Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BC5142

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
11-01-2008
Datum publicatie
26-02-2008
Zaaknummer
07-8478
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verzoeker heeft onjuiste informatie verschaft over zijn hoofdverblijf. Op grond hiervan heeft verweerder in redelijkheid kunnen besluiten verzoekers WWB-uitkering te beëindigen en de ten onrechte betaalde uitkering terug te vorderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 07 - 8478 WWB

Uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 januari 2008

in de zaak van:

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

gemachtigde: mr. J. Klaas, advocaat te Haarlem,

tegen:

het college van burgemeester en wethouders van Haarlem,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 september 2007 heeft verweerder besloten verzoekers uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) met ingang van 1 september 2007 te beëindigen, de uitkering over de periode 23 augustus 2007 tot en met 31 augustus 2007 in te trekken en de onverschuldigd betaalde bijstand ten bedrage van € 206,66 van verzoeker terug te vorderen. Dit, omdat verweerder van mening is dat verzoeker hem onjuiste informatie heeft verstrekt over verzoekers woonsituatie.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 24 september 2007 bezwaar gemaakt. Bij brief van 10 december 2007 heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 7 januari 2008, waar verzoeker in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. J. Klaas, en waar verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door drs. M.E. Zandbergen, werkzaam bij de gemeente Haarlem. Ook is een zoon van verzoeker ter zitting aanwezig.

2. Overwegingen

2.1 Verzoeker ontving van verweerder vanaf 24 februari 2006 een WWB-uitkering, naar de norm voor een alleenstaande. In september 2006 is verweerder een nader onderzoek gestart naar de woonsituatie van verzoeker. In het kader hiervan hebben medewerkers van verweerder observaties verricht, een buurtonderzoek gehouden en huisbezoeken afgelegd, zowel op het adres van verzoekers echtgenote [naam echtgenote] als op het adres dat verzoeker als zijn hoofdverblijf heeft opgegeven. Op grond van de uitkomsten van het onderzoek heeft verweerder het primaire besluit van 20 september 2007 genomen.

2.2 Verzoeker heeft op 17 oktober 2007 een nieuwe aanvraag om uitkering ingediend. Ook heeft hij verzocht om toekenning van voorschotten. Tot op heden heeft verweerder verzoeker geen voorschotten verstrekt.

2.3 Volgens verzoeker heeft hij een spoedeisend belang bij een voorlopige voorziening, omdat hij vanaf 1 september 2007 geen inkomsten meer heeft en in het kader van de nieuwe aanvraag geen voorschotten ontvangt. Verzoeker stelt zich voorts op het standpunt dat hij verweerder geen onjuiste informatie heeft verstrekt over zijn woonsituatie. Hij stelt zijn hoofdverblijf te hebben op het adres [adres] in [woonplaats]. Daar heeft verzoeker zijn persoonlijke bezittingen. Ook ontvangt hij daar zijn post. Ter zitting heeft verzoeker benadrukt dat hij officieel staat ingeschreven op het adres [adres]. Ook heeft hij gewezen op een huurcontract. Voorts twijfelt verzoeker aan de inhoud van de in het onderzoek door buurtbewoners afgelegde verklaringen, omdat de origineel opgetekende verklaringen in het dossier ontbreken.

2.4 Verweerder is van mening dat verzoeker onjuiste informatie heeft verstrekt over zijn woonsituatie, omdat uit onderzoek gebleken is, dat verzoeker niet zijn hoofdverblijf heeft op het adres [adres] te [woonplaats] en het vermoeden bestaat dat verzoeker niet gescheiden van zijn echtgenote leeft.

2.5 Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Daarbij gaat het om een afweging van belangen van de verzoekende partij bij een onverwijlde voorziening tegen het belang dat is gemoeid met onmiddellijke uitvoering van het besluit. Voor zover deze toetsing een beoordeling van de hoofdzaak meebrengt, is dat oordeel voorlopig van aard.

2.6 Ingevolge artikel 17, eerste lid, WWB doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op (onder meer) het recht op bijstand.

2.7 Artikel 54, derde lid, WWB luidt als volgt:

"3. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde ter zake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand en ter zake van weigering van bijstand, kan het college een dergelijk besluit herzien of intrekken:

a. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of de artikelen 28, tweede lid, en 29, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand;

b. indien anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

Ingevolge artikel 58, eerste lid, onder a, WWB kan het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend, de kosten van bijstand terugvorderen, voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

2.8 De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

2.9 Het geschil spitst zich vooralsnog toe op de vraag of verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten verzoekers WWB-uitkering met ingang van 1 september 2007 te beëindigen, de uitkering over de periode 23 tot en met 31 augustus 2007 in te trekken en de ten onrechte betaalde uitkering terug te vorderen.

2.10 Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt onder meer, dat verweerder reeds in 2006 het vermoeden had dat verzoeker niet zijn hoofdverblijf had op het adres [adres], maar veelvuldig verbleef bij zijn echtgenote [naam echtgenote]. Vanaf mei 2007 heeft verweerder hiernaar een nader onderzoek ingesteld. Dit onderzoek bestond deels uit een buurtonderzoek. In het kader hiervan hebben medewerkers van verweerder eind juni 2007 twee buurtbewoners gehoord die wonen in de [adres] in [woonplaats], in welke straat verzoekers echtgenote woonachtig is. Uit de verklaringen van de buurtbewoners blijkt onder meer dat op het adres van verzoekers echtgenote Turkse mensen (een man, een vrouw en een meisje) wonen en dat de (grijze) man er al zeker twee jaar woont. Beide buurtbewoners zien de man iedere dag. Voorts hebben medewerkers van verweerder een onderzoek ingesteld rond de woning aan de [adres], waar verzoeker zegt zijn hoofdverblijf te hebben. In het kader van dit onderzoek heeft verweerder een verklaring opgenomen van een bewoonster van deze woning. Zij heeft op 15 augustus 2007 verklaard dat zij verzoeker nooit heeft gezien, dat deze geen kamer huurt op het adres [adres] en daar ook niet woont. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van voormelde verklaringen.

2.11 Voorts blijkt uit de stukken dat medewerkers van verweerder onder meer op het adres [adres] een huisbezoek hebben afgelegd. Blijkens de rapportage over dit huisbezoek hebben de medewerkers van verweerder in de kamer die verzoeker zegt te bewonen geen schoenen, ondergoed, sokken, broeken of truien van verzoeker aangetroffen. Er hangt slechts een jas van hem. De kleding die wel wordt aangetroffen is kleding van verzoekers zoon. Verzoeker kon zijn was, die door zijn schoondochter zou zijn gewassen, niet tonen. Ook bevindt zich geen post van verzoeker in de kamer, met uitzondering van enkele bankafschriften.

2.12 Verzoeker en diens echtgenote zijn op 23 augustus 2007 door medewerkers van verweerder gehoord. Uit het verslag van deze gehoren blijkt dat beide verklaringen op een aantal relevante punten tegenstrijdig zijn. Zo zegt verzoeker dat zijn echtgenote nooit voor hem de was doet en dat er geen kleding van hem in haar woning aanwezig is, terwijl de echtgenote zegt dat zij af en toe de was voor verzoeker doet en dat er bij haar in de slaapkamer gewassen kleding van verzoeker heeft gehangen. Ook verklaart verzoekers echtgenote dat verzoeker, als hij langskomt, altijd mee-eet, terwijl verzoeker heeft verklaard dat hij nooit bij zijn echtgenote eet. Er bestaat verder geen duidelijkheid over de verschuldigde huur en voorts is niet gebleken dat verzoeker daadwerkelijk huur aan zijn zoon betaalt.

2.13 Op grond van voormelde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, is de voorzieningenrechter van oordeel, dat verweerder zich terecht en op goede gronden op het standpunt heeft gesteld, dat verzoeker niet zijn hoofdverblijf heeft op het adres [adres] en dat hij onjuiste informatie heeft verstrekt over zijn woonsituatie. Dit is in strijd met de in artikel 17 WWB neergelegde inlichtingenverplichting. De omstandigheid dat verzoeker op voormeld adres staat ingeschreven en voor de kamer die hij huurt een huurovereenkomst heeft gesloten met zijn zoon, maakt het voorgaande niet anders. Voor de beoordeling van de vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, is immers naar vaste rechtspraak uitsluitend de feitelijke woonsituatie doorslaggevend.

2.14 Het voorgaande leidt vooralsnog tot de conclusie, dat verweerder in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid verzoekers WWB-uitkering met ingang van 1 september 2007 te beëindigen, de uitkering over de periode 23 tot en met 31 augustus 2007 in te trekken en de ten onrechte betaalde uitkering terug te vorderen.

2.15 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daartoe dan ook af.

2.16 Voor een proceskostenveroordeling zijn geen termen aanwezig.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.C. Rutten, voorzieningenrechter, en op

11 januari 2008 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van

P.M. van der Pol, griffier.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.