Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BC4550

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
13-02-2008
Datum publicatie
18-02-2008
Zaaknummer
352430 CV EXPL 07-6271
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Werkneemster beschikt over een door de werkgever beschikbaar gestelde leaseauto. De partner van de werkneemster neemt deze auto 's morgens vroeg mee, zonder dat de werkneemster daarvan afweet. De partner overkomt een ongeval en de auto is total loss. Bloedonderzoek heeft uitgewezen dat bij de partner sprake was van (licht) cannabisgebruik. Werkgever spreekt nu werkneemster aan op grond van primair 6:162 BW, subsidiair 7:661 BW en meer-subsidiair 7:611 BW. De werkgever verwijt de werkneemster dat zij de sleutels van de auto op een plek heeft laten liggen waar haar partner deze kon pakken.

Kantonrechter wijst de vordering af. Hij is van oordeel dat geen sprake is van een onrechtmatige gedraging. Gesteld noch gebleken is dat werkneemster op de hoogte was van het cannabisgebruik of dat de partner eerder ter zake met de politie in aanraking was gekomen. Er rustte op de werkneemster geen plicht om de sleutels op een afgesloten plek op te bergen.

Artikel 7:661 BW mist toepassing omdat het hier niet ging om schade die in de uitvoering van de arbeidsovereenkomst is veroorzaakt.

Ook geen aansprakelijkheid op grond van artikel 7:611 BW aangenomen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 611
Burgerlijk Wetboek Boek 7 661
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAR 2008, 60
JA 2008/65
JAR 2008/119
AR-Updates.nl 2008-0126
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector kanton

Locatie Haarlem

zaak/rolnr.: 352430/CV EXPL 07-6271

datum uitspraak: 13 februari 2008

VONNIS VAN DE KANTONRECHTER

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Personal Car Lease B.V.

te Amsterdam

eisende partij

hierna te noemen PCL

gemachtigde mr. M. Jakobs-Hiemstra

tegen

[gedaagde]

te [woonplaats]

gedaagde partij

hierna te noemen [gedaagde]

gemachtigde H. Terhoeven

De procedure

Voor de loop van het geding verwijst de kantonrechter naar de volgende stuk¬ken, waarvan de inhoud als hier ingevoegd is te beschouwen:

- de dagvaarding van 19 maart 2007, met producties,

- de conclusie van antwoord,

- de door de kantonrechter tussen partijen gegeven en op 26 september 2007 uitgesproken rolbeschikking,

- de conclusie van repliek, tevens aanvulling van gronden, met producties,

- de conclusie van dupliek, tevens houdende bezwaar tegen de aanvulling van gronden.

De kantonrechter staat de aanvulling van gronden toe. Op grond van het bepaalde bij artikel 130 Rv is het PCL toegestaan zolang nog geen eindvonnis is gewezen om de gronden van de eis schriftelijk te veranderen, tenzij die verandering in strijd is met de eisen van een goede procesorde. Gelet op het feit dat [gedaagde] in de gelegenheid is geweest zich ook inhoudelijk te verweren tegen de aangevulde grondslag van de vordering is de kantonrechter van oordeel dat geen sprake is van strijd met een goede procesorde.

De feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende betwist en/of op grond van de onweerspro¬ken inhoud van de overgelegde producties, staat tussen partij¬en het volgende vast:

a. [gedaagde] is van 1 april 2000 tot 1 januari 2007 in dienstbetrekking werkzaam geweest bij PCL.

b. Ten behoeve van de uitoefening van haar werkzaamheden was aan [gedaagde] door PCL een leaseauto ter beschikking gesteld.

c. Op 24 november 2006 heeft de partner van [gedaagde] de sleutels van de leaseauto gepakt en is hij met de auto gaan rijden. Die partner is die dag omstreeks 07.30 uur met de leaseauto een ongeval overkomen, waardoor die auto totall loss is geraakt.

d. De totale schade van €17.432,00 die door PCL ten gevolge van dat ongeval is geleden, wordt door de verzekeraar niet vergoed.

e. PCL hanteert een “Lease-autoregeling PCL” (hierna: de leaseautoregeling) waarin onder meer het volgende is opgenomen:

“Het is de werknemer uitdrukkelijk verboden de auto te vervreemden, te belenen, te verpanden, te verhuren, in onderhuur te geven, personen tegen betaling te vervoeren, te gebruiken voor het geven van rijlessen of te gebruiken voor deelname aan wedstrijden of rally's waarbij snelheid een rol speelt of de auto te laten besturen door andere personen dan leden van het eigen gezin (duurzame huishouding) zonder dat de werknemer in de auto zit. In geval de leaseauto wordt bestuurd door leden van het gezin of werknemers van de werkgever is het niet absoluut noodzakelijk dat de berijder hierbij aanwezig is.”

f. In de leaseautoregeling wordt “berijder” gedefinieerd als de werknemer aan wie de leaseauto ter beschikking is gesteld.

g. In het kader van het onderzoek naar de oorzaken van het bovengenoemde ongeval is het bloed onderzocht van de partner van [gedaagde].

h. Uit de resultaten van dat bloedonderzoek kan worden geconcludeerd dat de partner van [gedaagde] een cannabisproduct heeft gebruikt en dat kan worden geconcludeerd dat ten tijde van de bloedafname de rijvaardigheid mogelijk negatief beïnvloed was.

De vordering

PCL vordert dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] zal veroordelen om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan PCL te voldoen:

I. €17.432,00, althans een zodanig bedrag als de kantonrechter in goede justitie zal vermenen te behoren;

II. de wettelijke rente over het onder I. genoemde bedrag, te rekenen vanaf de dag der dagvaarding, subsidiair vanaf de dag nadat twee dagen na betekening van dit vonnis zijn verstreken, tot aan de dag der algehele voldoening;

III. €750,00 wegens buitengerechtelijke incassokosten;

IV. de kosten van de procedure en van eventuele executie, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten vanaf de 15e dag na de dag van de uitspraak.

PCL heeft het volgende aan haar vordering ten grond¬slag gelegd:

Daar het hier een ongeval blijkt te betreffen dat zich heeft voorgedaan niet bij de uitvoering van de arbeidsovereenkomst, namelijk een ongeval buiten werktijd veroorzaakt door de partner van [gedaagde], stelt PCL zich primair op het standpunt dat artikel 7:661 BW niet op deze situatie van toepassing is.

Primaire grondslag:

[gedaagde] is dan ook gewoon aansprakelijk jegens PCL voor de door haar toedoen ontstane scha-de aan de leaseauto en wel op grond van onrechtmatige daad.

Er is sprake van een onrechtmatige daad nu [gedaagde] in strijd heeft gehandeld met de op haar rustende verplichting inzake goed werknemerschap, omdat zij voor haar partner de mogelijk-heid heeft geschapen de autosleutels weg te nemen en daarmee de auto te gebruiken. [gedaagde] heeft bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat haar partner dan wel een willekeurige andere derde die zich in haar woning bevond, de sleutels kon pakken en de auto kon wegnemen. De schade die hieruit volgt aan de auto komt dan ook voor haar rekening en risico. Daarnaast dient de handelwijze van [gedaagde] krachtens in het verkeer geldende opvattingen voor haar rekening te komen. Indien de kantonrechter van mening mocht zijn dat de leaseautoregeling niet zou gelden, dan had [gedaagde] de auto niet zonder voorafgaande toestemming van PCL aan een ander ter beschikking mogen stellen. [gedaagde] had als goed werknemer er voor dienen en moeten zor-gen dat niemand anders, behoudens voorafgaande toestemming van PCL, met de auto kon rij-den. Nu dit toch is gebeurd, met alle gevolgen van dien, dient de ontstane schade volledig voor rekening en risico van [gedaagde] te komen.

Subsidiaire grondslag:

Voor zover de kantonrechter van mening is dat deze kwestie toch onder het bereik van artikel 7:661 BW valt, handhaaft PCL subsidiair haar vordering zoals ingesteld bij inleidende dag-vaarding.

In dat geval is PCL van mening dat sprake is van opzet dan wel bewuste roekeloosheid aan de zijde van [gedaagde].

Indien de leaseautoregeling niet van toepassing is, is het [gedaagde] niet toegestaan om zonder voorafgaande verkregen toestemming van PCL de auto aan een derde ter beschikking te stellen. Hieronder valt ook de situatie dat [gedaagde] mogelijk niet wist dat haar partner de autosleutels had gepakt en met de auto ging rijden, alsmede in welke toestand hij verkeerde. [gedaagde] is de auto ter beschikking gesteld en ze dient zorg te dragen voor deze auto zoals het een goed werkneemster betaamt. Zo is het aan haar om de autosleutels te bewaren en ervoor te zorgen dat haar partner dan wel ieder ander deze niet kan wegnemen. [gedaagde] geeft zelf aan dat de sleutels ergens in de woning lagen en dat haar partner er gewoon bij kon. Dit is [gedaagde] aan te rekenen zodat de handelwijze van haar partner de auto betreffende ook aan haar is toe te reke-nen.

Meer-subsidiaire grondslag:

Gezien het hiervoor gestelde is PCL van mening dat [gedaagde] zich niet als goed werkneemster heeft gedragen. PCL is dan ook van mening dat op deze grond [gedaagde] aansprakelijk is voor de door PCL geleden schade.

Door ondanks aanmaning met betaling in gebreke te blijven, heeft [gedaagde] PCL genoodzaakt haar vordering ter incasso uit handen te geven. PCL heeft daardoor vermogensschade geleden, bestaande uit de buitengerechtelijke incassokosten ten belope van €750,00. [gedaagde] dient deze kosten ingevolge artikel 6:96 lid 2 sub c BW aan PCL te voldoen.

Voorts is [gedaagde] de wettelijke rente verschuldigd geworden.

Het verweer

[gedaagde] heeft de vordering gemotiveerd weersproken. Op het verweer zal, voor zover relevant, bij de beoordeling van het geschil nader worden ingegaan.

De beoordeling van het geschil

Het gaat er in deze zaak om of [gedaagde] zich jegens PCL zodanig heeft gedragen dat sprake is van:

- een onrechtmatige daad (primaire grondslag) of

- schade ten gevolge van opzet of bewuste roekeloosheid aan de zijde van [gedaagde] (subsidiaire grondslag) of

- schending van haar contractuele verplichtingen als werkneemster door [gedaagde] (meer- subsidiaire grondslag).

Bevoegdheid

Nu PCL haar vordering primair op onrechtmatige daad heeft gebaseerd moet de kantonrechter, gelet op de hoogte van de vordering, eerst beoordelen of hij bevoegd is van de vordering kennis te nemen. De kantonrechter beantwoordt die vraag bevestigend, omdat PCL [gedaagde] in haar hoedanigheid van werkneemster aanspreekt en het hier volgens PCL gaat om het onrechtmatig laten gebruiken van de door PCL aan [gedaagde] in het kader van de arbeidsovereenkomst ter beschikking gestelde leaseauto. Er bestaan dus voor de kantonrechter voldoende aanknopingspunten met de arbeidsovereenkomst om zich bevoegd te achten.

Primaire, subsidiaire en meer-subsidiaire grondslag

PCL heeft zich ter onderbouwing van haar stellingen bij alle grondslagen beroepen op de toepasselijkheid van haar leaseautoregeling. [gedaagde] heeft die toepasselijkheid gemotiveerd weersproken, zodat de kantonrechter daar eerst op in zal gaan.

De kantonrechter is van oordeel dat de beantwoording van de vraag of de leaseautoregeling van PCL tussen partijen geldt, in het midden kan blijven en overweegt daartoe het volgende.

Zoals blijkt uit de hierboven onder de vaststaande feiten geciteerde passage uit die leaseautoregeling is het de werknemer toegestaan leden van het eigen gezin (duurzame huishouding) in de auto te laten rijden zonder dat het absoluut noodzakelijk is dat de berijder (= werknemer) hierbij aanwezig is. Gesteld noch gebleken is dat de partner van [gedaagde] geen duurzame huishouding vormde met [gedaagde]. Dat betekent dat de aanwezigheid van [gedaagde] in de auto op momenten dat haar partner de auto bestuurt niet absoluut noodzakelijk is. Uit de leaseautoregeling blijkt voorts niet dat [gedaagde] aan PCL toestemming moet vragen om haar partner met de leaseauto te laten rijden. Dit brengt met zich dat, ook indien de leaseautoregeling wel van toepassing zou zijn tussen partijen, [gedaagde] geen toestemming behoefde van PCL om haar partner in de auto te laten rijden.

Uit niets is gebleken op grond waarvan [gedaagde], indien het leaseautoreglement niet van toepassing is, om toestemming van PCL moet vragen als zij haar partner in de leaseauto wil laten rijden.

De kern van het verwijt dat PCL aan [gedaagde] bij alle grondslagen maakt, is gelegen in de omstandigheid dat [gedaagde] de autosleutels in haar woning voor het grijpen heeft laten liggen en er onvoldoende voor heeft gezorgd dat haar partner deze sleutels niet kon pakken en niet in de auto kon rijden.

Primaire grondslag (onrechtmatige daad)

Hoewel de primaire vordering is gebaseerd op onrechtmatige daad moet de beperking van de aansprakelijkheid die artikel 7:661 BW de werknemer biedt, ook bij de boordeling van deze vordering toepassing vinden (HR JOL 2007, 152).

Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] ermee bekend was dat haar partner cannabis producten gebruikt en dat hij bijgevolg niet in staat zou zijn een auto naar behoren te besturen. Evenmin is gesteld of gebleken dat de partner van [gedaagde] al eerder wegens dit gebruik en/of wegens verkeersongevallen waarbij van dergelijk gebruik sprake was, met de politie in aanraking is geweest.

Onder die omstandigheden kan niet gezegd worden dat [gedaagde], door de autosleutels in haar woning op een plaats te laten liggen waar ook haar partner bij kon, zich jegens PCL onrechtmatig heeft gedragen.

Slechts indien bij [gedaagde] wel sprake was van de genoemde bekendheid met het cannabisgebruik door haar partner en/of eerdere bedoelde verkeersongevallen zou van haar als werkneemster verlangd kunnen worden dat zij ervoor zorgt dat de autosleutels buiten het bereik van haar partner worden bewaard.

De kantonrechter is op grond van het vorenstaande van oordeel dat niet gezegd kan worden dat [gedaagde] zich onrechtmatig jegens PCL heeft gedragen en/of dat op grond van de verkeersopvattingen de handelwijze van haar partner voor rekening van [gedaagde] behoort te komen.

Subsidiaire grondslag (schade ten gevolge van opzet of bewuste roekeloosheid)

Met betrekking tot de subsidiaire grondslag van de vordering is de kantonrechter van oordeel dat geen sprake is van schade die door [gedaagde] in de uitvoering van de overeenkomst is veroorzaakt zodat artikel 7:661 BW hier niet van toepassing is.

Meer-subsidiaire grondslag (handelen in strijd met artikel 7:611 BW)

Wat de meer subsidiaire grondslag betreft, geldt hetzelfde als hiervoor met betrekking tot de primaire grondslag al is overwogen. Het enkele feit dat [gedaagde] de autosleutels in haar woning heeft laten liggen op een plaats waar haar partner deze kon pakken, brengt, zonder de aanwezigheid van de bovengenoemde omstandigheden, niet met zich dat [gedaagde] zich niet als goed werkneemster heeft gedragen.

Slotsom

Op grond van het vorenstaande komt de kantonrechter tot de conclusie dat geen der grondslagen tot toewijzing van de vordering kan leiden.

De vordering zal daarom moeten worden afgewezen met veroordeling van PCL, als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van de procedure.

Beslissing

De kantonrechter:

Wijst de vordering af.

Veroordeelt PCL in de kosten van deze procedure, tot op deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde] begroot op €600,00 aan salaris voor de gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.J.P. Veenhof en uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum.