Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BC5162

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
09-01-2008
Datum publicatie
26-02-2008
Zaaknummer
07-8167, 07-8174
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verzoeker is adresloos. Verweerder heeft hem gevraagd een overzicht te verstrekken van de plekken waar hij heeft verbleven. Dat heeft verzoeker onvoldoende gedaan. De plekken die hij opgeeft, zijn niet verifieerbaar. Verweerder heeft dan ook in redelijkheid gebruik kunnen maken van zijn bevoegdheid de WWB-uitkering van verzoeker op te schorten en vervolgens in te trekken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 07 - 8167 en 07-8174 WWB

Uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 januari 2008

in de zaken van:

[verzoeker],

verblijvende te [woonplaats],

verzoeker,

gemachtigde: mr. J. Klaas, advocaat te Haarlem,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van Haarlem,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 oktober 2007 heeft verweerder de uitkering die verzoeker ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ontving, vanaf 27 september 2007 opgeschort, omdat verzoeker niet had voldaan aan verweerders verzoek een verklaring omtrent zijn feitelijke verblijfplaats in te leveren.

Bij besluit van 7 november 2007 heeft verweerder verzoekers WWB-uitkering per 27 september 2007 ingetrokken, omdat verzoeker niet heeft voldaan aan zijn verplichting de verklaring omtrent feitelijk verblijf voor 23 oktober 2007 aan verweerder op te sturen.

Tegen elk van deze besluiten heeft verzoeker bij separate brieven van 9 november 2007 bezwaar gemaakt. Bij brief van 3 december 2007 heeft hij de voorzieningenrechter verzocht voorlopige voorzieningen te treffen. Nu sprake is van twee afzonderlijke besluiten, is tevens sprake van twee afzonderlijk verzoeken.

De verzoeken zijn gevoegd behandeld ter zitting van 7 januari 2008, waar verzoeker in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. J. Klaas, en waar verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door drs. M.E. Zandbergen, werkzaam bij de gemeente Haarlem.

2. Overwegingen

2.1 Verzoeker heeft vanaf eind 2005 geen vaste woon- of verblijfplaats. Hij slaapt niet op zijn (brief)adres [adres] in Haarlem. Verzoeker heeft vanaf 22 maart 2005 van verweerder een WWB-uitkering ontvangen naar de norm van een alleenstaande. Bij brief van 20 september 2007 heeft verweerder verzoeker verzocht uiterlijk op 27 september 2007 gegevens te verstrekken over zijn feitelijke verblijfplaats. Omdat verzoeker volgens verweerder in onvoldoende mate aan dit verzoek had voldaan, heeft hij bij besluit van 8 oktober 2007 op grond van artikel 54, eerste lid, WWB de uitkering van verzoeker per die datum opgeschort. Bij datzelfde besluit heeft verweerder verzoeker verzocht de gevraagde gegevens alsnog te verstrekken, uiterlijk op 23 oktober 2007. Hieraan heeft verzoeker volgens verweerder in onvoldoende mate gevolg gegeven. Verweerder heeft vervolgens bij besluit van 7 november 2007 verzoekers WWB-uitkering op grond van artikel 54, vierde lid, WWB per 27 september 2007 ingetrokken. Tegen beide besluiten heeft verzoeker op 9 november 2007 bezwaar gemaakt. Op 20 november 2007 heeft verzoeker een nieuwe aanvraag ingediend ter verkrijging van een WWB-uitkering. Deze aanvraag is nog in behandeling. Verzoeker ontvangt geen voorschotten.

2.2 Verzoeker kan zich niet met de bestreden besluiten verenigen. Volgens verzoeker heeft verweerder zijn situatie ten onrechte niet of niet zorgvuldig onderzocht. Ook is verzoeker van mening dat hij voldoende gegevens heeft verstrekt. Hij verwijst naar de door hem ingeleverde verklaringen omtrent feitelijke verblijfplaats. Verzoeker heeft hierop alle plaatsen vermeld waar hij heeft verbleven. Volgens verzoeker kan hij niet meer informatie verstrekken. Ter zitting heeft verzoeker aangegeven dat hij vaak in bushokjes of schuurtjes slaapt. Hiervan kan hij niet opgeven in welke straten deze staan. Verzoeker is van mening dat hij aan zijn inlichtingenplicht heeft voldaan. Op de verklaring van 5 november 2007 heeft hij wel degelijk straatnamen vermeld waar hij heeft verbleven, aldus verzoeker.

2.3 Verweerder stelt zich op het standpunt dat de gegevens die verzoeker over zijn feitelijke verblijfplaats heeft verstrekt, voor verweerder niet verifieerbaar zijn, zodat verzoekers recht op bijstand niet is vast te stellen. Het moet voor verweerder controleerbaar zijn of verzoeker daadwerkelijk zijn hoofdverblijf in Haarlem heeft. De gegevens die verzoeker heeft verstrekt, maken een dergelijke controle onmogelijk. Verweerder heeft ter zitting verwezen naar ter zake vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB).

2.4 Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Daarbij gaat het om een afweging van belangen van de verzoekende partij bij een onverwijlde voorziening tegen het belang dat is gemoeid met onmiddellijke uitvoering van het besluit. Voor zover deze toetsing een beoordeling van de hoofdzaak meebrengt, is dat oordeel voorlopig van aard.

2.5 Ingevolge artikel 17, eerste lid, WWB doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op (onder meer) het recht op bijstand.

2.6 Ingevolge artikel 53a, eerste lid, WWB bepaalt verweerder welke gegevens ten behoeve van de verlening van bijstand dan wel de voortzetting daarvan door de belanghebbende in ieder geval worden verstrekt en welke bewijsstukken worden overgelegd, alsmede de wijze waarop de verstrekking van gegevens plaatsvindt.

2.7 Artikel 54 WWB luidt:

1. Indien de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent, kan het college het recht op bijstand voor de duur van ten hoogste acht weken opschorten:

a. vanaf de eerste dag van de periode waarop het verzuim betrekking heeft, of

b. vanaf de dag van het verzuim indien niet kan worden bepaald op welke periode dit verzuim betrekking heeft.

2. Het college doet mededeling van de opschorting aan de belanghebbende en nodigt hem uit binnen een door hen te stellen termijn het verzuim te herstellen.

3. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde ter zake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand en ter zake van weigering van bijstand, kan het college een dergelijk besluit herzien of intrekken:

a. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of de artikelen 28, tweede lid, en 29, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand;

b. indien anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

4. Als de belanghebbende in het geval bedoeld in het eerste lid het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, kan het college na het verstrijken van deze termijn het besluit tot toekenning van bijstand intrekken met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort.

2.8 De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

2.9 Deze procedure spitst zich toe op de vraag of verweerder, naar voorlopig oordeel, in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid verzoekers uitkering krachtens de WWB, met ingang van 27 september 2007 op te schorten en vervolgens per die datum in te trekken.

2.10 De voorzieningenrechter wijst, ter beantwoording van deze vraag, allereerst op de uitspraak van de CRvB van 10 april 2007, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder LJN: BA2870. In deze uitspraak heeft de CRvB onder meer overwogen, dat voor de beantwoording van de vraag of een bijstandsgerechtigde recht heeft op voortzetting van bijstand en naar welke vorm die bijstand dient te worden vastgesteld, controleerbare gegevens over de feitelijke woon- en verblijfplaats van de betrokkene van essentieel belang zijn. Dit wordt volgens de CRvB niet anders doordat de betrokkene gebruik maakt van een hem (als adresloze) ter beschikking gesteld briefadres. De betekenis daarvan is immers (slechts) dat een eventueel recht op bijstand van de betrokkene bestaat jegens het college van de gemeente waarbinnen zich dat briefadres bevindt en dat datzelfde college bevoegd is daarover te besluiten. Volgens de CRvB bieden de tekst en de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 40, eerste en tweede lid, WWB geen aanknopingspunten voor de conclusie dat een adresloze als in die bepalingen bedoeld geen mededeling zou hoeven te doen van zijn feitelijke verblijfplaats of dat deze anderszins zou zijn ontheven van de in artikel 17, eerste lid, WWB neergelegde inlichtingenverplichting.

2.11 Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter brengt het voorgaande met zich, dat verweerder vanuit een oogpunt van een goede toepassing van de WWB in redelijkheid van verzoeker, mede gelet op diens persoon en omstandigheden, mag verlangen dat hij, omdat hij adresloos is, tenminste de adressen/ slaapplekken vermeldt waar hij doorgaans de nachten doorbrengt. Uit de in en bij de WWB gestelde regels volgt dat deze gegevens nodig zijn om het recht op bijstand te kunnen vaststellen. Gegevens over de feitelijke verblijfplaats zijn dan ook relevante feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 17, eerste lid, WWB.

2.12 Vaststaat dat verweerder verzoeker bij brief van 20 september 2007 heeft verzocht om uiterlijk op 27 september 2007 een opgave te verstrekken van de feitelijke verblijfplaatsen of adressen waar verzoeker gedurende de drie maanden daaraan voorafgaand had verbleven. In deze brief heeft verweerder verzoeker er ook op gewezen, dat hij op grond van artikel 17 WWB verplicht is de gevraagde gegevens te verstrekken. Tevens staat vast dat verzoeker de gevraagde gegevens op 27 september 2007 nog niet had verstrekt. Hij heeft verweerder vervolgens op 3 oktober 2007 bericht geen verblijfsgegevens te kunnen of willen verstrekken. Gelet hierop heeft verweerder op 8 oktober 2007 in redelijkheid kunnen besluiten verzoekers uitkering per 27 september 2007 op te schorten.

2.13 Bij besluit van 8 oktober 2007 heeft verweerder verzoeker in de gelegenheid gesteld alsnog de benodigde gegevens te verstrekken, uiterlijk op 23 oktober 2007. Op 10 oktober 2007 heeft verzoeker een verklaring ingediend over plekken waar hij zou hebben verbleven. Met verweerder is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoeker hiermee niet aan zijn inlichtingenverplichting heeft voldaan, omdat de gegevens die verzoeker heeft vermeld niet controleer- of verifieerbaar zijn, te meer daar niet duidelijk is op welke data of periode deze betrekking hebben. Voorts staat vast dat verzoeker op 23 oktober 2007 nog altijd geen controleerbare gegevens over zijn feitelijke verblijfplaatsen aan verweerder had verstrekt. Hij heeft weliswaar op 29 oktober 2007 een nadere verklaring ingevuld en ingeleverd, maar ook van deze verklaring kan niet worden gezegd dat deze voor verweerder controleer- of verifieerbare gegevens bevat, aangezien verzoeker een aantal keren bepaalde wijken in Haarlem noemt in plaats van een straatnaam. Verweerder heeft zich naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dan ook terecht op het standpunt gesteld, dat verzoeker hiermee (eveneens) niet aan zijn inlichtingenverplichting heeft voldaan. De voorzieningenrechter merkt wel op dat voor een adresloze het buitengewoon moeilijk is om met terugwerkende kracht van drie maanden een overzicht te geven van de verblijfplaatsen en in het algemeen is voor deze personen het opleggen van een zodanige verplichting met een zodanige terugwerkende kracht te vergaand. Verzoeker heeft evenwel op geen enkele wijze een concreet inzicht gegeven in zijn verblijfplaatsen. Dat verweerder een te vergaande verplichting heeft opgelegd, is daarom niet beslissend. Gelet hierop heeft verweerder, naar voorlopig oordeel, in redelijkheid gebruik kunnen maken van zijn bevoegdheid de uitkering van verzoeker per 27 september 2007 in te trekken.

2.14 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat er geen aanleiding bestaat voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken daartoe dan ook af.

2.15 Voor een proceskostenveroordeling zijn geen termen aanwezig.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter

wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C.M. Rutten, voorzieningenrechter, en 9 januari 2008 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van

P.M. van der Pol, griffier.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.