007 heeft de rechter-commissaris op verzoek van de officier van justitie reclasseringsrapportage aangevraagd omtrent, kort gezegd, de noodzakelijkheid en wenselijkheid van het opleggen van de ISD-maatregel. Desgevraagd heeft de raadsman op de terechtzitting aangegeven hiermee bekend te zijn geweest. Het kan dan ook niet anders dan dat het op dat moment voor de verdediging duidelijk moet zijn geweest dat de officier van justitie wellicht het opleggen van de ISD-maatregel zou vorderen. Dit klemt te meer, nu de officier van justitie de gevangenhouding van verdachte heeft gevorderd voor de duur van 90 dagen – welke vordering is toegewezen – en de strafzaak van verdachte bij een meervoudige kamer heeft aangebracht.

De rechtbank stelt met de raadsman vast dat er op dit moment nog een strafrestant openstaat van meer dan vier maanden; zie in het bijzonder de vonnissen van de politierechter Haarlem van 5 september 2007 (tenuitvoerlegging van vier maanden gevangenisstraf) en 12 januari 2007 (één maand gevangenisstraf).

Met de officier van justitie is de rechtbank echter van oordeel dat dit geheel voor rekening van verdachte moet komen. Immers, eerst op 8 februari 2008, zeer kort voor de aanvang van het onderzoek ter terechtzitting, heeft de raadsman namens verdachte het ingestelde hoger beroep tegen het vonnis van 5 september 2007 ingetrokken. Ter zitting is verder gebleken dat ook het ingestelde hoger beroep tegen het vonnis van 12 januari 2007 inmiddels was ingetrokken en wel op een moment dat het bevel gevangenhouding van verdachte al was verleend en bovenvermelde ISD-rapportage reeds was aangevraagd. De rechtbank is op grond hiervan van oordeel dat het in strijd met de eisen van een behoorlijke procesorde moet worden geacht wanneer verdachte zich nu met succes zou kunnen beroepen op het feit dat er nog een strafrestant van meer dan vier maanden openstaat. Geoordeeld moet worden dat de officier van justitie niet in strijd met de richtlijn heeft gehandeld.

Tot slot overweegt de rechtbank nog dat zelfs al zou de officier van justitie wél in strijd met genoemde richtlijn hebben gehandeld, die richtlijn zich enkel richt tot de officier van justitie en de rechtbank er niet aan is gebonden.

Voor de oplegging van de maatregel ISD is ingevolge artikel 38m, eerste lid, onder 2°, van het Wetboek van Strafrecht vereist dat de verdachte in een periode van vijf jaren voorafgaande aan het feit waarvoor die maatregel wordt opgelegd, ten minste drie maal wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel, een vrijheidsbeperkende maatregel of een taakstraf is veroordeeld, en dat het feit is begaan nadat in ieder geval die drie veroordelingen geheel ten uitvoer zijn gelegd. Indien aan deze voorwaarde is voldaan, staat aan oplegging van de maatregel niet in de weg dat ten tijde van de berechting sprake was van een nog openstaande straf voor andere feiten. (Zie het arrest van de Hoge Raad van 14 november 2006, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, onder LJ-Nummer AY8975.)

Maatregel

De rechtbank zal aan de verdachte de door de officier van justitie gevorderde ISD-maatregel opleggen. De rechtbank heeft zich bij de beslissing over deze maatregel laten leiden door de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, alsmede door de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek op de terechtzitting. Daarbij heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een mishandeling en twee bedreigingen met enig misdrijf tegen het leven gericht. Verdachte heeft het slachtoffer [slachtoffer1] pijn en letsel toegebracht en beide slachtoffers bijzonder veel angst aangejaagd. De door verdachte begane feiten maken daarnaast een ernstige inbreuk op de rechtsorde en veroorzaken gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving.

Beide bewezenverklaarde feiten zijn misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten.

Verdachte is - blijkens het 13 bladzijden tellend uittreksel uit het justitieel documentatie-register van 8 november 2007 - in de periode van 23 september 2002 tot 23 september 2007 ten minste drie maal wegens een misdrijf onherroepelijk veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf of een taakstraf. De rechtbank verwijst hier in het bijzonder naar de vonnissen van de politierechter Haarlem van 22 november 2006 (7 maanden gevangenisstraf onvoorwaardelijk), 18 augustus 2005 (180 uren werkstraf) en 22 juli 2004 (1 week gevangenisstraf).

Ter terechtzitting heeft de officier van justitie verklaard dat deze drie vonnissen inmiddels zijn geëxecuteerd. Verdachte heeft dat bevestigd. Verdachte heeft aangegeven dat hij de twee gevangenisstraffen heeft uitgezeten en dat hij ook de werkstraf heeft verricht, bij de instantie “Actief Talent”. Voorts is ter terechtzitting gebleken dat de 4 weken gevangenisstraf die de verdachte bij het inmiddels onherroepelijke vonnis van de politierechter Haarlem van 5 september 2007 zijn opgelegd, ook reeds door verdachte zijn uitgezeten.

Gelet op het bovenstaande, alle eerdere veroordelingen van verdachte en ook de persoon van de verdachte, zoals beschreven in de verschillende over verdachte opgestelde rapportages, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het ISD voorlichtingsrapport van 7 februari 2008 van de Brijder Verslavingszorg. Dit rapport houdt onder andere het volgende in:

“De delicten van de heer [verdachte] zijn onderdeel van een patroon. Betrokkene komt al geruime tijd in aanraking met de politie en zijn delicten zijn over het algemeen gepleegd onder invloed van drugs en/of alcohol. De delicten worden niet ernstiger, ze hebben allen hetzelfde karakter.

(…)

De heer [verdachte] is vanaf 1993 bekend bij de Brijder Verslavingszorg.

(…)

Meerdere malen is er getracht de heer [verdachte] te behandelen in verschillende ambulante hulpverleningsinstellingen, maar de heer [verdachte] heeft niet de intentie gehad abstinent te worden en/of te blijven van drugs. (…)

Begin 2005 is er getracht de heer [verdachte] aan te melden bij De Waag in verband met agressieregulatieproblematiek en afhankelijkheid van gedragsbeïnvloedende middelen, maar betrokkene heeft verzuimd contact op te nemen na het niet verschijnen zonder bericht op diverse afspraken.

(…)

Betrokkene is zeer duidelijk in zijn mening dat hij verslaafd is en verslaafd zal blijven. Betrokkene is niet gemotiveerd drugsvrij door het leven te gaan, waardoor het onmogelijk is gebleken in het verleden via de ambulante hulpverlening een passend aanbod voor de heer [verdachte] te bewerkstelligen. Meerdere malen zijn opnames mislukt door het blijven gebruiken van drugs door betrokkene.

Door de aanhoudende mening van betrokkene dat hij niet de intentie heeft abstinent door het leven te gaan, zien wij, als verslavingsreclassering, in deze geen passend plan van aanpak voor de heer [verdachte].”

en

“Analyse delictgedrag en recidiverisico

Uit de RISc komt een hoog recidiverisico naar voren. Wij achten de kans groot dat betrokkene terugvalt in delictgedrag wanneer er niets verandert aan zijn leefomstandigheden. Er zijn meerdere probleemgebieden waardoor de recidivekans wordt beïnvloed en verhoogd. Om delictgedrag te voorkomen zien wij een langdurige forensische verslavingsbehandeling als noodzakelijk, aangezien het middelengebruik het delictgedrag beïnvloedt. Mocht betrokkene zijn middelengebruik niet willen veranderen, wat momenteel het geval is, dan zien wij een ISD maatregel als enig middel om delictgedrag te voorkomen. Betrokkene lijkt in dat geval baat te hebben bij de programma’s die ISD te bieden heeft en ten opzichte van het recidiverisico lijkt dit de enige manier om dit te verminderen.

De recidivekans is hoog gezien de problemen op diverse leefgebieden en het gebrek aan controle dat betrokkene heeft over zijn leven. Betrokkene geeft aan dat hij zijn medicatie nodig heeft om zijn delictgedrag te kunnen controleren. Betrokkene pleegt volgens rapporteur delicten door gebrekkige impulscontrole, het niet overzien van de consequenties, het ontbreken van overzicht en een lage frustratietolerantie. Het middelengebruik speelt eveneens een grote rol in het delictgedrag. Gezien het feit dat betrokkene niet van plan is zijn druggebruik te veranderen, achten wij de kans op recidive groot.”

Gezien de stukken en gelet op het onderzoek ter terechtzitting en de indruk die de rechtbank daar zelf van de verdachte heeft gekregen, verenigt de rechtbank zich met de inhoud van het rapport van de Brijder Verslavingszorg en neemt zij de conclusies en adviezen daaruit over en maakt die tot de hare.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat er van verdachte een groot recidivegevaar uitgaat en dat de enige reële mogelijkheid om dit gevaar te beperken is om aan verdachte de ISD-maatregel op te leggen. Bij dit laatste is van belang dat verdachte er ook ter zitting blijk van heeft gegeven de ernst van zijn problematiek niet in te zien en niet de bereidheid te hebben daadwerkelijk aan die problematiek te gaan werken. Kort gezegd, stelt verdachte zich op het standpunt dat als hij zijn medicatie krijgt (de 31 pillen) er niets aan de hand is. De rechtbank is het hier uitdrukkelijk niet mee eens.

Door de raadsman is ten aanzien van het doel van het opleggen van de ISD-maatregel nog het verweer gevoerd dat zijn cliënt hier niet mee geholpen zal zijn. Onder verwijzing naar uitlatingen van de Raad voor de Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming en vonnissen van rechtbanken waarin een eerder opgelegde ISD-maatregel voortijdig is beëindigd, heeft de raadsman naar voren gebracht dat niet te verwachten is dat in het kader van de uitvoering van de ISD-maatregel aan verdachtes problematiek zal worden gewerkt. De raadsman stelt zich dan ook op het standpunt dat het opleggen van de ISD-maatregel niet wenselijk is.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende. Vooropgesteld moet worden dat de wetgever de ISD-maatregel niet primair in het leven heeft geroepen om de problematiek van de verdachte te behandelen. De maatregel strekt er in de eerste plaats toe de maatschappij te beschermen tegen en de overlast te beperken van criminaliteit die wordt veroorzaakt door veelplegers, de zogenaamde stelselmatige daders. Artikel 38m, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht geeft deze strekking van de ISD-maatregel ook aan: ‘De maatregel strekt tot beveiliging van de maatschappij en de beëindiging van de recidive van de verdachte’. Slechts subsidiair strekt de ISD-maatregel mede tot het leveren van een bijdrage aan de oplossing van de problematiek van de verdachte, zoals dit in het derde lid van artikel 38m is verwoord.

Voorts overweegt de rechtbank dat uit de wetsgeschiedenis duidelijk blijkt dat de wetgever het opleggen van de ISD-maatregel ook voor ogen heeft gestaan in die gevallen waarin de verdachten een ernstige (verslavings)problematiek hebben en niet de bereidheid tonen zich voor deze problematiek te laten behandelen. In deze gevallen zal sprake zijn van een sobere tenuitvoerlegging van de maatregel, waardoor wel degelijk de primaire doelstelling van de maatregel wordt bereikt.

Gelet op al het vorenstaande is de rechtbank, anders dan de raadsman, van oordeel dat het opleggen van de ISD-maatregel wenselijk en noodzakelijk is en dat, gelet ook op de lange hulpverleningsgeschiedenis, dit ultimum remedium nu moet worden ingezet.

De rechtbank zal de ISD maatregel opleggen voor de duur van twee jaar. Gelet op het karakter van deze maatregel en op het feit dat het van groot belang is dat voldoende tijd wordt genomen om de maatregel ten uitvoer te leggen, ziet de rechtbank geen aanleiding om de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht hierop in mindering te brengen.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

de artikelen 38m, 38n, 57, 285 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

9. Beslissing

De rechtbank:

Spreekt verdachte vrij van het onder feit 2 primair en subsidiair tenlastegelegde feit.

Verklaart bewezen dat verdachte de onder feit 1 en feit 3 tenlastegelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 4.1 vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder feit 1 en feit 3 meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezenverklaarde feiten de hierboven onder 5. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee (2) jaar, zonder aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

10. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. S. Jongeling, voorzitter,

mrs. D. Kingma en J.M. van Santen, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. R.A. Blaas,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 22 februari 2008.