Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BC5077

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
20-02-2008
Datum publicatie
25-02-2008
Zaaknummer
354329/CV EXPL 07-6996
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Burengeschil over 17 meter hoge bomen binnen twee meter van de erfgrens. Eiser vordert primair verwijdering en subsidiair uittoppen, snoeien en onderhoud tot op een hoogte van 10 meter. Eiser is in primaire vordering niet-ontvankelijk omdat deze is verjaard. De bomen zijn meer dan 20 jaar geleden geplant en er is geen stuitingshandeling in de zin der wet verricht voordat tot dagvaarding werd overgegaan.

De subsidiaire vordering wordt wel toegewezen, omdat de bomen veel licht wegnemen, blad en afval van de bomen in de tuin van eiser neerkomen en wortels van de bomen terrastegels in de tuin van eiser omhoog duwen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector kanton

Locatie Haarlem

zaak/rolnr.: 354329/CV EXPL 07-6996

datum uitspraak: 20 februari 2008

VONNIS VAN DE KANTONRECHTER

inzake

[eiser 1] en [eiser 2]

beiden te [woonplaats]

eisers

hierna gezamenlijk te noemen [eiser]

procederende in persoon

tegen

1. [gedaagde 1]

en

2. [gedaagde 2]

beiden te [woonplaats]

gedaagden

hierna gezamenlijk te noemen [gedaagde]

gemachtigde mr. L.R. van Vliet

De procedure

Voor de loop van het geding verwijst de kantonrechter naar de volgende stuk¬ken, waarvan de inhoud als hier ingevoegd is te beschouwen:

- het door de kantonrechter tussen partijen gewe¬zen en op 12 december 2007 uitgesproken tussenvonnis en de daarin vermelde stukken,

- de aantekeningen van de griffier van de ingevolge dat vonnis op 23 januari 2008 gehouden plaatsopneming.

De feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende betwist en/of op grond van de onweerspro¬ken inhoud van de overgelegde producties, alsmede op grond van de constateringen door de kantonrechter zoals gerelateerd in het proces-verbaal van de plaatsopneming, staat tussen partij¬en het volgende vast:

a. [eiser] is eigenaar van de woning aan de [adres] te [woonplaats].

b. [gedaagde] is eigenaar van de woning aan de [adres] te [woonplaats].

c. De tuin van de woning van [gedaagde] grenst aan de achterzijde aan de tuin van de woning van [eiser].

d. In de tuin van [gedaagde] bevinden zich 2 bomen, te weten: 2 Cuppresocypari Leylandii met een hoogte van ongeveer 17 meter (hierna: de twee bomen).

e. Een zeer hoog geplaatst raam van de woning van [eiser] op de eerste verdieping ziet in de richting van de tuin van [gedaagde]. De bomen nemen veel zicht vanuit dit raam weg.

f. De takken van de twee bomen hangen over ongeveer de halve tuin van de woning van [eiser] en de twee bomen nemen veel licht weg.

g. Het terras in de tuin van [eiser] is betegeld met tegels van 30 x 30 cm. Ongeveer zes rijen van zes tegels worden omhooggeduwd door de wortels van de twee bomen.

h. Bezien vanuit de tuin van [gedaagde] staan de twee bomen voor de ramen van twee van de appartementen die zich in gebouwen van drie verdiepingen bevinden rondom de woning en tuin van [gedaagde].

i. Het Onafhankelijk Boomtechnisch Advies bureau “De Linde” (hierna: O.B.T.A. de Linde) heeft op 22 november 2006 het volgende geschreven:

“De door u gestuurde boomkern van een Cupressocyparis leylandii genomen op ongeveer diameter borsthoogte is door O.B.T.A. de Linde beoordeeld op het aantal jaarringen. Het aantal jaarringen dat geteld is vanaf de kern tot aan de buitenkant bedraagt 18. Het is zeer aannemelijk dat de leeftijd van deze boom 2 tot 3 jaar ouder is. Indien de boomkern lager genomen wordt, zullen meerdere jaren zichtbaar zijn dan hoger in de boom omdat het onderste deel van de stam het oudst is en de top het jongst zijn daar meer jaarringen aanwezig. Gezien de groeisnelheid van de Cupressocyparis leylandii moet rekening worden gehouden dat dit 2 tot 3 jaar verschilt op dit hoogteniveau ten opzichte van het maaiveld.”

j. De bewoners van perceel [adres] hebben in een verklaring van 1 september 2007 het volgende verklaard:

“In 1976 zijn wij (…) in Beverwijk komen wonen.

(…)

Toen de jongelui op 24c kwamen wonen hebben ze de hele tuin opnieuw aangepland, dus ook de coniferen die er nu staan zijn zeker al 24 jaar geleden gepoot.”

k. De bewoners van perceel [adres] hebben in een verklaring van 25 september 2007 het volgende verklaard:

“(…) zijn wij sinds begin 1997 woonachtig op [adres] te Beverwijk.

Vanuit onze vorige woonsituatie weten wij dat er in de tuin van de fam. [gedaagde] rond 1993 twee coniferen met een hoogte van ca. 3 meter zijn ingeplant.

(…)”

l. IJmondGroen heeft op 25 september 2007 het volgende aan [eiser] geschreven:

“(…)

Deze bomen zijn ± 17 meter hoog (…).

(…)”

m. De vorige eigenaars van het huis en de tuin van [gedaagde] hebben op 17 oktober 2007 schriftelijk het volgende verklaard:

“Hierbij verklaren wij:

(…)

Dat wij vanaf 1981 tot 1993 het pand aan de [adres] in eigendom hadden.

Wij hebben daar in 1981 op eigen terrein een schutting geplaatst, en in maart 1982 naast de schutting, twee coniferen geplant, dit ter opluistering van onze tuin.

Toen wij het pand verkochten aan de familie [gedaagde], stonden deze bomen er nog steeds.

Dat wij laatst in de buurt waren (september 2007), hebben wij geconstateerd dat, deze twee coniferen er nog steeds staan, en dus de zelfde bomen zijn als die we in 1982 geplant hebben.

(…)”

n. O.B.T.A. de Linde heeft op 29 oktober 2007 het volgende aan [gedaagde] geschreven:

“(…)

In punt 7 wordt de jaarringanalyse die ik via BSI Bomenservice voor u heb uitgevoerd betwist. Volgens (…) worden jaarringen alleen horizontaal gevormd en niet verticaal.

Dat dit niet juist is, is te weerleggen doordat indien een boom alleen maar verticaal jaarringen zou vormen de boom geen hoogte groei zou kunnen realiseren.

(…)

Ieder jaar vormt een boom een nieuwe jaarring. Deze jaarring kan men zien als een nieuwe laag over de oude en deze groeit vanaf de top van de boom naar beneden. Bij het afzagen van een tak telt men minder jaarringen dan indien men de boom zelf doorzaagt.

Hoe lager men in de boom kijkt hoe meer ringen men aantreft omdat de boom daar het oudste is.

(…)

Het monster genomen in 2006 op diameter borsthoogte telt 18 jaarringen.

Afhankelijk van de groeisnelheid zullen er in de stamvoet meer jaarringen aanwezig zijn, 3 tot 5.

(…)”

De vordering

Ter wille van de leesbaarheid van dit vonnis herhaalt de kantonrechter hier wat in het vonnis van 12 december 2007 al was vermeld met betrekking tot de (grondslag van) de vordering.

[eiser] vordert dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

Primair:

1.a. [gedaagde] zal veroordelen om binnen 2 maanden na betekening van het vonnis de in het lichaam van de dagvaarding onder 3 en 4 omschreven bomen te verwijderen, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van €500,00 voor iedere dag dat [gedaagde] na ommekomst van voornoemde termijn hetgeen waartoe zij in het vonnis worden veroordeeld verzuimen;

Subsidiair:

1.b. [gedaagde] zal veroordelen na betekening van het vonnis aan de bomen als in het lichaam van de dagvaarding omschreven in de onderdelen 3 en 4 jaarlijks het onderhoud te verrichten, bestaand uit het snoeien van de bomen tot een hoogte van maximaal 10 meter, het verwijderen van alle over het erf van [eiser] hangende takken en het verwijderen van alle op het erf van [eiser] doorschietende wortels, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van €500,00 voor iedere dag dat [gedaagde] van deze verplichting in verzuim zijn;

en voorts:

2. [gedaagde] zal veroordelen in de proceskosten.

[eiser] heeft het volgende aan zijn vordering ten grond¬slag gelegd:

De twee bomen in de tuin van [gedaagde] zijn snelgroeiende coniferen. Zij staan binnen een af-stand van 2 meter van de grenslijn van het erf van [eiser]. De bomen zijn ongeveer 17 meter hoog en hebben een stam met een doorsnede van 40 à 50 cm.

[eiser] ondervindt veel last van deze bomen. De bomen staan aan de zuidkant van de tuin van [eiser] en ontnemen direct zonlicht aan de tuin en de woning van [eiser]. De takken hangen 3 à 4 meter over het erf van [eiser] heen. De boomwortels schieten door onder het erf van [eiser] als gevolg waarvan de tegels in de tuin van [eiser] omhoog worden gedrukt. In de zomer en de herfst verliezen de bomen dusdanig veel bladeren en takken dat [eiser] dit afval vrijwel dage-lijks moet verwijderen.

Het is algemeen bekend dat hoge bomen in een dicht bebouwde omgeving gevaar vormen. In geval van storm kunnen dergelijke bomen gemakkelijk takken verliezen of als gevolg van ziek-te en/of ouderdom zelfs omwaaien, met schade aan omliggende woningen en/of andere bouw-werken als gevolg. Ook deze gevaarzetting maakt het houden van de bomen onrechtmatig.

[gedaagde] handelt onrechtmatig door de bomen niet te verwijderen.

[eiser] is van mening dat zijn belang bij verwijdering zwaarder behoort te wegen dan het be-lang van [gedaagde] (bescherming van zijn privacy) bij behoud van de bomen.

De verwijdering leidt niet tot een inbreuk op het recht op privacy van [gedaagde].

In het geval de kantonrechter van mening is dat de primaire vordering behoort te worden afgewezen, verzoekt [eiser] subsidiair veroordeling van [gedaagde] tot het verrichten van regulier onderhoud in die zin dat de bomen jaarlijks tot een hoogte van maximaal 9 meter worden gesnoeid en alle op het erf van [eiser] overhangende takken en doorschietende wortels worden verwijderd, één en ander op kosten van [gedaagde].

Meer subsidiair verzoekt [eiser] de kantonrechter aan [gedaagde] de maatregelen op te leggen die hem in alle redelijkheid voorkomt, teneinde de onrechtmatige situatie te beëindigen.

Het verweer

[gedaagde] heeft het volgende tegen de vordering aangevoerd:

Met betrekking tot artikel 5:42 BW:

[gedaagde] ontkent niet dat de twee bomen binnen twee meter van de erfgrens staan. Hij stelt echter dat de rechtsvordering tot verwijdering van die bomen reeds is verjaard. De bomen staan volgens zijn stelling immers meer dan 20 jaar in zijn achtertuin en binnen die termijn is de verjaring van de vordering niet gestuit.

De twee bomen staan aantoonbaar beduidend langer dan 20 jaar op hun huidige plek, wat door meerdere verklaringen wordt ondersteund.

[gedaagde] biedt, indien noodzakelijk, bewijs aan van zijn stellingen ten aanzien van de planttijd van de twee bomen, in het bijzonder door:

• het laten verrichten van onderzoek door een boomdeskundige om de exacte leeftijd van de twee bomen te laten vaststellen,

• het horen van getuigen om meer informatie te verkrijgen over de aanplant van de twee bomen.

Met betrekking tot artikel 5:37 BW:

a. [gedaagde] bestrijdt dat hij op onrechtmatige wijze hinder toebrengt aan het erf van [eiser]. In 1995 werd [gedaagde] bekend met het feit dat de woningbouwvereniging de Kennemer Wooncombinatie voornemens was om een nieuwbouwproject te realiseren in de vorm van woonruimten die zouden bestaan uit meerdere bouwlagen.

Dit nieuwbouwproject grenst deels aan de achtertuin van [gedaagde]. Verschillende etages van het nieuwbouwproject bevatten vele ramen en balkons die uitkijken op de achtertuin van [gedaagde]. [gedaagde] vreesde voor een inbreuk op de tot dan toe genoten privacy in de achtertuin en een deel van zijn huis.

De Kennemer Wooncombinatie heeft als reactie meermalen aangegeven dat zij zich wilde verplichten dat de beplanting in de toekomst gehandhaafd kon blijven. Verder heeft zij verklaard dat zij de reeds aangeplante groenvoorziening zou gedogen en hieromtrent zou afzien van eventuele wettelijke rechten.

Na de realisatie van het nieuwbouwproject blijkt inbreuk op de privacy in de achtertuin en een deel van het huis van [gedaagde] ernstiger aangetast te zijn dan hij had kunnen vermoeden. Het enige kleine stukje beschutting in de tuin van [gedaagde] tegen de inkijk in zijn tuin en huis werd en wordt gevormd door de twee bomen.

b. [eiser] is in 1997 eigenaar geworden van zijn woning. De bomen hadden op dat moment al een zekere omvang en er was al sprake van enige overhangende takken, afval van bouwmateriaal en schaduw. [eiser] wist in welke situatie hij terechtkwam toen hij zijn woning kocht en betrok.

Het wonen in een compacte woonwijk zoals [eiser] en [gedaagde] doen, brengt bepaalde voordelen en nadelen met zich ten opzichte van het wonen op het uitgestrekte platteland. Men moet rekening met elkaar houden en dan vooral met de personen die huizen op aangrenzende percelen bewonen.

Van [eiser] mag worden verwacht dat hij enige mate van hinder duldt. Enige overhangende takken, als van het boommateriaal en schaduw is soms onvermijdelijk als men wil wonen in een dergelijk dicht behuisd stukje Nederland. Zeker na enig snoeiwerk en het uittoppen van de twee bomen zal de hinder van dien aard zijn dat [eiser] zich daar in redelijkheid niet tegen kan verweren.

c. [gedaagde] betwist dat de takken drie à vier meter over het erf van [eiser] hangen.

Wat het afvallend boommateriaal betreft, is niet altijd aan te tonen welk organische materie van de twee bomen afkomstig is en welke niet.

d. [gedaagde] betwist dat de bomen 17 meter hoog zijn.

e. Het zijn voorts niet feitelijk de twee bomen die het zonlicht voor een deel van de dag gedeeltelijk tegenhouden. De kap van die bomen heeft voor [eiser] dan ook niet het effect dat hij lijkt te willen bereiken, namelijk een nagenoeg schaduwvrije tuin.

f. Van enig potentieel gevaar dat wordt veroorzaakt door de twee bomen is geen sprake. Dat de bomen op enigerlei wijze ziek of oud zouden zijn, is niet gebleken. Zij leveren geen extra gevaar op ten opzichte van andere bomen. Bij een eventuele storm zullen de bomen geen groter gevaar zijn dan verwacht kan en mag worden.

[gedaagde] wil de bomen uittoppen, de wortels verwijderen en de overhangende takken snoeien. [gedaagde] is bereid dit onderhoud aan de bomen ook in de toekomst te plegen, één en ander onder de voorwaarde dat de gezondheid van de bomen niet in gevaar komt en het stukje privacy dat de bomen geven in de tuin en de woning van [gedaagde] gewaarborgd blijft.

De beoordeling van het geschil

De primaire grondslag, artikel 5:42 BW

1. De primaire vordering is erop gebaseerd dat de twee bomen zich, in strijd met artikel 5:42 BW, binnen een afstand van twee meter met de erfgrens bevinden.

2. [gedaagde] heeft zich op verjaring beroepen, zodat de kantonrechter daar eerst op in zal moeten gaan.

3. Onvoldoende gesteld of gebleken is dat sprake is geweest van een daad van rechtsvervolging en/of aanmaning en/of mededeling, één en ander in de vorm zoals voorgeschreven in de artikelen 3:316 en 3:317 BW, voorafgaande aan het uitbrengen van de dagvaarding in deze zaak, te weten: 30 juli 2007. Laatstgenoemde datum is dus maatgevend bij de beantwoording van de vraag of binnen de termijn van 20 jaar is gedagvaard.

4. Bij de bepaling van de aanvang van de verjaringstermijn moet voorts worden uitgegaan van het tijdstip/jaar waarop/waarin de twee bomen zijn geplant.

5. Nu [gedaagde] zich op de rechtsgevolgen beroept van zijn stelling dat de bomen er al langer dan 20 jaar staan, zal hij op grond van artikel 150 Rv bewijs moeten leveren van de ouderdom van de bomen, nu uit enige bijzondere regel of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid geen andere verdeling van de bewijslast voortvloeit.

6. [gedaagde] heeft zich beroepen op de bevindingen van O.B.T.A. de Linde en de schriftelijke verklaringen van de vorige eigenaar van het huis en de tuin van [gedaagde] en van de bewoners van het perceel [adres].

7. De kantonrechter acht op grond van deze stukken/verklaringen het bewijs geleverd dat de bomen op 30 juli 2007 al langer dan 20 jaar in de tuin van [gedaagde] stonden.

8. [eiser] kan dat bewijs uiteraard ontzenuwen door daartoe zijnerzijds feiten en/of omstandigheden te stellen. [eiser] heeft zich in dat verband beroepen op de verklaring van de bewoners van perceel [adres].

De kantonrechter is echter van oordeel dat die verklaring, mede in het licht van wat O.B.T.A. de Linde heeft geconstateerd, onvoldoende overtuigend is om het bewijs zoals dit door [gedaagde] is aangevoerd te ontzenuwen.

9. De kantonrechter gaat er daarom op grond van het vorenstaande van uit dat de bomen ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding al langer dan 20 jaar geleden waren geplant.

10. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het beroep op verjaring slaagt. Dat brengt met zich dat [eiser] in zijn primaire vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

De subsidiaire grondslag artikel 5:37 BW

11. [gedaagde] kan zich jegens [eiser] niet beroepen op de afspraak met de Kennemer Wooncombinatie nu gebleken is dat deze afspraak niet op de wettelijk voorgeschreven wijze in de openbare registers is ingeschreven.

12. Tegenover het feit dat [eiser] enige hinder zal moeten dulden, zoals door [gedaagde] terecht is aangevoerd, geldt dat ook [gedaagde] rekening moet houden met de wijzigingen die zich in de loop der jaren in de bebouwing voordoen of hebben voorgedaan. Die wijzigingen kunnen met zich brengen dat [gedaagde] in zekere mate beperkt wordt in zijn eigendomsrechten en/of zijn recht op privacy. Het komt daarbij neer op een afweging van de wederzijdse belangen.

13. De kantonrechter heeft kunnen waarnemen dat de takken van de twee bomen over de helft van de tuin van de woning van [eiser] hangen en dat de bomen veel licht wegnemen.

14. De hoogte van ongeveer 17 meter wordt bevestigd door de bevinding van IJmondGroen. Bovendien dient hier te gelden dat de bomen in ieder geval hoger zijn dan 10 meter, de hoogte die [eiser] blijkens de formulering van zijn subsidiaire vordering bereid is te accepteren.

15. Dat de bomen ziek zijn en/of gevaar opleveren is onvoldoende gebleken.

16. De kantonrechter is wel van oordeel dat de bomen dermate hinder opleveren voor [eiser] dat de subsidiaire vordering kan worden toegewezen. De bomen nemen immers veel licht weg, het afval van de bomen komt terecht in de tuin van [eiser] en de wortels van de bomen duwen de tegels in de tuin van [eiser] omhoog. Gezien de beperkte omvang van de tuin van [eiser] vindt dat opduwen over een relatief groot gebied plaats.

17. [gedaagde] is bereid de bomen te doen uittoppen, snoeien en regelmatig onderhoud te doen plegen.

18. De kantonrechter is van oordeel dat het belang van [gedaagde] bij privacy voldoende wordt gewaarborgd door de (door [eiser] kennelijk geaccepteerde) hoogte van 10 meter van de bomen. De subsidiaire vordering zal daarom worden toegewezen als gevorderd.

19. De kantonrechter acht termen aanwezig aan de veroordeling een dwangsom te verbinden tot het hieronder te vermelden maximum.

20. Partijen worden over en weer in het ongelijk gesteld. De proceskosten zullen daarom worden gecompenseerd.

Beslissing

De kantonrechter:

Verklaar [eiser] niet-ontvankelijk in zijn primaire vordering.

Veroordeelt [gedaagde] na betekening van het vonnis aan de bovengenoemde bomen jaarlijks het onderhoud te verrichten, bestaande uit het snoeien van de bomen tot een hoogte van maximaal 10 meter, het verwijderen van alle over het erf van [eiser] hangende takken en het verwijderen van alle op het erf van [eiser] doorschietende wortels, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van €500,00 voor iedere dag dat [gedaagde] nalaat aan deze veroordeling te voldoen, met bepaling dat boven een bedrag van €10.000,00 geen dwangsommen meer verschuldigd zullen zijn.

Bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voor¬raad.

Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.J.P. Veenhof en uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum.