Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BC5140

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
12-02-2008
Datum publicatie
26-02-2008
Zaaknummer
132187/07-429
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Omdat bij afwijzing van het verzoek van [BJZ] de beschikking op grond van art. 1: 336a lid 3 BW slechts een geldigheidsduur heeft van maximaal zes maanden, is de vraag aan de orde gekomen of BJA die formeel belast blijft met de voogdij, na afloop van deze termijn alsnog er toe zou kunnen overgaan [naam minderjarige] buiten het gezin van de pleegmoeder te plaatsen. Hoewel dit, nu de feitelijke uitvoering van de voogdij niet meer bij [BJZ] ligt, niet te verwachten is, hecht de pleegmoeder, naar ter zitting is gebleken, veel waarde aan een uitdrukkelijke intentieverklaring van [BJZ] op dit punt.

In het telefonisch contact dat de rechter na afloop van de behandeling heeft gehad met mevrouw [naam], werkbegeleider bij [BJZ] is namens deze stichting uitdrukkelijk verklaard dat er geen enkele intentie bestaat om na afloop van bedoelde termijn van zes maanden alsnog te verzoeken [naam minderjarige] in een neutrale setting te plaatsen. [BJZ] zou dit gelet op het advies van de Raad, waarmee de Stichting ter zitting heeft ingestemd, ook onjuist vinden naar [naam minderjarige] en de pleegmoeder. Door deze toezegging acht de rechtbank de continuering van de plaatsing van [naam minderjarige] bij pleegmoeder /oma voldoende gewaarborgd.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal het verzoek van [BJZ], tot het verkrijgen van vervangende toestemming ex artikel 1:336a lid 2 BW worden afgewezen.

De rechtbank zal voorts bepalen dat de voogdij over [naam minderjarige] namens [BJZ], zal worden uitgevoerd door Stichting Leger des Heils, afdeling Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, te Alkmaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Familie- en Jeugdrecht

Vervangende toestemming wijziging verblijfplaats voogdijpupil art. 1:336a lid 2 BW

zaak-/rekestnr.: 132187/2007-429

beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken d.d. 12 februari 2008

in de zaak van:

[Stichting Bureau Jeugdzorg],

gevestigd te [vestigingsplaats],

hierna mede te noemen: [BJZ],

--tegen--

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

hierna mede te noemen: de pleegmoeder,

procureur mr. M.J. van der Staaij.

1. Verloop van de procedure

1.1 Voor het verloop van de procedure verwijst de rechtbank naar de volgende stukken:

- de beschikking van deze rechtbank d.d. 8 mei 2007 en de daarin vermelde stukken;

- de dagbepalingsbeschikking van 3 september 2007;

en het verhandelde ter terechtzitting op 15 januari 2008 in aanwezigheid van [BJZ], vertegenwoordigd door [naam], de grootmoeder, bijgestaan door haar procureur, de Raad voor de Kinderbescherming vertegenwoordigd door [naam], Stichting Leger des Heils, afdeling Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, te Alkmaar, vertegenwoordigd door [naam].

1.2 De minderjarige is in raadkamer gehoord.

2. De verdere beoordeling

2.1 De moeder van [naam minderjarige], hoewel behoorlijk opgeroepen is niet ter zitting verschenen.

2.2 De Raad heeft op verzoek van de rechtbank onderzoek gedaan naar de vraag:

- of plaatsing van de minderjarige [naam minderjarige] buiten het gezin van de pleegmoeder op een neutrale plaats, zoals bedoeld door [BJZ], in het belang van de minderjarige is, en,

indien plaatsing van de minderjarige buiten het gezin van de pleegmoeder niet in het belang van [naam minderjarige] is:

- of het in het belang van [naam minderjarige] is dat de pleegmoeder in plaats van [BJZ] tot voogdes over de minderjarige wordt benoemd.

Ten aanzien van de plaatsing van [naam minderjarige] buiten het gezin van pleegmoeder

2.3 De Raad stelt in zijn rapport van [datum] dat het niet in het belang van [naam minderjarige] zou zijn om haar uit haar vertrouwde omgeving weg te halen. Pleegmoeder en [naam minderjarige] hebben een sterke band ontwikkeld en [naam minderjarige] is gehecht aan daar pleegmoeder, die haar oma is. Zij wonen al tien jaar bij elkaar en [naam minderjarige] beschouwt haar als “moeder”. Bij de Raad is de indruk ontstaan dat er geen sprake is van een onveilige thuissituatie en uit het onderzoek komt niet naar voren dat [naam minderjarige] te zeer belast wordt met de zorgen van pleegmoeder.

Ten aanzien van de benoeming van de pleegmoeder tot voogdes

2.4 De Raad stelt dat het niet in het belang van [naam minderjarige] is de pleegmoeder met de voogdij te belasten omdat begeleiding en ondersteuning van pleegmoeder/oma nog steeds noodzakelijk is. Door de samenwerkingsproblemen tussen de voogd en de pleegmoeder is deze hulpverlening en begeleiding onvoldoende van de grond gekomen. Wanneer de pleegmoeder met de voogdij zou worden belast, zou een ondertoezichtstelling van [naam minderjarige] noodzakelijk zijn omdat de Raad niet verwacht dat pleegmoeder in de toekomst vrijwillig ondersteuning en begeleiding zal inschakelen. De Raad stelt voorts dat het innerlijk tegenstrijdig zou zijn om pleegmoeder te belasten met de voogdij en daarnaast vanwege zorgen over de opvoedingssituatie een ondertoezichtstelling uit te spreken. Vanwege de moeizame verhouding tussen de pleegmoeder en haar dochter (de moeder van [naam minderjarige]) is het volgens de Raad ook beter dat een neutrale instantie de voogdij over [naam minderjarige] blijft uitoefenen. De Raad adviseert vanwege de samenwerkingsproblemen tussen pleegmoeder en [BJZ] om formeel de voogdij over [naam minderjarige] bij [BJZ], in stand te laten, maar de uitvoering bij een andere instantie neer te leggen, en wel de Stichting Leger des Heils, afdeling Jeugdbescherming en Jeugdreclassering. Deze zal dan namens [BJZ], de voogdij uitvoeren.

2.5 De vertegenwoordiger van [BJZ] heeft ter zitting verklaard dat [BJZ] instemt met het advies van de Raad voor de Kinderbescherming. De vertegenwoordiger van de stichting Leger des Heils, afdeling Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, te Alkmaar heeft ter zitting verklaard dat deze stichting bereid is de uitvoerende taak van de voogdij over [naam minderjarige] op zich te nemen.

2.6 Omdat bij afwijzing van het verzoek van [BJZ] de beschikking op grond van art. 1: 336a lid 3 BW slechts een geldigheidsduur heeft van maximaal zes maanden, is de vraag aan de orde gekomen of BJA die formeel belast blijft met de voogdij, na afloop van deze termijn alsnog er toe zou kunnen overgaan [naam minderjarige] buiten het gezin van de pleegmoeder te plaatsen. Hoewel dit, nu de feitelijke uitvoering van de voogdij niet meer bij [BJZ] ligt, niet te verwachten is, hecht de pleegmoeder, naar ter zitting is gebleken, veel waarde aan een uitdrukkelijke intentieverklaring van [BJZ] op dit punt.

In het telefonisch contact dat de rechter na afloop van de behandeling heeft gehad met mevrouw [naam], werkbegeleider bij [BJZ] is namens deze stichting uitdrukkelijk verklaard dat er geen enkele intentie bestaat om na afloop van bedoelde termijn van zes maanden alsnog te verzoeken [naam minderjarige] in een neutrale setting te plaatsen. [BJZ] zou dit gelet op het advies van de Raad, waarmee de Stichting ter zitting heeft ingestemd, ook onjuist vinden naar [naam minderjarige] en de pleegmoeder. Door deze toezegging acht de rechtbank de continuering van de plaatsing van [naam minderjarige] bij pleegmoeder /oma voldoende gewaarborgd.

2.7 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal het verzoek van [BJZ], tot het verkrijgen van vervangende toestemming ex artikel 1:336a lid 2 BW worden afgewezen.

De rechtbank zal voorts bepalen dat de voogdij over [naam minderjarige] namens [BJZ], zal worden uitgevoerd door Stichting Leger des Heils, afdeling Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, te Alkmaar.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 Wijst het verzoek af.

3.2 Bepaalt dat Stichting Leger des Heils, afdeling Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, te Alkmaar namens [BJZ], de voogdij over [naam minderjarige], geboren [geboortedatum] te [geboorteplaats], zal uitvoeren.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.G. Kok, en in het openbaar uitgesproken ter terechtzitting van 12 februari 2008, in tegenwoordigheid van M.P. Joukes als griffier.