Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BC4807

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
21-02-2008
Datum publicatie
29-02-2008
Zaaknummer
07/5482
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vereiste aangifte niet gedaan. Omkering van de bewijslast. Redelijke schatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2008-0521
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 07/5482

Uitspraakdatum: 21 februari 2008

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

X, gevestigd te Z, eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst te P, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Met dagtekening 27 augustus 2005 heeft verweerder aan eiseres (ambtshalve) over het jaar 2003 een aanslag vennootschapsbelasting (hierna: vbp) opgelegd, berekend naar een belastbaar bedrag van € 5.000.

1.2 Namens eiseres is bij brief van 27 september 2005 aangifte vpb gedaan voor het jaar 2003. Verweerder heeft de aangifte vpb 2003 in behandeling genomen als bezwaarschrift tegen de reeds opgelegde aanslag vpb 2003.

1.3 Bij uitspraak van 28 juni 2007 heeft verweerder het bezwaar afgewezen en de aanslag gehandhaafd. Tegen deze uitspraak is namens eiseres een op 8 augustus 2007 gedagtekend beroepschrift ingediend dat de rechtbank op 9 augustus 2007 heeft ontvangen.

1.4 Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.5 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 februari 2008 te Haarlem. Eiseres is, met bericht van afwezigheid, niet verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door Y.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1 Eiseres is opgericht op 30 maart 2001 en vormt sinds 25 juni 2002 een fiscale eenheid met A BV. In 2003 was mevrouw B (hierna: B) directrice van eiseres.

2.2 Per brief van 23 juni 2005 heeft verweerder een herhaald verzoek gedaan aan eiseres tot het doen van aangifte vpb 2003. Vervolgens heeft verweerder de aanslag vpb 2003 vastgesteld naar een geschat belastbaar bedrag van € 5.000.

2.3 Eiseres heeft in de aangifte vpb 2003 een belastbaar bedrag van € 59.529 negatief aangegeven.

2.4 In de periode maart 2006-maart 2007 heeft verweerder meermalen toelichting en onderbouwing gevraagd op in de aangifte en de daarbij gevoegde jaarrekening opgenomen representatiekosten, reis- en verblijfkosten, pensioenlasten, en buitengewone baten/lasten.

2.5 B is op 17 juli 2006 overleden.

3. Geschil

In geschil is het antwoord op de vraag of de (ambtshalve) aanslag al dan niet naar een te hoog belastbaar bedrag is vastgesteld. Voor de standpunten van partijen verwijst de rechtbank naar de stukken van het geding. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag vpb 2003 tot een berekend naar een belastbaar bedrag van € 59.529 negatief. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1 Verweerder heeft het belastbare bedrag ambtshalve vastgesteld op € 5.000. Ambtshalve vaststelling van de winst dient verweerder te baseren op een redelijke schatting. Verweerder dient daartoe de nodige feiten te stellen en bij betwisting de schatting aannemelijk te maken (Hoge Raad 28 maart 2003, nr. 38.090, BNB 2003/203*). Dienaangaande overweegt de rechtbank het volgende.

4.2 Ter zitting heeft verweerder verklaard dat eiseres voor het jaar 2002 een belastbare winst van zo’n € 100.000 had. Een belastbaar bedrag van € 5000 achtte verweerder mede tegen die achtergrond niet onredelijk hoog. Voorts heeft verweerder aangevoerd dat de aangifte die eiseres na de ambtshalve aanslag heeft gedaan naar een belastbaar bedrag van € 59.529 negatief hem er in bezwaar niet van heeft overtuigd dat de schatting te hoog is, omdat er zo’n € 40.000 aan privébetalingen in de aangifte en jaarrekening is opgevoerd onder de post reis- en verblijfkosten waarvan de zakelijkheid niet is aangetoond, dat eiseres zo’n € 18.000 aan representatiekosten heeft opgevoerd die ook niet aannemelijk zijn gemaakt en dat er een pensioenlast van € 49.459 is opgevoerd die evenmin aannemelijk is gemaakt. Voorts is een post buitengewone resultaten opgevoerd van circa € 44.000 waarvan ook een onderbouwing ontbreekt. Naar de mening van verweerder zou op grond van deze gegevens voor het jaar 2003 ten minste uitgegaan kunnen worden van een belastbaar bedrag van zo’n € 50.000 zodat een belastbaar bedrag van € 5.000 eerder aan de lage dan aan de hoge kant is.

4.3 Op voorhand ziet de rechtbank gelet op deze onderbouwing door verweerder geen grond de schatting van het belastbaar bedrag op ten minste € 5000 onredelijk hoog te achten. Dat verweerder ondertussen over de jaren 2003 en 2004 (ook) een boekenonderzoek heeft geëntameerd, dat nog niet is afgerond, doet aan de redelijkheid van de schatting niet af.

4.4 Verweerder heeft aan eiseres een aangiftebiljet vpb 2003 toegezonden. Ondanks daartoe te zijn aangemaand heeft eiseres binnen de gestelde termijn de aangifte niet ingediend. Nu de vereiste aangifte niet is gedaan – dit is tussen partijen niet in geschil – dient de rechtbank op grond van artikel 27e, letter a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen het beroep ongegrond te verklaren, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is. Het is derhalve aan eiser om te doen blijken dat de aanslag naar een te hoog belastbaar bedrag is vastgesteld.

4.5 Nu eiseres dient aan te tonen dat en op welke punten het belastbaar bedrag te hoog is vastgesteld, kan zij niet, onder verwijzing naar de jaarrekening, volstaan met het enkel stellen dat er een pensioenlast is en dat er diverse kosten zijn zonder deze stellingen tegenover de gemotiveerde betwisting door verweerder met bewijsstukken nader te onderbouwen. In de correspondentie in de periode maart 2006-maart 2007 heeft verweerder er voorts terecht op gewezen dat van de door verweerder aangeduide, onder 2.4 en 4.2 genoemde lasten/kostenposten een toereikende onderbouwing ontbreekt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres met hetgeen zij in bezwaar en beroep, zonder nadere bewijsmiddelen, stelt dan ook geenszins aangetoond dat de aanslag vpb 2003 tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Anders dan eiseres kennelijk nog bedoeld heeft aan te voeren, was er voorts geen noodzaak voor verweerder om de uitkomst van het boekenonderzoek af te wachten, omdat eiseres de onjuistheid van de aanslag niet had aangetoond.

4.6 Gelet op het voorgaande heeft verweerder, door uit te gaan van een belastbaar bedrag van € 5.000, geenszins onredelijk gehandeld bij het vaststellen van de aanslag en is de aanslag niet naar een te hoog belastbaar bedrag vastgesteld.

4.7 Uit het voorgaande volgt dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

4.8 Ten overvloede wijst de rechtbank er op, dat verweerder ter zitting heeft toegezegd tot ambtshalve vermindering te zullen overgaan indien uit het boekenonderzoek alsnog mocht blijken dat de aanslag over het jaar 2003 naar een te hoog belastbaar bedrag is vastgesteld.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 21 februari 2008 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. R.H.M. Bruin, voorzitter, en mrs. J. Snitker en J.H. Hoekstra, leden van de meervoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.T. van Arnhem, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.