Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BC5024

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
29-01-2008
Datum publicatie
07-03-2008
Zaaknummer
06/5546
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2008:BG5513, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omzetbelasting. Artikel 33, eerste lid, van de Wet OB laat niet toe dat een verzoek om teruggaaf wordt gedaan bij de aangifte over een ander tijdvak dan dat waarin het recht op teruggaaf is ontstaan. Eiseres heeft het verzoek om teruggaaf te laat ingediend. Verweerder heeft eiseres ten onrechte ontvankelijk verklaard in haar verzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2008/516
FutD 2008-0527
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/5546

Uitspraakdatum: 29 januari 2008

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

X, gevestigd te Z, eiseres,

en

P, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Eiseres heeft op 26 mei 2005 een verzoek om teruggaaf van omzetbelasting ingediend voor een bedrag van f. 606.997. Verweerder heeft het verzoek op 29 juni 2005 afgewezen.

1.2. Verweerder heeft na daartegen gemaakt bezwaar bij uitspraak op bezwaar van 1 april 2006 een teruggaaf verleend van € 39.207.

1.3. Eiseres heeft daartegen bij brief van 27 april 2006, ontvangen bij de rechtbank op 1 mei 2006, beroep ingesteld.

1.4. Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 januari 2008 te Haarlem. Namens eiseres is verschenen haar directeur en enig aandeelhouder, A. Namens verweerder is zonder bericht niemand verschenen.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Eiseres is opgericht op 18 april 2000 en heeft als activiteiten de productie, exploitatie en distributie van films. Voor deze activiteiten is eiseres ondernemer als bedoeld in artikel 7 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (de Wet OB).

2.2. Tot de gedingstukken behoren kopieën van facturen van eiseres aan B B.V. van verschillende data in de periode september tot en met december 2000, met verschillende omschrijvingen. Op deze facturen is 17,5 procent omzetbelasting in rekening gebracht.

2.3. Tot de gedingstukken behoort een kopie van het overzicht debiteuren van eiseres van 2001. Het overzicht bevat zestien facturen die eiseres heeft uitgereikt aan B B.V. in de periode 19 februari tot en met 16 juli 2001. De kolom “BTW” vermeldt een totaalbedrag van f. 632.943,17.

2.4. Tot de gedingstukken behoort een kopie van de aangifte omzetbelasting over het tweede kwartaal van 2001 ten name van eiseres. Deze aangifte vermeldt in rubriek 1a, in de rechterkolom, een bedrag van f. 606.997, zijnde de verschuldigde belasting naar het algemene tarief. Het bedrag in rubriek 5g is f. 605.825, zijnde de te betalen belasting na aftrek van voorbelasting. Eiseres heeft dit saldo niet voldaan. Verweerder heeft dit bedrag in augustus 2001 nageheven. Eiseres heeft de naheffingsaanslag niet betaald.

2.5. Verweerder heeft op 17 oktober 2003 naar aanleiding van een boekenonderzoek aan eiseres een teruggaaf verleend van € 311.081 omdat B B.V. een aantal facturen uit 2001 niet aan eiseres had voldaan. In deze teruggaaf zijn ook twee andere correcties begrepen.

2.6. Verweerder heeft op 18 oktober 2003 naar aanleiding van het onder 2.5. bedoelde boekenonderzoek een naheffingsaanslag opgelegd voor het jaar 2000 naar een bedrag van

€ 289.817.

2.7. De ontvanger heeft de teruggaafbeschikking verrekend met openstaande aanslagen. Eiseres heeft het openstaande verschil niet betaald.

2.8. B B.V. heeft de op de onder 2.2. bedoelde facturen vermelde omzetbelasting niet betaald. Eiseres heeft de op deze facturen vermelde nettobedragen ontvangen en deze aangewend voor de aanschaf van schepen voor de voorgenomen productie van de film “B”. Deze film is niet geproduceerd.

2.9. B B.V. is medio 2001 failliet verklaard.

2.10. Eiseres heeft op 26 mei 2005 op grond van artikel 29 van de Wet OB een verzoek om teruggaaf van omzetbelasting ingediend voor een bedrag van f. 606.997, zijnde de omzetbelasting op de facturen aan B B.V. uit het jaar 2000. Eiseres heeft aangegeven dat de omzetbelasting ten onrechte op de facturen was vermeld, omdat de nettobedragen leningen waren die B B.V. aan eiseres had verstrekt.

2.11. Tot de gedingstukken behoort een kopie van een ongedateerde, door de directeur van eiseres ondertekende en bij verweerder op 6 maart 2006 ontvangen brief, waarin, voor zover van belang, het volgende is opgenomen:

“Naar aanleiding van uw verzoek om opheldering inzake het bezwaar van X betreffende de aanslag omzetbelasting deel ik u voor de volledigheid nogmaals mee dat het bezwaar zich richt tegen de aanslag voor het jaar 2000.

Zoals wij hebben aangetoond is de betaling van B BV een lening waar geen BTW op verschuldigd was en ook niet is betaald.

Deze lening staat nog open en is niet afgeboekt tegen de facturen die in 2001 door ons B BV zijn verstuurd. Deze waren slechts verzonden in veband met het opstellen van de crediteurenlijst van B BV.”

2.12. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar teruggaaf verleend van de omzetbelasting begrepen in het niet-ontvangen deel van de vergoeding, zijnde € 39.207. Deze teruggaaf is verrekend met de openstaande aanslag voor 2001.

3. Geschil

3.1. In geschil is of eiseres recht heeft op een teruggaaf van omzetbelasting en, indien deze vraag bevestigend dient te worden beantwoord, voor welk bedrag.

3.2. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en verlening van een teruggaaf.

3.3. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

3.4. Voor de standpunten van partijen verwijst de rechtbank naar de gedingstukken en naar het aangehechte proces-verbaal van de zitting.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Artikel 6:7 van de Awb bepaalt dat de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift zes weken bedraagt. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift vangt aan met ingang van de dag na die van de dagtekening van een aanslagbiljet, tenzij de dag van de dagtekening is gelegen vóór de dag van de bekendmaking daarvan (artikel 22j, aanhef en onder a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen). Een na afloop van de termijn ingediend bezwaar is niet-ontvankelijk. Indien en voor zover eiseres met haar brief van 26 mei 2005 bezwaar heeft willen maken tegen de onder 2.6. genoemde naheffingsaanslag, is het bezwaar te laat ingediend. De rechtbank komt derhalve niet toe aan een beoordeling van de juistheid van deze naheffingsaanslag.

4.2. Verweerder heeft de brief van 26 mei 2005 aangemerkt als een verzoek om teruggaaf op grond van artikel 29 van de Wet OB. De rechtbank zal daarom dit verzoek beoordelen, te beginnen met de ontvankelijkheid daarvan.

4.3. Artikel 29 van de Wet OB bepaalt dat op verzoek teruggaaf wordt verleend van de belasting ter zake van leveringen en diensten, voor zover de vergoeding:

a. niet is en niet zal worden ontvangen;

b. wordt terugbetaald omdat een vermindering van de vergoeding is verleend of omdat de goederen in ongebruikte staat zijn teruggenomen.

4.4. Het recht op teruggaaf wordt geacht te zijn ontstaan op het tijdstip waarop redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de voldoening door de schuldenaar achterwege zal blijven. Uit de gedingstukken leidt de rechtbank af dat het recht op teruggaaf in de onderhavige zaak is ontstaan geruime tijd vóór het tijdstip waarop eiseres het verzoek heeft ingediend, namelijk bij de faillietverklaring van B B.V., medio 2001. Gelijk de Hoge Raad heeft overwogen in zijn arrest van 4 september 1991, BNB 1991/315, laat artikel 33, eerste lid, van de Wet OB niet toe dat een verzoek om teruggaaf wordt gedaan bij de aangifte over een ander tijdvak dan dat waarin het recht op teruggaaf is ontstaan. Uit het vorenoverwogene volgt dat eiseres het verzoek om teruggaaf te laat heeft ingediend. Verweerder heeft eiseres ten onrechte ontvankelijk verklaard in haar verzoek. De uitspraak op bezwaar moet daarom worden vernietigd. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal doen wat verweerder had moeten doen en eiseres alsnog niet-ontvankelijk verklaren in haar verzoek. De rechtbank komt niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek. Ten overvloede wijst de rechtbank erop, dat ingeval het verzoek tijdig was ingediend, het evenmin tot een teruggaaf had kunnen leiden. Omzetbelasting komt slechts op grond van artikel 29 van de Wet OB voor teruggaaf in aanmerking, indien zij is betaald. Nu eiseres de naheffingsaanslag voor het jaar 2000 niet heeft betaald, komt haar geen beroep toe op artikel 29 van de Wet OB.

Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- verklaart eiseres niet-ontvankelijk in haar verzoek;

- gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiseres betaalde griffierecht van € 281 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 29 januari 2008 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. A. van Dongen, voorzitter, mr. A.J. Roke en mr. L.G. Jobse, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.H.W. Verdegaal, griffier en mr. C.J. Hummel, gerechtsauditeur.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.