Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BC4169

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
08-02-2008
Datum publicatie
15-02-2008
Zaaknummer
15/634140-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Invoer cocaïne door douanebeambten. Zie ook BC4170 en BC4173.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Schiphol

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/634140-06

Uitspraakdatum: 8 februari 2008

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 18 en 25 januari 2008 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in PI Haaglanden - Zoetermeer te Zoetermeer.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1. (zaaksdossier C.3)

hij op of omstreeks 03 december 2006 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 67998,10 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,

bij het begaan van welk strafbaar feit hij, verdachte en/of zijn medeverdachte(n) een bijzondere ambtsplicht heeft/hebben geschonden en/of gebruik heeft/hebben gemaakt van macht en/of gelegenheid en/of middel hem/hun door zijn/hun ambt geschonken, immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededaders(s), als rijksambtenaar van de Douane, onder meer belast met de (douane)controle van vluchten op de luchthaven Schiphol, (een) koerier(s) en/of (een) slikker(s) van verdovende middelen op airside op de luchthaven doorgelaten naar landside en/of (opzettelijk) aan een onvolledige (douane)controle onderworpen, terwijl hij/zij wist(en) dat voornoemde koerier(s) en/of slikker(s) verdovende middelen met zich voerde(n);

2. (zaaksdossier C.5)

hij op of omstreeks 24 mei 2007 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 9977,40 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, bij het begaan van welk strafbaar feit hij, verdachte en/of zijn medeverdachte(n) een bijzondere ambtsplicht heeft/hebben geschonden en/of gebruik heeft/hebben gemaakt van macht en/of gelegenheid en/of middel hem/hun door zijn/hun ambt geschonken, immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededaders(s), als rijksambtenaar van de Douane, onder meer belast met de (douane)controle van vluchten op de luchthaven Schiphol, (een) koerier(s) en/of (een) slikker(s) van verdovende middelen op airside op de luchthaven doorgelaten naar landside en/of (opzettelijk) aan een onvolledige (douane)controle onderworpen, terwijl hij/zij wist(en) dat voornoemde koerier(s) en/of slikker(s) verdovende middelen met zich voerde(n);

3. (zaaksdossier C.9)

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 03 december 2006 tot en met 24 mei 2007 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en/of te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, (meermalen) (telkens) als ambtenaar een gift of belofte dan wel een dienst, te weten een betaling van een (aanzienlijk) geldbedrag, (telkens) heeft gevraagd en/of heeft aangenomen, (telkens) wetende of redelijkerwijs vermoedende dat deze hem, verdachte werd gedaan, verleend of werd aangeboden teneinde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen of na te laten, immers heeft hij (meermalen) (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, als rijksambtenaar van de Douane, onder meer belast met de (douane)controle van vluchten op de luchthaven Schiphol, (een) koerier(s) en/of (een) slikker(s) van verdovende middelen op airside op de luchthaven doorgelaten naar landside en/of (opzettelijk) aan een onvolledige (douane)controle onderworpen, terwijl hij wist dat voornoemde koerier(s) en/of slikker(s) verdovende middelen met zich voerde(n);

4. (zaaksdossier C.7)

hij op of omstreeks 24 mei 2007 te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, (een) wapen(s) van categorie I onder 7°, te weten

- een (nabootsing van een) pistool (gelijkend op een pistool van het merk JOAL, type A-11) en/of

- een (nabootsing van een) pistool (gelijkend op een pistool van het merk Colt Goverment, model MKIV, type Series 80) en/of

- een (nabootsing van een) pistool (gelijkend op een pistool van het merk Pietro Beretta, model 92G, type Elite II), zijnde (een) voorwerp(en) dat/die voor wat betreft zijn/hun vorm, afmeting en kleur een sprekende gelijkenis vertoonde(n) met (een) vuurwapen(s) en/of met (een) voor ontploffing bestemde voorwerp(en) voorhanden heeft gehad;

5.

hij in of omstreeks de periode van 28 februari 2006 tot en met 30 juni 2006 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en/of te 's-Gravenhage en/of te Rotterdam en/of te Amsterdam, in elk geval in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband tussen hem, verdachte en/of (onder andere) [medeverdachte1] (rijksambtenaar van de Douane) en/of [medeverdachte2] (rijksambtenaar van de Douane) en/of [medeverdachte3], al dan niet in wisselende samenstelling, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

het (meermalen) opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen (al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet) van (grote) hoeveelheden cocaïne en/of het meermalen plegen van voorbereidingshandelingen van dit feit;

en/of

hij in of omstreeks de periode van 01 juli 2006 tot en met 24 mei 2007 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en/of te 's-Gravenhage en/of te Rotterdam en/of te Amsterdam, in elk geval in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband tussen hem, verdachte en/of (onder andere) [medeverdachte1] (rijksambtenaar van de Douane) en/of [medeverdachte2] (rijksambtenaar van de Douane) en/of [medeverdachte3], al dan niet in wisselende samenstelling, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid, 10a, eerste lid of 11, derde, vierde en vijfde lid, te weten, het (meermalen) opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen (al

dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet) van (grote) hoeveelheden cocaïne en/of het meermalen plegen van voorbereidingshandelingen van dit feit;

2. Voorvragen

2.1 Geldigheid van de dagvaarding

De raadsman heeft aangevoerd dat de dagvaarding onder de feiten 1, 2 en 3 partieel nietig is voor wat betreft het verwijt, dat verdachte op Schiphol slikkers van verdovende middelen naar landside heeft doorgelaten. Onduidelijk is welke specifieke personen worden bedoeld en welke concrete gedragingen aan verdachte op dit punt worden verweten, aldus de raadsman.

De rechtbank is van oordeel dat dit verweer niet kan slagen. Gelet op de feiten die zijn ten laste gelegd - kort samengevat het medeplegen van de opzettelijke invoer van cocaïne respectievelijk ambtelijke corruptie - en indachtig de in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering aan de geldigheid van de dagvaarding te stellen eisen, geeft de tenlastelegging een voldoende duidelijke omschrijving van hetgeen verdachte wordt verweten. Dat de zaaksdossiers die de feiten en omstandigheden inhouden voor de beoordeling van de aan verdachte verweten feiten, geen aanknopingspunten bieden voor het doorlaten door verdachte van slikkers van verdovende middelen naar landside, doet aan de geldigheid van de dagvaarding niet af, maar is pas van belang bij de beoordeling van de vraag wat kan worden bewezen verklaard. In het licht van de inhoud van die zaaksdossiers is voor de verdachte naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk waartegen hij zich heeft te verdedigen.

Verder heeft de raadsman aangevoerd dat de dagvaarding onder feit 5 partieel nietig is voor zover daarin impliciet wordt verwezen naar andere personen dan de in de tenlastelegging vermelde overheidsambtenaren, waarbij onduidelijk blijft op welke andere personen kennelijk wordt gedoeld. Ook is de tenlastelegging onbegrijpelijk, zo begrijpt de rechtbank het verweer van de raadsman, aangezien de vermeende criminele organisatie het oogmerk zou hebben gehad op het meermalen plegen van voorbereidingshandelingen ter zake van invoer van partijen cocaïne en – aldus de raadsman – geen enkele deelnemer van zo’n organisatie het oog zal hebben op het niet afmaken van strafbare feiten.

De rechtbank is van oordeel dat ook dit verweer niet kan slagen. Dat de officier van justitie ervoor heeft gekozen om onder feit 5 de ten laste gelegde criminele organisatie te beperken tot een aantal bij name genoemde verdachten, is een keuze die aan de officier als opsteller van de tenlastelegging is voorbehouden, maar maakt de dagvaarding niet onbegrijpelijk en brengt evenmin mee dat verdachte, in het licht van de inhoud van het in zijn strafzaak opgemaakte strafdossier, niet kan weten, waartegen hij zich heeft te verdedigen. Derhalve is geen sprake van partiële nietigheid op dit punt. Dit geldt evenzeer voor het onder feit 5 ten laste gelegde “plegen van voorbereidingshandelingen”. Hoewel de raadsman kan worden toegegeven dat het niet direct in de rede ligt dat een criminele organisatie het oogmerk heeft om zich te beperken tot het plegen van voorbereidingshandelingen met betrekking tot de invoer en handel in harddrugs, brengt zulks niet mee dat dit de dagvaarding op dit punt nietig maakt; ook dit punt kan pas aan de orde komen bij de vraag wat bewezen kan worden verklaard.

De rechtbank stelt vast dat de dagvaarding geldig is en dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak.

2.2 Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

De raadsman heeft aangevoerd dat het onderzoek – kort samengevat – de toets der kritiek op een zestal in de pleitnota nader uitgewerkte punten niet kan doorstaan en waarbij de integriteit onder de maat is. Hij heeft geconcludeerd dat sprake is van onherstelbare vormverzuimen en een zo flagrante schending van beginselen van behoorlijke procesorde oplevert, dat de enige passende sanctie is dat de officier, naar de rechtbank begrijpt, niet kan worden ontvangen in zijn vervolging.

De rechtbank is van oordeel dat het standpunt van de raadsman, dat het niet anders kan zijn dan dat er in de onderhavige zaak sprake is geweest van voorinformatie en derhalve, zo begrijpt de rechtbank, geen toevalstreffer op 3 december 2006, iedere feitelijke onderbouwing ontbeert. Dat uit de nummering van processen-verbaal blijkt dat er al in 2006 in het onderzoek Aloë is geverbaliseerd, wordt reeds verklaard door het gegeven dat de medeverdachte [medeverdachte4] op 3 december 2006 is aangehouden, welke medeverdachte nadien ook is verhoord door opsporingsambtenaren. In dat verband wekt het - anders dan de raadsman heeft gesteld - ook geen verbazing dat de CIE-informatie over onder andere deze [medeverdachte4] gedateerd 14 december 2006 diezelfde dag nog wordt verstrekt aan de Chef CIE van de Koninklijke Marechaussee Schiphol, mede gelet op de vermelding daarin van de aanhouding van deze [medeverdachte4] op Schiphol. De raadsman heeft in dit verband ook nog aangevoerd dat het niet logisch is dat via passagierslijsten is ontdekt dat medeverdachte [medeverdachte5] op 24 oktober 2006 naar Paramaribo gevlogen is. Ook dit standpunt kan de rechtbank niet volgen, nu de zich in het dossier bevindende CIE-informatie van 14 december 2006 letterlijk vermeld dat “[medeverdachte5] onlangs naar Suriname is geweest om cocaïne te regelen”. Onderzoek van passagierslijsten, waarbij op naam kan worden gezocht, kon aldus gericht plaatsvinden. Voor zover de raadsman heeft aangevoerd dat tussen 3 december 2006 en 15 januari 2007 nauwelijks informatie is binnengekomen over verdachte, miskent de raadsman dat medeverdachte [medeverdachte4] op 4 en op 19 december 2006 belastende verklaringen over de rol van verdachte bij het incident van 3 december 2006 heeft afgelegd. Verder heeft de raadsman aangevoerd dat het enkele aantreffen van het dienstrooster van verdachte bij [medeverdachte4] geen verdenking kan opleveren om zogenaamde BOB-middelen toe te passen. Ook hier geldt dat, behalve het aangetroffen dienstrooster van verdachte, door deze [medeverdachte4] belastende verklaringen tegen verdachte zijn afgelegd, die hebben bijgedragen aan de verdenking. Dat, zoals de raadsman heeft gesteld, de rechter-commissaris bij de beoordeling van de vordering tot inbewaringstelling zou hebben geconcludeerd dat er onvoldoende verdenkingen jegens verdachte ten aanzien van feit 1 waren, is - zo blijkt uit het betreffende proces-verbaal - gelegen in het feit dat de rechter-commissaris niet beschikte over de processen-verbaal van verhoor van deze [medeverdachte4].

De raadsman heeft ook nog aangevoerd dat op 3 december 2006 maar 1 speurhond zou zijn ingezet, terwijl het ging om drie koffers en derhalve drie honden zouden moeten zijn ingezet. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat hier een show is opgevoerd en de integriteit van het onderzoek derhalve onder de maat is. De rechtbank kan, in het licht van hetgeen zich in het dossier bevindt, de raadsman niet volgen in zijn betoog. Uit geen enkel proces-verbaal blijkt dat er sprake is geweest van de ontdekking van de cocaïne in de drie koffers als gevolg van de inzet van speurhonden. Voor zover de raadsman heeft willen betogen dat op Schiphol de controle van bagage in alle gevallen plaatsvindt door de inzet van speurhonden, mist dit onderbouwing.

Als laatste heeft de raadsman nog aangevoerd dat de medeverdachte [medeverdachte6] wel heel toevallig moest afhaken vanwege openstaande boetes en dat dit een veel gebruikte truc is om informanten op tijd weg te halen uit het criminele handelen, omdat ze anders burgerinfiltrant worden. Noch afgezien van het gegeven dat de omstandigheid dat [medeverdachte6] in de onderhavige zaak gewoon als verdachte is aangemerkt en vervolgd, niet aannemelijk maakt dat [medeverdachte6] een burgerinfiltrant was, de raadsman heeft zijn stelling op geen enkele wijze met feiten en omstandigheden onderbouwd. Over de wijze waarop het opsporingsteam achter de nummers van de actietelefoons heeft kunnen komen, is uitvoerig gerelateerd in de processen-verbaal behorende bij dossier C.3. Gesteld noch anderszins is gebleken dat die weergave onjuist is.

Al het voorgaande leidt tot de conclusie dat van onherstelbare vormverzuimen in het onderzoek niet gebleken is, zodat de rechtbank de verweren van de raadsman verwerpt. Het Openbaar Ministerie is ontvankelijk in de vervolging.

De rechtbank stelt overigens vast dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Oordeel van de rechtbank

3.1 Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 tot en met 5 tenlastegelegde feiten heeft begaan, in dier voege dat

1.

hij op 3 december 2006 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht 67998,1 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

hij op 24 mei 2007 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, 9977,4 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,

bij het begaan van welk strafbaar feit hij, verdachte en mededaders een bijzondere ambtsplicht hebben geschonden en gebruik hebben gemaakt van gelegenheid hen door hun ambt geschonken, immers hebben zij, verdachte en die mededaders, als rijksambtenaar van de Douane, onder meer belast met de douanecontrole van vluchten op de luchthaven Schiphol, een koerier van verdovende middelen op airside op de luchthaven doorgelaten naar landside, terwijl zij wisten dat voornoemde koerier verdovende middelen met zich voerde;

3.

hij op tijdstippen in de periode van 3 december 2006 tot en met 24 mei 2007 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en/of te 's-Gravenhage, en/of elders in Nederland, meermalen telkens als ambtenaar een gift of belofte, te weten een betaling van een aanzienlijk geldbedrag, heeft gevraagd, telkens wetende of redelijkerwijs vermoedende dat deze hem, verdachte werd gedaan of werd aangeboden teneinde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen of na te laten, te weten het telkens tezamen en in vereniging met een ander of anderen, als rijksambtenaar van de Douane, onder meer belast met de douanecontrole van vluchten op de luchthaven Schiphol, koeriers van verdovende middelen op airside op de luchthaven door te laten naar landside en/of opzettelijk aan een onvolledige douanecontrole te onderwerpen, terwijl hij wist dat voornoemde koeriers verdovende middelen met zich voerden;

4.

hij op 24 mei 2007 te 's-Gravenhage wapens van categorie I onder 7°, te weten

- een nabootsing van een pistool gelijkend op een pistool van het merk JOAL, type A-11 en

- een nabootsing van een pistool gelijkend op een pistool van het merk Colt Goverment, model MKIV, type Series 80 en

- een nabootsing van een pistool gelijkend op een pistool van het merk Pietro Beretta, model 92G, type Elite II,

zijnde voorwerpen die voor wat betreft hun vorm, afmeting en kleur een sprekende gelijkenis vertoonden met vuurwapens, voorhanden heeft gehad;

5.

hij in de periode van maart 2007 tot en met 24 mei 2007 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en elders in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband tussen hem, verdachte en onder andere [medeverdachte1], rijksambtenaar van de Douane en [medeverdachte3], welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10 vijfde lid, te weten, het meermalen opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van grote hoeveelheden cocaïne.

Voorzover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank merkt hierbij op dat ten aanzien van de in feit 1 opgenomen strafverzwarende omstandigheid reeds geen bewezenverklaring kan volgen omdat de ingevoerde cocaïne noch door tussenkomst van een of meer slikkers noch door tussenkomst van een of meer koeriers van airside naar landside is gebracht, zodat van een door de officier aan het handelen of nalaten van verdachte verbonden schending van een bijzondere ambtsplicht geen sprake kon zijn.

3.2 Bewijsmiddelen

De beslissing dat de bewezenverklaarde feiten door de verdachte zijn begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierna genoemde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd. De hieronder opgenomen processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt en voldoen aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

De hieronder vermelde tapgesprekken, zijnde schriftelijke stukken, worden telkens slechts tot bewijs gebruikt in samenhang met de andere bewijsmiddelen voor de bewezen verklaarde feiten. Waar bij de vermelding van de deelnemers aan de afgeluisterde telefoongesprekken als deelnemers worden genoemd [verdachte], [medeverdachte3], [medeverdachte1] en [medeverdachte10] worden daarmee bedoeld respectievelijk verdachte, de medeverdachten [medeverdachte3], [medeverdachte1] en [medeverdachte10].

Ten aanzien van feit 1 (zaaksdossier C3):

- de verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd, onder meer inhoudende:

als de voorzitter mij de registratie van mijn schipholpas op 3 december 2006 voorhoudt en daaruit blijkt de registratie SGB terminal 3 om 11.06 uur en dat dit ook ongeveer het tijdstip is dat de koffers met verdovende middelen op de bagageband 15 zijn gekomen, kan ik antwoorden dat terminal 3 de ruimte is bij band 15. Het lijkt erop dat ik daar aanwezig was op 3 december 2006 om 11.06 uur.

- een in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten (zaaksdossier A, dossierpagina 150 e.v.), inhoudende – zakelijk weergegeven – onder meer het navolgende: op zondag 3 december 2006, omstreeks 10:20 uur werd door verbalisant [verbalisant1] een controle uitgevoerd op de bagage gelost uit de vlucht MP306 vanuit onder andere Puerto Plata. Verbalisant [verbalisant1] opende een blauwe canvas rolkoffer welke nogal zwaar aanvoelde. In de koffer trof hij een onder de kledingstukken een aantal met tape omwikkelde pakketten. Aan de koffer was een bagagelabel gevestigd op de naam van [nn], geldig voor de route POP-AMS. Verbalisant [verbalisant1] zag dat er een soortgelijke koffer werd gelost, vanuit de bellyruimte, ook deze koffer stond op naam van [nn]. In de koffer trof hij onder de kledingstukken een aantal met tape omwikkelde pakketten aan. Vervolgens trof hij nog een zwarte hardschalige koffer van het merk United Colors of Benetton aan, eveneens op naam van [nn]. In deze koffer trof hij ook een aantal pakketten aan. Verbalisanten hebben de zwarte hardschalige koffer van het merk United Colors of Benetton op de losband 15b geplaatst om 10:48 uur en de andere twee koffers om 11:05 uur. Alle drie de koffers zijn door verbalisanten onder observatie gehouden totdat ze het bericht kregen dat de collega’s van het Schiphol-team de observatie op de koffers hadden overgenomen.

- een in de wettelijke het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen (zaaksdossier A, dossierpagina 152 e.v.), inhoudende – zakelijk weergegeven – onder meer het navolgende:

Bij observatie door het Schipholteam op 3 december 2006 omstreeks 10:45 uur ter onderkenning van degenen die de koffers zouden pakken in de aankomsthal wordt waargenomen dat een man, gekleed in het uniform van Schiphol Dienstverlening BV, met in zijn hand een Schipholpas constant in de richting keek van bagageband 15 en hierbij druk aan het telefoneren was. Deze man wordt aangesproken door verbalisant [verbalisant4], waarbij blijkt dat hij is genaamd [medeverdachte4] en hij geen dienst heeft. [medeverdachte4] maakte op de verbalisant een nerveuze indruk. Verbalisant [verbalisant4] verzoekt de man plaats te nemen in een in de douanebalie aanwezige visitatieruimte, waarna wordt gezien dat hij een papier ter hoogte van zijn kruis in zijn broek probeert te verbergen. Dat papier blijkt een dienstrooster van de douane te zijn op naam van de hem bekende collega [verdachte], die op deze dag dienst heeft als coördinator van de 100% controle.

- een in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen Verdovende Middelen (zaaksdossier A, pagina 180 e.v.), inhoudende - zakelijk weergegeven - onder meer het navolgende:

De drie onderschepte koffers op naam van [nn] zijn verder onderzocht. In totaal werden in deze koffers 68 rechthoekige pakketten aangetroffen. Het totale nettogewicht van de in deze 68 pakketten aangetroffen stof bedraagt: 67998,1 gram. Verbalisant [verbalisant6] heeft de aangetroffen stof uit alle aangetroffen pakketten getest met een daartoe bestemde testset Er trad een positieve kleurreactie op. Verbalisant [verbalisant6] heeft drie representatieve monsters genomen bestemd om ter analyse te worden overgebracht naar het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag te worden gestuurd. Bij het District Koninklijke Marechaussee is voornoemde monsterneming ingeschreven onder nummer: 06-086323 A-B-C.

- het deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 11 januari 2007,inhoudende als conclusie dat het onderzochte materiaal met nummer: 06-086323 A-B-C cocaïne bevat.

- een in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal inhoudende het 1e verhoor van

medeverdachte [medeverdachte4] d.d. 3 december 2006 (zaaksdossier C3, pagina 150 e.v.),waarin hij – zakelijk weergegeven – onder meer verklaart dat hij in november 2006 is benaderd door een persoon die hij kent als kleine. Hem werd gevraagd wat hij allemaal met zijn Schipholpas kon doen en of hij mensen kon toelaten in beschermd gebied. Hij heeft toen gezegd dat hij via een personeelsingang mensen naar de aankomsthal kon brengen. Het ging om twee personen die hij dan naar binnen moest brengen, zodat zij twee koffers met harddrugs konden ophalen. Hij zou 10.000 euro krijgen per koffer. Vandaag zijn zij op Schiphol aangekomen en heeft hij die kleine en een persoon die hij kent als lange naar het beschermd gebied gebracht, bij bagageband 15 om daar twee koffers, vanuit de Dominicaanse Republiek, weg te halen.

- een in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal inhoudende het 2e verhoor van medeverdachte [medeverdachte4] d.d. 4 december 2006 (zaaksdossier C3, pagina 166 e.v.),waarin hij – zakelijk weergegeven – onder meer verklaart dat hij het bij hem aangetroffen dienstrooster op naam van [verdachte] van [verdachte] zelf heeft gekregen. [verdachte] had hem gezegd dat hij de kleine en de lange dan met de koffers met cocaïne door zou laten bij de douane, zodat de kleine en die lange niet gecontroleerd werden. [verdachte] heeft hem op zijn actietelefoon, merk Samsung gebeld.

- een in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal inhoudende het 3e verhoor van medeverdachte [medeverdachte4] d.d. 19 december 2006 (zaaksdossier C3, pagina 188 e.v.), waarin hij – zakelijk weergegeven – onder meer verklaart dat hij van tevoren wist dat [verdachte] zou meedoen. [verdachte] werkt bij de douane dus dat was heel makkelijk om koffers met cocaïne over de grens te brengen. Ongeveer een jaar geleden vertelde [verdachte] hem onder meer dat hij zich bezig houdt met drugssmokkel. Hij heeft daarom [verdachte] benaderd of hij mee wilde doen aan deze drugssmokkel.

- een in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal inhoudende het 12e verhoor van medeverdachte [medeverdachte4] d.d. 4 juli 2007 (zaaksdossier C3, pagina 222 e.v.), waarin hij – zakelijk weergegeven – onder meer verklaart dat [medeverdachte5] hem anderhalve maand voor 3 december 2006 had benaderd. [medeverdachte5] vertelde hem dat er twee koffers zouden komen en vroeg hem of hij twee personen naar het douanegebied kon brengen. [medeverdachte4] was daartoe in staat middels zijn Schipholpas. [medeverdachte5] wist via Pips (de rechtbank begrijpt: medeverdachte [medeverdachte6]), dat hij op Schiphol werkte. [medeverdachte5] vroeg hem of hij nog iemand kende die op Schiphol werkte die dit ook wilde doen. [medeverdachte4] dacht aan [verdachte] (verder te noemen [verdachte]) en heeft hem gevraagd. [medeverdachte4] wist dat hij [verdachte], die bij de douane werkt, kon vragen hem te helpen. Het dienstrooster van [verdachte] dat bij [medeverdachte4] is aangetroffen heeft [medeverdachte4], drie of vier weken voor december 2006 van [verdachte] gekregen en aan [medeverdachte6] gegeven die het weer aan [medeverdachte5] heeft gegeven. Het moest van [verdachte] op een dag gebeuren dat hij aan het werk was. Het werd dus 3 december 2006. Drie of vier dagen nadat [medeverdachte6] het dienstrooster van [verdachte] bij [medeverdachte4] had opgehaald, heeft [medeverdachte4], [verdachte] aan [medeverdachte5] voorgesteld in de auto van [medeverdachte7]/ [medeverdachte7]. Op 2 december 2006 in [shoarmazaak] hebben [medeverdachte4], [verdachte], [medeverdachte7] en [medeverdachte6] een nieuwe telefoon gekregen. [medeverdachte4] kwam daar met [verdachte] en die heeft toen met [medeverdachte5] gesproken. [verdachte] heeft toen naar [medeverdachte7] en [medeverdachte6] gekeken.

- een in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal inhoudende het 8e verhoor van medeverdachte [medeverdachte5] d.d. 29 juni 2007 (zaaksdossier C3, pagina 323 e.v.), waarin hij – zakelijk weergegeven – onder meer verklaart dat hij een week voor 3 december door [betrokkene1] was benaderd. [betrokkene1] vroeg [medeverdachte5] of hij twee mensen kon regelen die koffers met cocaïne van de bagageband op Schiphol af konden halen. [betrokkene1] vertelde dat hij zelf al één mannetje had om een koffer met cocaïne van de bagageband af te halen.

[betrokkene1] hamerde er op dat [medeverdachte5] ook iemand moest vinden die de koeriers naar binnen op Schiphol zou brengen. [betrokkene1] vertelde [medeverdachte5] dat het om drie koffers ging. [medeverdachte5] heeft [medeverdachte7] en [medeverdachte6] gevraagd of ze mee wilden doen om drugs op te halen van Schiphol. Zowel [medeverdachte7] en [medeverdachte6] wilden meedoen omdat ze geld nodig hadden. In de auto vertelde [medeverdachte7] of [medeverdachte6] dat [med[medeverdachte4]chte4] wel kon helpen om de personen naar binnen te brengen. [medeverdachte5] vertelde aan [medeverdachte4] dat het enige was wat hij moest doen was de mensen binnen Schiphol brengen. [medeverdachte4] vertelde dat zijn neef bij de Douane werkt en dat [medeverdachte4] die neef zou kunnen benaderen zodat de zaak goed zou verlopen en zodat niemand gepakt zou worden. De neef stelde zich voor als [verdachte]. [medeverdachte5] vertelde [verdachte] dat er drie koffers met cocaïne binnen zouden komen op Schiphol. [verdachte] vertelde dat hij de koeriers zou aanhouden om te controleren maar vervolgens weer door zou sturen. [verdachte] wilde € 25.000,- per koffer hebben..

Op zaterdag 2 december 2006 heeft [medeverdachte5] € 1000,- gekregen van [betrokkene1] teneinde [medeverdachte7], [medeverdachte6], [verdachte] en [medeverdachte4] van een mobiele telefoon te voorzien en voor de aanschaf van het ticket van [medeverdachte6]. Op 2 december 2006 hadden ze allemaal afgesproken bij [shoarmazaak], een shoarmazaak. Daar hebben ze [medeverdachte4] en [verdachte] weer ontmoet. Ze hebben elkaars telefoonnummer in de telefoon gezet. [verdachte] heeft [medeverdachte6] en [medeverdachte7] nog een keer goed bekeken zodat [verdachte] wist wie hij door moest laten. [medeverdachte5] vertelde [verdachte] dat ze akkoord waren gegaan met het bedrag van € 25.000,- per koffer. Ze spraken af dat ze elkaar zouden bellen op Schiphol. [verdachte] zou dienst draaien die dag. [medeverdachte5], [medeverdachte4], [medeverdachte6] en [medeverdachte7] zijn vanuit Den Haag naar Schiphol gereden. Op Schiphol is [medeverdachte6] uitgestapt om in te checken.

Bij het AMC is [betrokkene1] door hen opgepikt en [betrokkene1] vertelde hen dat ze die andere neger moesten halen en dat hebben ze gedaan.

Op 3 december 2006 werd [medeverdachte5] op Schiphol op een gegeven moment gebeld door [verdachte] dat de jongens weg moesten bij de bagageband omdat er rechercheurs rondliepen.

-een in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal inhoudende het 11e verhoor van medeverdachte [medeverdachte5] d.d. 5 juli 2007 (zaaksdossier C3, pagina 333 e.v.),waarin hij – zakelijk weergegeven – onder meer verklaart dat [verdachte] op 2 december 2006 in [shoarmazaak] iemand had meegebracht. Het was een lichtkleurig persoon, waarschijnlijk een Marokkaan of een Turk, ongeveer 1.65 meter, klein en stevig van postuur, een beetje bollig, rond de 25 à 32 jaar, Amsterdams accent. [verdachte] zei dat die jongen ook bij de poort zou staan. [verdachte] zei dat alles goed zou komen omdat [verdachte] meerdere collega’s had lopen op wie [verdachte] een beroep kon doen om te helpen bij de drugssmokkel op 3 december 2006.

- een in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal inhoudende het 9e verhoor van medeverdachte [medeverdachte6] d.d. 3 juli 2007 (zaaksdossier C3, pagina 290 e.v.),waarin hij – zakelijk weergegeven – onder meer verklaart dat het gegaan is zoals [medeverdachte5] zegt in zijn verhoor d.d. 29 juni 2007. [medeverdachte5] zei dat [medeverdachte7] en [medeverdachte6] een goede slag konden slaan en dat ze een paar koffers weg moesten halen op Schiphol. [medeverdachte7] en [medeverdachte6] bedachten dat zij dat zelf konden doen aangezien het makkelijk geld verdienen was. [medeverdachte6] heeft in café [café] aan [medeverdac[medeverdachte4] gevraagd of hij mee wilde doen [medeverdachte5] heeft [medeverdachte4], [verdachte] en [medeverdachte7] ook een telefoon gegeven en hij heeft er ook een zelf gehouden. [medeverdachte4] zou hen naar binnen brengen met zijn pasje. Op de avond bij de shoarmazaak [shoarmazaak] op 2 december 2006 zijn [medeverdachte7], [medeverdachte5] en [medeverdachte6] wat gaan eten. [medeverdachte5] zei toen dat [medeverdachte6] en [medeverdachte7] aan een andere tafel moesten gaan zitten omdat [verdachte] zou komen die hen wilde herkennen voor de volgende dag. [verdachte] had verteld dat hij in de kelder al zou kunnen controleren dat het niet ontdekt zou worden of dat het niet geroken zou worden door honden. Ook had [verdachte] gezegd dat hij ervoor kon zorgen dat wij met de koffers met verdovende middelen zonder problemen langs de douane zouden kunnen gaan. Dat was [verdachte] zijn taak. Ook had [verdachte] gezegd dat hij wel een aantal undercovers zou herkennen.

- een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen (zaaksdossier C3, dossierpagina 136 e.v.), inhoudende – zakelijk weergegeven – onder meer het navolgende:

Uit de verkregen registratie gegevens van de aan de verdachte [verdachte] toebehorende Schipholpas blijkt dat deze Schipholpas op 3 december 2006 bij verschillende personeelsdoorgangen op Schiphol is geregistreerd en dat deze pas om 11.07 de personeelsdoorgang bij aankomsthal West, lifthal L57/58W SGB heeft geregistreerd.

Ten aanzien van feit 2 (zaaksdossier C5):

- een tapgesprek met gespreksnummer 270054151 d.d. 20 april 2007 te 11.07 uur (zaaksdossier C2, dossierpagina 327):

[medeverdachte1] (E) wordt gebeld door [medeverdachte10] (A).

E. Ja

A: Ik moet je nodig spreken persoonlijk.

E: Ik ook met jou.

A: Voor een zaak dat ik voor je hebt.

E: Okay, okay. Wanneer spreken wij met elkaar?

A: Zo snel mogelijk.

E: Ik kom vanavond langs..

- een proces-verbaal van bevindingen Observatie 20 april 2007 (zaaksdossier C2, dossierpagina 328 e.v.), inhoudende – zakelijk weergegeven – het navolgende:

Door een observatieteam wordt gezien dat op 20 april 2007, omstreeks 22.14 uur verdachte [medeverdachte1] en verdachte [medeverdachte3] een ontmoeting hadden met [medeverdachte10] [medeverdachte10]. Er wordt gezien dat zij samen het perceel gelegen aan de [a-straat] te Den Haag betraden, het woonadres van [medeverdachte10].

- een tapgesprek met gespreksnummer 270055182 d.d. 22 april 2007 te 20.31 uur (zaaksdossier C2, dossierpagina 334) :

[medeverdachte1] (E) belt naar [medeverdachte3] (C).

E: Weet je nog over die Colombiaanse over wie ik jou vertelde

C: Ja, wat is er met haar?

E: Ik ga die bal aan jou geven. Ik heb [medeverdachte10] jouw nummer gegeven zodat jij met die griet een afspraak maakt en met die man gaat praten een deze dagen.

C: Ja.

E: Begrijp je.

C: Waarom heb je haar mijn nummer gegeven als jij niets met haar te maken wilt hebben?

E: Omdat jij met die man moet praten en die griet zit tussenin. En ik wil die griet niet zien.

C; Okey, okey.

E: Zij belt jou zo. Er is ook een vriend die ook naar jou zal vragen.

C: Ah!

- een tapgesprek met gespreksnummer 270055595 d.d. 23 april 2007 te 20:10 uur (zaaksdossier C2, dossierpagina 338):

[medeverdachte3] wordt gebeld door [betrokkene2].

C: Ze zeggen dat je me steeds hebt gebeld.

Nn: Ja, want je telefoon en zo stond steeds uit.

C: Hoe laat was dat?

NN: Pff. Ik heb straks nog gebeld. Ik heb steeds gebeld enzo. Nou zeg het eens [medeverdachte3]. Wanneer gaan we praten?

C: Eh?

NN: Hè?

C: Wanneer?

NN: Ja.

C: Ik weet niet wanneer, wanneer u tijd hebt.

NN: Hè?

C: Wanneer heb je tijd?

NN: nu, kom je dan met [medeverdachte1]?

C: Nee, [medeverdachte1] komt niet mee.

NN: Hè?

C: Nee. Hij komt niet mee.

NN: Nou, en waarom niet?

C: Ik…Hij stuurt mij, hij stuurt mij om te praten.

NN: Ah, ah, wanneer kun je?

C: Ik kan altijd.

NN: Hè?

C:Morgen kan ik.

NN: Hoe laat?

C: Zo tegen acht uur.

NN: Nou, wanneer zien wel elkaar? (…)

C: (…) gisteren. Gisteren heb ik je gebeld.

NN: Weet je wat er is gebeurd, ik ben het vergeten en zo.

C: Ah, okay, okay.

NN; ja

C: Nou, dat is dan goed. Morgen.

NN: Nou waar spreken we dan af?

C: U kent Den Haag.

NN: Hè?

C: U kent het daar?

Nn: Nee, ik ken het daar niet. Ik ken alleen het (…) Centraal van Delft.

(…)

C: Om acht uur ja.

(…)

C: En wat is het nummer. Ik wil het nummer van je mobiele telefoon.

NN: Nee, ik ben hier op het station. Ik ben hier naartoe gekomen om je te bellen.

(…)

C: Goed tot morgen dan.

- een tapgesprek met gespreksnummer 270056007 d.d. 24 april 2007 te 19.24 uur (zaaksdossier C5, dossierpagina 66):

[medeverdachte1] wordt gebeld door [verdachte]

[verdachte] vraagt wat de planning is. [medeverdachte1] zegt dat hij zo gaat eten en dat [betrokkene3] zei dat hij zo ergens heen moet. (…)

[medeverdachte1] zegt dat hij [betrokkene3] net had gebeld en dat die zei dat hij naar hem zou komen. [verdachte] zegt dat het niet te laat moet zijn omdat hij anders geen zin meer heeft. [medeverdachte1] zegt dat hij moet zeggen als hij wil slapen. [verdachte] zegt dat hij wel wil maar dat het geen 2 uur moet duren. [medeverdachte1] zegt dat het geen 2 uur duurt. [verdachte] zegt dat hij wil weten hoe lang het duurt. [medeverdachte1] zegt dat [betrokkene3] net van huis is vertrokken, [medeverdachte1] zegt dat hij hem wel zal bellen.

- een tapgesprek met gespreksnummer 270056039 d.d. 24 april 2007 te 19:46 uur (persoonsdossier B12, dossierpagina 68):

[medeverdachte3] (C) belt [betrokkene2] (NN)

NN: ja ik ben er al

C: en die meneer ook

C: Het is beter dat jullie naar IKEA gaan, want ik ken Delft niet zo goed.

- een proces-verbaal van bevindingen observatie 24 april 2007 (zaaksdossier C5, dossierpagina 130 e.v.), inhoudende – zakelijk weergegeven – het navolgende:

Tijdens een observatie gehouden op 24 april 2007 tussen 20.20 uur en 21.46 uur wordt gezien dat [medeverdachte3] een ontmoeting heeft bij IKEA Delft met een op dat moment onbekende man en een onbekende vrouw.

- een proces-verbaal d.d. 30 juli 2007 (zaaksdossier C2, dossierpagina 4 e.v. met name dossierpagina 42) inhoudende een onderzoek naar aanleiding van video beelden IKEA Delft,

voor het onderzoek naar de identiteit van de onbekende man en vrouw zijn de beelden opgevraagd van de beveiligingscamera's van de IKEA vestiging te Delft. Op deze beelden is te zien dat verdachte [medeverdachte3] kort na 20:00 uur de IKEA betreedt in het gezelschap van een man en een vrouw. De man is gekleed in een pak, de vrouw in een roze shirt.

- een proces-verbaal van onderzoek d.d. 31 juli 2007 (zaakdossier C5, dossierpagina 17) - kort samengevat - inhoudende dat uit onderzoek is gebleken dat de op 24 april 2007 omstreeks 21.46 bij de IKEA te Delft geobserveerde personen[betrokkene2] en [betrokkene4] zijn.

- een tapgesprek met gespreksnummer 270057109 d.d. 26 april 2007 te 19.47 uur (zaaksdossier C5, dossierpagina 72):

[medeverdachte3] (C) wordt gebeld door een vrouw (NN) die gebruik maakt van het telefoonnummer [telefoonnr]. (Opmerking verbalisant: Naar aanleiding van dit gesprek bestaat het vermoeden dat [medeverdachte3] en [betrokkene2] een afspraak hebben in café/restaurant Engels.)

C: vraagt of ze er al zijn.

NNvr zegt van wel en dat ze in restaurant ANGEL zijn.

C: vraagt wat ze bedoelt, ANGEL of ENGELS?

NNvr blijkt ENGELS te bedoelen.

C: zegt dat hij hen komt ophalen en daarna naar "daar" gaat. Okay, zegt NNvr.

C: is er over 20-25 minuten.

- een tapgesprek met gespreksnummer 270062660 d.d. 6 mei 2007 te 13:03 uur (zaaksdossier C2, dossierpagina 353 e.v.):

[medeverdachte1] (E) belt naar [medeverdachte10] (A) .

A: Van die Colo.. van die [betrokkene2] (fon.)?

E: Ja, die (vrouw) die met de vriend was. Nee, dat loopt al

A: Hmmm

E: Dat loopt goed

(…)

[medeverdachte10] zegt dat de LOCA hier vast ook een graantje mee wil pikken.

E: Natuurlijk, en ik heb nee tegen haar gezegd, ik heb gezegd "als jij zegt dat jij er verstand van hebt, dan weet je dat het de andere mensen zijn die jou je provisie gaan geven, niet ik!"

A: Ja ja

(…)

Zojuist heeft ze de LOCA weer gebeld en die zegt nu dat ze morgen komt.

A: Ik heb haar gevraagd “alles goed?”en ze zei ja, dat alles goed ging, dus ik denk dat ze al geld heeft!

E: Nou [medeverdachte10], daar weet ik niks van af

(…)

A: maar hebben jullie al gewerkt?

E: nee, we staan aan de vooravond ervan

A: Goed, zij lijkt al wel plannen aan het maken te zijn.

- een tapgesprek met gespreksnummer 270073836 d.d. 20 mei 2007 te 15:03 uur (zaaksdossier B7, dossierpagina 130):

[verdachte] belt uit met [medeverdachte1]

(….)

E; ja amigootje

R: junge

E: Junge

R: wat is de planning?

E: weet ik niet chinees, ik ga [betrokkene3] zo even belle

R: ja

E; ik ga zo even kijken wat de planning is

R: oke. Oke chinees, ik hoor het wel.

- een tapgesprek met gespreksnummer 270073972 d.d. 20 mei 2007 te 19:02 uur (zaaksdossier B7, dossierpagina 132)

[verdachte] (R ) belt uit met [medeverdachte1] (E)

R: 8 of 9 uur of zo

E: ja, ik had ze gesproken of zo, hij zou zo naar me toekomen dan zouden ze naar Den Haag of zo

R: oke dan kunnen we een bakkie doen

E: jazeker

R: oke

E: ja amigootje

R: hoe laat, 8, 9 uur

E: mmja, ik ga hem zo bellen hoe laat ie komt zo

- een tapgesprek met gespreksnummer 270074083 d.d. 20 mei 2007 te 22:17 uur (zaaksdossier B7, dossierpagina 133):

[verdachte] wordt gebeld door [medeverdachte1]

R: ja

E: he chinees

(…)

E: nou wat zeg ik je we komen er aan ja

- een proces-verbaal van bevindingen observatie 20 mei 2007 (zaaksdossier C5, dossierpagina 133), inhoudende – zakelijk weergegeven – het navolgende:

Op 20 mei 2007 wordt het volgende geobserveerd:

21:59 uur: [medeverdachte3] bestuurt een Volkswagen Polo een negroïde onbekende vrouw zit naast [medeverdachte3].

22:20 uur: [medeverdachte3] bestuurt de Volkswagen Polo en [medeverdachte1] [medeverdachte1] zit naast hem

22:53 uur: De Volkswagen Polo stopt in de directe omgeving van perceel [perceel a] te Den Haag

22:56 uur: [verd[verdachte] verlaat perceel [perceel a] en stapt in de Volkswagen Polo

23:08 uur: Bij perceel [perceel b] te Den Haag bij restaurant [restaurant] stapt [medeverdachte3] uit en maakt gebruik van zijn mobiele telefoon

23:11 uur: [betrokkene4] (foto pagina 139) stapt ook in de Volkswagen Polo.

23:18 uur: [medeverdachte3], [verdachte], [medeverdachte1] en [betrokkene4] stappen uit de Volkswagen Polo en gaan naar [restaurant]

00:24 uur : [medeverdachte3], [verdachte], [medeverdachte1] en [betrokkene4] stappen in de Volkswagen Polo en rijden weg.

00:35 uur: [medeverdachte3], [verdachte], [medeverdachte1] en [betrokkene4] stappen uit de Volkswagen Polo en gaan naar Cafe [café]

02:09 uur: [medeverdachte3], [verdachte], [medeverdachte1] en [betrokkene4] stappen in de Volkswagen Polo en rijden weg.

- een tapgesprek met gespreksnummer 270074908 d.d. 21 mei 2007 te 19:43 uur (zaaksdossier B7, dossierpagina 135):

[medeverdachte1] wordt gebeld door [medeverdachte10]

A: Toen ik jou belde was het niet de werkelijkheid, het was om je te zeggen dat ‘deze mevrouw”….

E: welke mevrouw?

A: Die LOCA zoals jij haar noemt

E: Die maldita LOCA ja, wat is daarmee aan de hand?

A: Zij moet..die vriend van haar…die hoe heet het?

E: De blanke

A: die nogal…ja, het Colombiaantje

E; ja die blanke

A: Ja die moet jou spreken, voor een persoon

E; Okay

(…)

- een tapgesprek met gespreksnummers 270075823 en 270075824 d.d. 22 mei 2007 te 20.55 uur (zaaksdossier C2, dossierpagina 349):

Tijdens deze gesprekken werd het navolgende geregistreerd op het, telefoonnummer [telefoonnr] in gebruik bij [medeverdachte1].

Op 22 mei 2007 om 20:55:03 uur wordt het telefoonnummer [telefoonnr] gedurende 4 seconden in gebeld door het telefoonnummer [telefoonnr]. Nadat er een "klik" te horen is wordt de verbinding verbroken.

Vrijwel direct hierna om 20:55:53 uur wordt er door het telefoonnummer [telefoonnr] gedurende 3 seconden uitgebeld naar het telefoonnummer [telefoonnr]. Nadat er eenmaal de kiestoon te horen is wordt de verbinding verbroken.

- een tapgesprek met gespreksnummer 270075822 d.d. 22 mei 2007 te 21.01 uur (zaaksdossier C2, dossierpagina 350):

Tijdens dit gesprek werd het navolgende geregistreerd op het, telefoonnummer [telefoonnr] in gebruik bij [medeverdachte1].

Op 22 mei 2007 om 21:01:28 uur wordt het telefoonnummer [telefoonnr] gedurende 3 seconden gebeld door het telefoonnummer [telefoonnr].

Uit onderzoek bleek dat deze telefoonnummers, [telefoonnr] en [telefoonnr], nog niet eerder gedurend het Aloë onderzoek naar voren waren gekomen.

(Opmerkingen verbalisanten: hierop ontstond het vermoeden dat deze telefoonnummers, nieuwe telefoonnummers waren die gebruikt zouden gaan worden, mogelijk tijdens het smokkelincident, vermoedelijk om de opsporing hiervan te bemoeilijken.

Uit de bovenstaande gesprekken gevoerd rond 20:55 uur en 21.01 uur ontstond het vermoeden dat [medeverdachte1] aan het uitproberen was of deze telefoonnummers wel werkten en dat hij de nummers op die manier wilde opslaan in de telefoons.)

- een tapgesprek met gespreksnummer 270075925 d.d. 22 mei 2007 te 23.31 uur (zaaksdossier C2, dossierpagina 359):

[medeverdachte1] (E) wordt gebeld door [medeverdachte3] (C).

E: Wat ik je wilde zeggen. Over een poosje gaat de CHINO (jongen/chinees) Jou bellen. C: Ja

E:... zodat jij de twee nummers noteert voor .... De dinges, snap je?

C: Yes

E: Want we moeten je die twee nummers geven voor als ze jou bellen snap je? Zodat je ze herkent, je ze in je geheugen hebt.

C: ja is goed man.

- een tapgesprek met gespreksnummer 270075745 d.d. 22 mei 2007 tussen 00:06 uur en 00:44 uur (zaaksdossier C2, dossierpagina 356):

Uit de internettap van [medeverdachte1] bleek dat er die avond het navolgende zogenaamde "chat' gesprek werd gevoerd tussen iemand die gebruik maakte van het emailadres: [emailadres1] (E) en iemand die gebruikmaakte van het e-mailadres: [emailadres2] (R), waarvan werd vastgesteld dat dit in gebruik was bij [verdachte]. Hierbij werd onder meer het navolgende geregistreerd:

chatno 5 : [medeverdachte1] chat met [verdachte]

E: heb je woensdag donderdag laat en vrijdag vrij tag chinees

R: ja

E: woensdag wil asher voetbal kijken, dus utrecht word moeilijk chinees

R: ja

E: wanneer gaan we briefen met die kameel

R: ik brief wel met 'm

E: woensdag

R: ja

R: ja

R: je moet nog wel ff iets geven nog

E: ok moet gladjes gaan.... wanneer wil je die telefoon

- een tapgesprek met gespreksnummer 270075935 d.d. 23 mei 2007 te 01.13 uur (zaaksdossier C2, dossierpagina 360 e.v.):

[medeverdachte1] (E) wordt gebeld door [medeverdachte3] (C).

C: Wat ging je me vertellen van die nummers .. die dinges.. wat is er gebeurd, monster?

E: Waar heb je het over, monster?

C: Ik had je gevraagd van die nummers, waarom vandaag, of dat morgen niet kon

E: Ja monster, maar ik heb het hier, heb je liever dat ik het je geef?

C: Hè?

E: Ik had het hier al, daarom geef ik het je.

C: Ooh

E: Heb je beide ontvangen?

C: Natuurlijk! Je weet dat het zo is, monster.

E: Ik heb zitten praten en heb de twee dingen aan de CHINEES gegeven, de twee mobiele/mobieltjes. We waren aan het installeren dus daarom zei ik je dat we je gingen bellen zodat jij ze kon vastleggen.

E: Ja, ik heb ze op de lader gezet, ik heb er een klaargemaakt voor de MAROKAAN en een andere voor de CHINEES.

C: Dat is netjes man

E: Dat is allemaal goed geregeld jongen.

- een tapgesprek met gespreksnummer270076618 d.d. 23 mei 2007 te 19:05 uur (zaaksdossier B7, dossierpagina 106):

[verdachte] belt uit met [medeverdachte1]

R: wat doe je chinees

E: Ik ben hier met [betrokkene3] jongen

R: oke oke. In ieder geval soort geen verlof chinees

E: helaas opperdepop

R: helaas

E: te weinig mensen jongen helaas

R: helaas. Nou als ik je vandaag niet zie danne kom ik je morgen op tijd aflossen

E: ja zou wel kwaliteit zijn

R: Zie ik jou morgen anders chinees

E: ja, ikke ik bel je wel straks chinees. Je bent welk TWEEZIJDIG bereikbaar toch?

R: nee, NU niet

E: maar straks toch wel

R: ja straks, nu niet maar dadelijk wel, hoi

- een tapgesprek met gespreksnummer 270077098 d.d. 24 mei 2007 te 10:11 uur (zaaksdossier C5, dossierpagina 98):

[medeverdachte1] (E) belt uit naar [verdachte] (R). Beiden maken gebruik van een "actietelefoon".

R: Uhh la voor die tijd, ik heb al gekeken hoe laat ie komt

E: 21 als het goed is

R. Ja klopt, klopt

E Hey...luister.. uhh

R: Alles ok voor de rest?

E: Wat zei je nou?

R: Alles is ok voor de rest?

E. Jaja ja alles is tiptop

R. Ok

E: Je moet zo meteen effe [betrokkene3] voor me bellen, want ik ben hem aan het bellen voor die...om dat door te geven watje net zei

R: Ja

E. Maar hij neemt zo niet op, dus bel hem effe voor me.

R: Dat alles tiptop is of voor die tijd?

E. Ja dat het tiptop is weet hij ook, alleen die tijd moet je doorgeven

R: Ok is goed

E. Ja?

R: Is goed

E: Zeg tegen hem dat ie hier om 1 moet zijn

R. Is goed

- een proces-verbaal van onderzoek drugssmokkelincident 24 mei 2007 d.d. 31 juli 2007 (zaaksdossier C5, loop proces-verbaal, dossierpagina 26), inhoudende – zakelijk en verkort weergegeven – onder meer het navolgende:

Uit onderzoek van de vluchtgegevens van de aankomende vluchten op de luchthaven Schiphol bleek dat er omstreeks 13.21 uur op de luchthaven Schiphol een KLM vlucht (KL 744) vanuit Lima, Peru zou arriveren. Het schema aankomsttijd van deze vlucht was 13.55 uur. De bagageband waarop de bagage van deze vlucht zou worden gelost was band 18.

- een tapgesprek met gespreksnummer 270077114 d.d. 24 mei 2007 te 10:17 uur (zaaksdossier C5, dossierpagina 99):

[verdachte] (R) belt uit naar [medeverdachte3] (C). Beiden maken gebruik van een "actietelefoon".

(Opmerking verbalisant: Naar aanleiding van dit gesprek bestaat het vermoeden dat [verdachte] tegen [medeverdachte3] zegt dat hij om 13:00 uur op Schiphol moet zijn.)

R: he chinees

C: he

R: h1 is wat eerder he

C: ja?

R: amigo zei datje daar rondje moet 1-en daar zijn

C: is netjes (fon)

R: hij is kwart over, kwart over 1 ... 10 voor half 2 ....

C: is goed

- een tapgesprek met gespreksnummer 270077228 d.d. 24 mei 2007 te 12:17 uur (zaaksdossier B7, dossierpagina 111):

[verdachte] belt uit met [medeverdachte3]

C: he China

R: ben je al weg of niet

C: ja man, ik ben hier bij die A4 restaurant

- een tapgesprek met gespreksnummer 270077228 d.d. 24 mei 2007 te 12:34 uur (zaaksdossier C5, dossierpagina 101):

[verdachte] (R) belt uit naar een persoon, naar later bleek [medeverdachte2]. Beiden maken gebruik van een "actietelefoon". Tijdens dit gesprek vraagt [verdachte] waar [medeverdachte2] is. [medeverdachte2] zegt dat hij er bijna is.

(Opmerking verbalisant: Naar aanleiding van dit gesprek bestaat het vermoeden dat [verdachte] informeert of [medeverdachte2] al onderweg is naar Schiphol.)

NNM: jo

R. jo

NNM:alles goed man?

R: waar ben je?

NNM: mooi, he ik ben onderweg man

R: ok

NNM: het is wat zacht man, wat zie je?

R: zie ik je zo meteen wel

NNM ahhh zo, je bent er al toch?

R: ja, bijna

NNM: ah is goed man, zie ik je zo hoi

- een proces verbaal van bevindingen observatie d.d. 24 mei 2007 (zaaksdossier C5, dossierpagina 144 t/m 149), inhoudende – zakelijk weergegeven – het navolgende:

Op 24 mei 2007 omstreeks 12.50 uur wordt gezien dat [medeverdachte3] in het gezelschap van een vrouw, naar later bleek [medeverdachte8], nader te noemen, op de luchthaven Schiphol arriveert. Er wordt gezien dat [medeverdachte3] samen met [medeverdachte8] in het afhalergedeelte van de aankomsthal op de luchthaven Schiphol rondloopt en daarbij onder meer een bezoek brengt aan een ticketservice. Er wordt gezien dat [medeverdachte3], en de vrouw weglopen in de richting van PLAZA.

Op 24 mei 2007 omstreeks 14.15 uur wordt gezien dat een onbekende man met een rood met zwarte sporttas en een zwarte koffer aankomst 3 verlaat en Plaza betreedt en dat [medeverdachte3] en voormelde vrouw weglopen en dat om 14.16 uur de vrouw contact met de onbekende man, naar later is gebleken [medeverdachte8], maakt, waarna de onbekende man en de vrouw worden aangesproken door leden van het recherche onderzoeksteam.

- een tapgesprek met gespreksnummer 270077245 d.d. 24 mei 2007 te 12:53 uur (Zaaksdossier C5, dossierpagina 102):

[medeverdachte1] (E) belt uit naar [verdachte] (R

R: ja

E: maar nu komt die Aruba bezig zo meteen komt er een eeh wat is dat zo'n Trinidad en Tobago om 1 uur en dan kun je me gelijk zo helpen zo

R: ok, ik ga zo naar D-toren

E: ja

R: dan ga ik effe zo in mijn Guardia pak (de rechtbank begrijpt: mijn uniform) zo en dan kom ik zo

E: is goed chinees

R: effe bakkie doen boven, sigaretje roken zo meteen en dan kom ik wel helpen met die Trinidad

E: ja is goed zo

R: Trinidad zo nee toch?

E: Nee het is Curaçao en Trinidad zo meteen

R: oke is goed

- een tapgesprek met gespreksnummer 270077266 d.d. 24 mei 2007 te 13.22 uur (zaaksdossier C5, dossierpagina 104).

[verdachte] (R) belt uit naar [medeverdachte1] (E). Beiden maken gebruik van een "actietelefoon". Desgevraagd zegt [medeverdachte1] dat hij bandje 19 is samen met [betrokkene6] en die vent van de Kmar. Hierop zegt [verdachte] dat hij wel even komt kijken.

- een tapgesprek met gespreksnummer 270077267 d.d. 24 mei 2007 te 13:29 uur (zaaksdossier C5, dossierpagina 105):

[medeverdachte1] (En) belt uit naar [medeverdachte3] (Cl). Beiden maken gebruik van een "actietelefoon".

En: Hoe komt die gozer?

Cl: Nee... hadden ze niet gezegd drievierde ding.

En: Ja, maar ik moet de kleur van boven weten.

Cl: Nee, man.

En: oei en dat... oei en dat... Ik dacht dat Jij het had gevraagd voor het geval dat.

Cl: Nee, monstruo voor het geval dat dan merkje het nietwaar?

En: Luister mmmmmmm. Hoe ga ik het doen? Chinees?

En: Zo goed als zeker komt hij/het nu ongeveer aan. Begrijp je?.

Cl: Wat?

En: Dat komt ongeveer nu aan.

Cl: ja, ja.

En: Begrip je? Dus wat hij gaat doen uhm laat me denken... hij gaat zitten....

want dat ding komt aan op de 18 op band 18

Cl:. Ja.

En: Begrijp je? Hij kan bijvoorbeeld gaan zitten bij de 19 totdat ik nieuwe

instructies/orders geef

Cl: Okee. Hij moet bij de 19 gaan zitten.

En: Op de 18 en hij moet bij de 19 gaan zitten.

Cl: okee.

En: tot nieuwe instructie/order

Cl: dat is goed

En: Zeg tegen de meneer dat binnen vijf minuten of tien blijf bellen, bellen,

bellen en zeg het hem.

- een tapgesprek met gespreksnummer 270077276 d.d. 24 mei 2007 te 14:11 uur (zaaksdossier C5, dossierpagina 108):

[medeverdachte1] (En) belt uit naar [medeverdachte3] (Cl). Beiden maken gebruik van een “actietelefoon".

Cl. Hallo monstruo.

En: Ik heb hem al gezien.

Cl: Een geel T-shirt en weet ik veel, weet ik veel, lichte broek weet ik veel iets daar.

En: Niet geel, maar -groen.

Cl: Hij is daar al tijd monstruo ik weet niet hoe het/hij is jij had gezegd dat hij moest gaan zitten, dat had jij tegen mij gezegd.

En: Luister zeg hem dat hij het pakt en dat hij tegenover de 17 gaat er uitgaat. Tegenover band 17.

Cl: Dat hij er uitgaat?

En: Ja. Dat hij dat pakt als het er is en dan snel weggaaf.

- een tapgesprek met gespreksnummer 270077372 d.d. 24 mei 2007 te 14:16 uur (zaaksdossier C5, dossierpagina 109):

[medeverdachte1] (En) belt uit naar [medeverdachte3] (Cl). Belden maken gebruik van een "actietelefoon".

Cl: Zeg het eens monstruo.

En: Hij gaat er via de 3 uit, snel.. hij is in het groen…. snel. De 3 snel.

Cl. Ciao, ciao.

- een proces verbaal van bevindingen observatie d.d. 24 mei 2007 (zaaksdossier C5, dossierpagina 154 t/m 156), inhoudende – zakelijk weergegeven – het navolgende:

Op 24 mei 2007 omstreeks 14.10 uur wordt gezien dat [verdachte] en [medeverdachte1] beiden gekleed in het uniform van de douane ter hoogte van bagageband 17 nabij de reguliere douane uitgang in aankomst 3 van de luchthaven Schiphol staan en praten met een persoon lijkend op douanebeambte [medeverdachte2].

Op 24 mei 2007 omstreeks 14.13 uur wordt een onbekende man, gekleed in een groen-geel polo T-shirt gezien die nu ook een zwarte hardschalige koffer met zich mee draagt, en ter hoogte van de douanecontrole uitgang bij band 17, tussen [verdachte] en [medeverdachte1] doorloopt en niet aan een controle wordt onderworpen. Deze man was - naar later bleek - genaamd: [medeverdachte8]. Na zijn aanhouding bleek hij in het bezit van een ticket en een claimtag op naam van [medeverdachte8] reizende vanuit Lima, Peru met de KL 744.

- een tapgesprek met gespreksnummer 270077373 d.d. 24 mei 2007 om 14:17 uur (zaaksdossier C5, dossierpagina 110):

[medeverdachte1] (En) belt naar [medeverdachte3] (Cl). Beiden maken gebruik van een actietelefoon. CL: Zeg zelf eens monstrua.

En: Heb je hem gevonden?

Cl: Hij liep met een ding... sporttas..

En: groen, groen... hij heeft een normale harde tas.

Cl: Een tas en een koffer?

En: Ja. hij heeft een groene, groene.

Cl: En hij heeft een sporttas bij zich?

En: een rugtas man… een tas een normale.

Cl: He? He?

En: Heb jij niemand naar buiten zien komen waar ik je gezegd heb?

Cl: Luister goed, monstruo. Luister goed naar wat ik je zeg. Hij heeft een bulto... bulto... je weet wat een bulto is, nietwaar?

En: Ja.

Cl: een rode... hand.

En: Let daar niet op... Let op...

Cl: kut ze hebben hem meegenomen ...kut ze hebben de vrouw meegenomen en die gozer ... ik zeg je dat hij een rode handtas heeft.

En: Ik kan me dat niet herinneren?

Cl: Ah, maar hij is al meegenomen. En die griet ook. Beiden. Dat zeg ik je.

En: Wie heeft ze meegenomen?

Cl: He? aan de kant jongen (...)

- een tapgesprek met gespreksnummer 270077374 d.d. 24 mei 2067 om 14:29 uur (zaaksdossier C5, dossierpagina 112):

[medeverdachte1] (En) belt naar [medeverdachte3] (Cl). Beiden maken gebruik van een actietelefoon.

Cl: Monstruo

En: Zeg het eens.

Cl: Heb je die meneer gebeld? Wat was er aan de hand monstru

En: Zeg jij het mij maar.

Cl: Hoe zo? Jij zei me dat niemand het kon weten... dat is geprikt of weet ik veel.

En: Nee, joh. Dat was in niets.

Cl: He?

En: Dat was in niets.

Cl: Was in niets?

En: mm

Cl: Dat is lelijk voor de foto ... Ze hebben die griet en die gozer meegenomen man.

En: Wie?

Cl: Die gozer had een jeans aan nietwaar?

En: Dat kan ik me niet goed herinneren, monstruo.

Cl: Diablo!! Heb jij hem, die gozer, niet gezien monstruo?

En: Natuurlijk. Is hij er niet door?

Cl: He?

En: Door wie is hij meegenomen?

Cl: Mensen in burger monstruo die hebben hen beiden meegenomen, haar en die gozer.

(…)

En: Laten we dat ding weggooien dan hoor je me

Cl: Ja ja ja die gooien we weg hoor je

En: Ciao, ciao.

- een proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 mei 2007 (zaaksdossier E7, dossierpagina 60 e.v.), inhoudende - kort samengevat - het navolgende: [verdachte] is bij zijn aanhouding in het bezit van een rode samsung telefoon. Tevens zit er in een sporttas die hij met zich voerde een uniformbroek van de douane en een papier. Op dit papier staat een foto van de aangehouden koerier [medeverdachte8] afgebeeld. Naast deze foto staan op dit papier de vluchtgegevens van de vlucht waarmee [medeverdachte8] had gevlogen.

- een proces-verbaal aanhouding (persoonsdossier B5, dossierpagina 3), inhoudende de aanhouding van [medeverdachte9] op 24 mei 2007 te Schiphol te 14:15 uur terzake vermoedelijke overtreding van de Opiumwet.

- een proces-verbaal van bevindingen Verdovende Middelen (zaaksdossier C5, dossierpagina 159), inhoudende – zakelijk en verkort weergegeven – het navolgende:

Er werd een nader onderzoek ingesteld naar de bagage die [medeverdachte8] met zich voerde. Uit dit onderzoek bleek dat er tussen de wanden en de voering van de bodem en het deksel van de zwarte koffer een zak met daarin een witte stof was aangebracht. Deze witte stof werd getest met een van rijkswege verstrekte en daartoe bestemde MMC cocaïne testset.

Tijdens deze test waarbij de stof werd getest op de aanwezigheid van cocaïne trad een positieve kleurreactie op zodat aangenomen werd dat de geteste stof vermoedelijk cocaïne betrof, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst 1. Het netto gewicht werd vastgesteld op 9977,4 gram. Van de in beslaggenomen stof werden twee (2) representatieve monsters, ingeschreven onder nummer 07-037741 A t/m B, genomen en ter analyse aan het Douane Laboratorium te Amsterdam gebracht.

- het deskundigenrapport van het Douane Laboratorium te Amsterdam van 25 mei 2007 (zaaksdossier C5, dossierpagina 161), inhoudende de conclusie dat het onderzochte materiaal met nummer 07-037741 A t/m B cocaïne bevat.

- een proces-verbaal van doorzoeking en inbeslagname d.d. 25 mei 2007 (Inbeslagnamedossier E 8, dossierpagina 8), inhoudende – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende:

Aansluitend aan de aanhouding van medeverdachte [medeverdachte1] werd een doorzoeking verricht in diens woning aan de Slachthuiskade 13 te Rotterdam. Tijdens deze doorzoeking werden de navolgende goederen met betrekking tot de drugssmokkel van 24 mei 2007 aangetroffen:

• Twee doosjes van rode samsung mobiele telefoons behorend bij de actietelefoons van [verdachte] en [medeverdachte2];

- een proces- verbaal van 1e verhoor d.d. 25 mei 2007 omstreeks 13:30 uur van verdachte (zaaksdossier C5, dossierpagina 194) inhoudende – zakelijk en verkort weergegeven – zijn verklaring dat:

- hij “raak" wordt genoemd;

- hij twee mobiele telefoons, een zilveren nokia en een rode samsung, gebruikt;

- hij zijn werk uitvoert in een uniform van de douane;

- hij zich na zijn dienst heeft omgekleed in burger kleren waarna hij zijn uniform in een tas heeft gestopt;

- hij op 24 mei 2007 tussen 13:30 uur en 14:00 uur samen met [medeverdachte1] del [medeverdachte1] in aankomsthal 3, bij visitatie handbagage ter hoogte van bagageband 16/17, heeft gestaan terwijl zijn dienst pas om 14:00 uur begon;

Feit 3

De bewijsmiddelen zoals hiervoor ten aanzien van de feiten 1 en 2 opgenomen, en welke redengevend zijn voor de bewezenverklaring van hetgeen verdachte onder feit 3 is ten lastegelegd, worden geacht tevens als bewijsmiddel voor dit feit te zijn opgenomen.

- een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal inhoudende het 8e verhoor van medeverdachte [medeverdachte5] d.d. 29 juni 2007 (zaaksdossier C3, pagina 323 e.v.), inhoudende – zakelijk en verkort weergegeven – zijn verklaring: dat [verd[verdachte] hem vertelde dat hij de 3 koffers met cocaïne zou kunnen doorlaten en dat hij daarvoor € 25.000,- per koffer wilde hebben en dat hij [verdachte] heeft gezegd dat hij dat na moest vragen en daarover niet zelf besliste.

Op 2 december 2006 om 18.00 uur hadden ze allemaal afgesproken bij [shoarmazaak], een shoarmazaak. Hij vertelde [verdachte] toen dat ze akkoord waren gegaan met het bedrag van

€ 25.000,- per koffer.

- een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal inhoudende het verhoor van medeverdachte [medeverdachte4] d.d. 4 juli 2007 (zaakdossier C3, pagina 222 e.v.), inhoudende – zakelijk en verkort weergegeven – zijn verklaring: dat - op de vraag hoeveel [verdachte] zou krijgen - hij het wel heeft gehoord en dacht dat het 20.000 of 25.000 euro per koffer was..

- een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte11] d.d. 14 mei 2007 (zaaksdossier C9, pagina 73 tot en met 75), inhoudende – zakelijk en verkort weergegeven – haar verklaring dat:

-zij de man die haar vandaag heeft aangehouden kent als een corrupte douaneambtenaar genaamd [verdachte];

-zij eerder door hem in februari 2006 is aangehouden;

-zij achteraf gehoord heeft van de jongen die eigenlijk de drugs had moeten brengen dat zij door de persoon, [verdachte], was aangehouden omdat hij, [verdachte], niet genoeg geld had gekregen om haar en anderen door te laten;

-zij weet dat er twee organisaties zijn, één in Nederland en één in Suriname. De organisatie in Nederland zorgt dat je door de douane komt, de Douane laat je bij een honderd procent controle door omdat ze weten hoe je eruit ziet.

-de organisatie heeft contact met mensen bij de douane.

- een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte11] als getuige d.d. 26 juli 2007 (zaaksdossier C9, pagina 80 tot en met 82), inhoudende – zakelijk en verkort weergegeven – haar verklaring dat:

- in 2005 tegen haar was gezegd dat wanneer zij 1 kilo cocaïne zou slikken, dan zou een deel van de opbrengst van deze cocaïne voor de organisatie in Suriname zijn en een deel voor de mannen van Schiphol;

-dat zij de Hindoestaanse douaneman door wie zij op 14 mei 2007 is aangehouden, bij zijn achternaam kende;

- zij wist dat dit [verdachte] was.

Ten aanzien van feit 4 (zaaksdossier C7):

- een proces-verbaal van bevindingen aantreffen imitatievuurwapens (zaaksdossier C7, dossierpagina 6 e.v.), inhoudende – zakelijk weergegeven – onder meer het navolgende:

Op donderdag 24 mei 2007 heeft er op het verblijfadres van verdachte [verdachte], [verblijfadres] een doorzoeking plaatsgevonden in aanwezigheid van de rechter-commissaris. In een boekenkast naast het bed aan de raamzijde, op de slaapkamer van verdachte [verdachte] is het navolgende aangetroffen:

- een imitatievuurwapen kleur zwart van het merk “Z”met opschrift “Made in China”.

- een imitatievuurwapen kleur grijs van het merk Dyal, met het opschrift “Made in Spain”.

- een imitatievuurwapen kleur zilver/grijs van het merk PACHMAY type Colt MK IV, series 80.

- een proces-verbaal van bevindingen (zaaksdossier C7, dossierpagina 8), zakelijk en verkort weergegeven, inhoudende:

Het in beslaggenomen imitatievuurwapen kleur grijs van het merk Joal, met het opschrift “Made in Spain” is een voorwerp dat voorkomt op lijst a van Bijlage I van de Regeling Wapens en Munitie, zijnde een pistool van het merk Joal en het A-11 made in Spain.

Derhalve is dit een voorwerp een wapen in de zin van artikel 2, lid 1, categorie I, onder 7 van de Wet Wapens en Munitie, gelet op artikel 3 onder b van de Regeling Wapens en Munitie en bijlage I van de Regeling Wet Wapens en Munitie.

- een proces-verbaal van bevindingen (zaaksdossier C7, dossierpagina 10), zakelijk en verkort weergegeven, inhoudende:

Het in beslaggenomen imitatievuurwapen kleur zilver/grijs van het merk PACHMAY type Colt MK IV, series 80 is een nabootsing van een pistool die voor wat betreft vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoond met een bestaand vuurwapen, namelijk een pistool van het merk Colt Government, model MKIV, type series 80.

Derhalve is dit een voorwerp een wapen in de zin van artikel 2, lid 1, categorie I, onder 7 van de Wet Wapens en Munitie, gelet op artikel 3 onder a van de Regeling Wapens en Munitie.

- een proces-verbaal van bevindingen (zaaksdossier C7, dossierpagina 12), zakelijk en verkort weergegeven, inhoudende:

Het in beslaggenomen imitatievuurwapen kleur zwart van het merk “Z”met opschrift “Made in China”, is een nabootsing van een pistool die voor wat betreft vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoond met een bestaand vuurwapen, namelijk een pistool van het merk Pietro Beretta, model 92G, type Elite II.

Derhalve is dit een voorwerp een wapen in de zin van artikel 2, lid 1, categorie I, onder 7 van de Wet Wapens en Munitie, gelet op artikel 3 onder a van de Regeling Wapens en Munitie.

- een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 5 juli 2007 (zaaksdossier C7, dossierpagina 15 e.v.), inhoudende – zakelijk weergegeven – onder meer zijn verklaring dat:

hij op de [perceel a] te Den Haag verblijft en dat hij dan slaapt in de grootste kamer met die blauwe muren.

Feit 5

De bewijsmiddelen zoals hiervoor onder de feiten 1, 2 en 3 opgenomen, en welke redengevend zijn voor de bewezenverklaring van hetgeen verdachte onder feit 5 is tenlastegelegd, worden geacht tevens als bewijsmiddelen voor dit feit te zijn opgenomen.

3.3 Bewijsoverweging

Verdachte heeft zich gedurende het onderzoek Aloë, als ook ter terechtzitting veelal op zijn zwijgrecht beroepen. Verdachte heeft zich verder beperkt tot de ontkenning dat hij betrokken is bij de tenlastegelegde feiten; hij heeft daarmee geen verklaring willen geven voor de belastende verklaringen die medeverdachten tegen hem hebben afgelegd en evenmin voor de overige stukken die zich in het omvangrijke dossier bevinden.

De rechtbank is van oordeel dat uit de verklaringen van medeverdachten, tapgesprekken, de observaties, de verrichte aanhoudingen en daarbij aangetroffen goederen, een en ander in onderling verband en samenhang bezien, naar voren komt dat verdachte bij de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten is betrokken. Zowel op 3 december 2006 als op 24 mei 2007 is hij op Schiphol aanwezig - in zijn douane-uniform - op het tijdstip van aankomst van de bewuste koffers met cocaïne.

Over de rol van verdachte bij de opzettelijke invoer van ongeveer 68 kilogram cocaïne op 3 december 2006 is door medeverdachten [medeverdachte5], [medeverdachte4], [medeverdachte7] en [medeverdachte6] uitvoerig verklaard, namelijk dat verdachte, als douaneambtenaar, tijdens zijn dienst op 3 december 2006 er voor zou zorg dragen dat de afhalers met de drie koffers cocaïne zonder problemen door de controle zouden komen en dat hij daar 25.000 euro per koffer voor wilde ontvangen. Ook zou verdachte kunnen aangeven of er mogelijk rechercheurs rond zouden lopen, hetgeen verdachte ook heeft gedaan en zijn medeverdachten hiervoor vervolgens heeft gewaarschuwd. Uit de registratie van zijn schipholpas blijkt dat verdachte rond het tijdstip dat de koffers met de cocaïne op de bagageband 15 werden gelost ook daadwerkelijk in de aankomsthal was waar deze bagageband zich bevindt.

De betrokkenheid van verdachte bij de opzettelijke invoer van bijna 10 kilogram cocaïne op 24 mei 2007 te Schiphol blijkt uit de vele opgenomen telefoongesprekken en de observaties van 20, 23 en 24 mei 2007, in onderling verband bezien. Hieruit kan worden afgeleid dat verdachte de Chinees is voor wie een mobiele telefoon klaar gemaakt wordt en die de Kameel, medeverdachte [medeverdachte2], moet briefen. Dat blijkt ook uit de bij verdachte aangetroffen mobiele telefoon en de bij medeverdachte [medeverdachte1] aangetroffen doosjes van de mobiele telefoons, waarvan de IMEI nummers overeenkomen.

Dat de rol van verdachte bij deze invoer het ongecontroleerd doorlaten van de koerier [medeverdachte9] was, blijkt daarnaast ook uit de bij verdachte na diens aanhouding aangetroffen foto en vluchtgegevens van deze [medeverdachte9].

Verder is de rechtbank van oordeel dat gelet op de door verdachte bij het feit van 3 december 2006 volgens medeverdachten geëiste geldbedrag, het aannemelijk is dat verdachte ook in dit geval een beloning heeft geëist voor het ongecontroleerd doorlaten van de koffer met cocaïne. Uit de verklaringen die [medeverdachte11]s als verdachte en getuige heeft afgelegd valt eveneens af te leiden dat voor het niet aanhouden van koeriers met verdovende middelen geld aan de douaniers, onder wie verdachte, werd betaald voor het doorlaten van koeriers met cocaïne.

Ten aanzien van het onder 5 bewezenverklaarde feit overweegt de rechtbank nog het volgende. Op grond van de vele afgeluisterde telefoongesprekken, geobserveerde ontmoetingen en verklaringen van medeverdachten, onder wie [medeverdachte10], in onderlinge samenhang bezien, is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in zijn rol van doorlatende douanier, gedurende een zekere bestendige periode, deel heeft uitgemaakt van een organisatie waarbinnen sprake was van een bewuste en nauwe samenwerking gericht op de invoer van hoeveelheden cocaïne in Nederland.

Ten aanzien van het onder 4 bewezenverklaarde feit overweegt de rechtbank het volgende.

Op het verblijfadres, in de slaapkamer van verdachte zijn een drietal imitatievuurwapens aangetroffen. De raadsman van verdachte heeft betoogd dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte deze imitatievuurwapens voorhanden heeft gehad, aangezien verdachte niet de enige is die op deze slaapkamer slaapt maar zijn broer daar eveneens slaapt. De rechtbank verwerpt dit verweer. Verdachte heeft tegenover de Koninklijke Marechaussee verklaard dat hij vaak op het adres [perceel a] in Den Haag verblijft en dan in de kamer, waar de imitatievuurwapens zijn aangetroffen, slaapt. Mede in aanmerking nemend dat de imitatievuurwapens zijn aangetroffen op een niet afgesloten plek, te weten in een boekenkast en voorts dat de stelling dat de broer van verdachte en andere mensen eveneens regelmatig in die kamer slapen op geen enkele wijze concreet is onderbouwd, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat het verdachte is geweest die deze wapens voorhanden heeft gehad. Tenslotte wordt de rechtbank in haar overtuiging dat verdachte zich aan de thans bewezenverklaarde feiten heeft schuldig gemaakt, gesterkt door de omstandigheid dat verdachte ten aanzien van alle hiervoor genoemde hem belastende bewijsmiddelen die redengevend zijn voor het bewijs dat hij de bewezenverklaarde feiten heeft begaan, geen de redengevendheid voor het bewijs van de in die bewijsmiddelen vervatte feiten en omstandigheden ontzenuwende verklaring heeft kunnen of willen geven..

4. Strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

Ten aanzien van feit 2:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod waarbij hij en mededaders als ambtenaar door het begaan van dat strafbare feit een bijzondere ambtsplicht schenden.

Ten aanzien van feit 3:

als ambtenaar een gift of belofte aannemen, wetende dat deze hem gedaan of aangeboden wordt teneinde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen of na te laten, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van feit 4:

handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van feit 5:

het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10 vijfde lid van de Opiumwet.

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van sanctie(s) en van overige beslissingen

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten en gevorderd dat verdachte terzake zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaar met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Daarnaast heeft de officier van justitie verbeurd verklaring gevorderd van de onder verdachte in beslaggenomen goederen vermeld op de beslaglijst.

Daarnaast heeft de officier van justitie gevangenneming gevorderd voor de feiten 3 en 5 op de tenlastelegging.

6.2 Hoofdstraf

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft gedurende een periode van tenminste drie maanden een belangrijke rol gespeeld binnen een criminele organisatie die zich bezighield met het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne. Zowel op 3 december 2006 als op 24 mei 2007 is er mede door toedoen van verdachte daadwerkelijk bijna 68 respectievelijk bijna 10 kilogram cocaïne te Schiphol in Nederland ingevoerd.

De rol van verdachte in de organisatie was prominent en belangrijk en hield in dat hij als douaneambtenaar belast met de (zogeheten 100 %) controle op de invoer van harddrugs samen met een of meer collega douaneambtenaren ervoor zou zorgdragen dat respectievelijk afhalers van die koffers met cocaïne en een koerier zonder (deugdelijke) controle met die koffers met daarin cocaïne van airside naar landside konden gaan. Verdachte vroeg daarvoor per koffer aanzienlijke geldbedragen, gelijk aan zijn jaarsalaris.

Aldus heeft verdachte een belangrijke bijdrage geleverd aan de instandhouding van het internationale drugscircuit. Het gaat hierbij om cocaïne, een stof die gevaarlijk is voor de gezondheid van gebruikers, met alle gevolgen voor de gebruikers en voor de maatschappij van dien. Drugshandel gaat immers vaak gepaard met geweldscriminaliteit en leidt tot vele vormen van vermogenscriminaliteit bij de verslaafden. Met de handel in deze stoffen wordt veel geld verdiend. Kennelijk heeft verdachte zich, met voorbijzien aan de gezondheidsrisico’s voor anderen, enkel laten leiden door het oogmerk van financieel gewin.

De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij bij de bewezen verklaarde feiten misbruik heeft gemaakt van zijn functie van douaneambtenaar, temeer daar hij er in die hoedanigheid nu juist voor had moeten zorgen dat cocaïne op Schiphol, onderschept en in beslaggenomen werd. Door zijn handelwijze heeft hij het vertrouwen dat in hem als douaneambtenaar werd gesteld op grove wijze beschaamd. Aldus heeft verdachte getracht het systeem van controle op de internationale drugshandel te ondermijnen. Door zijn handelen heeft hij bovendien de integriteit van de Douane op Schiphol ernstig in diskrediet gebracht.

Georganiseerde misdaad is in de ogen van de rechtbank één van de schadelijkste vormen van criminaliteit, doorgaans niet gepleegd door mensen die onder invloed van een hevige emotie voor korte tijd de grenzen niet meer zien, maar juist gepleegd door mensen die een koele berekening en inschatting hebben gemaakt van de risico’s en de opbrengsten en tot de conclusie zijn gekomen dat misdaad loont.

De rechtbank neemt in aanmerking dat een organisatie als de onderhavige gelet op haar criminele oogmerk en de daarmee samenhangende handelingen de rechtsorde ondermijnt. Kenmerkend voor zo’n organisatie is dat het, door het bestaan van een samenwerkingsverband, criminaliteitsbevorderend werkt. Hierbij dient te worden betrokken dat door de ontplooide activiteiten grote illegale geldstromen plegen te worden gegenereerd.

Daarnaast heeft verdachte een drietal imitatievuurwapens in bezit gehad. Het voorhanden hebben van een op een echt vuurwapen gelijkend voorwerp kan een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich brengen.

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten een vrijheidsbenemende straf van aanzienlijke en hierna te noemen duur aan verdachte moet worden opgelegd.

6.3 Verbeurdverklaring

De rechtbank is van oordeel dat de onder verdachte inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten een simkaart, een KPN diverse, twee telefoontoestellen en een papier dienen te worden verbeurd verklaard. Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat het bewezenverklaarde feit met behulp van die voorwerpen die aan verdachte toebehoren, is begaan of voorbereid.

6.4 Vordering tot gevangenneming voor de feiten 3 en 5

Nu de rechtbank tot veroordeling komt voor de onder 3 en 5 tenlastegelegde feiten, op die feiten de door de rechtbank opgelegde vrijheidsbenemende straf mede is gegrond en die feiten toepassing van de voorlopige hechtenis mogelijk maken, zal de rechtbank de gevangenneming terzake van die feiten bevelen, welk bevel afzonderlijk zal worden geminuteerd.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

33, 33a, 44, 47, 57 en 363 van het Wetboek van Strafrecht.

2, 10 en 11a van de Opiumwet.

13 en 55 van de Wet Wapens en Munitie.

8. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte de onder 1, 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.1 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezenverklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van NEGEN (9) JAREN.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Beveelt de gevangenneming van verdachte voor de onder 3 en 5 bewezenverklaarde feiten.

Verklaart verbeurd:

- 1.00 stk Diverse SIMKAART

- 1.00 stk Diverse KPN

- 1.00 stk Telefoontoestel NOKIA 8800

- 1.00 stk Telefoontoestel SAMSUNG Sgh-C260

- 1.00 stk Papier

9. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. L.M. de Vries, voorzitter,

mr. R.E.A. Toeter en mr. M. Hoendervoogt, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffiers mr. D. Ket en mr. W.J. de Baat,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 8 februari 2008.

Mr. De Vries is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.