Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BC3969

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
11-02-2008
Datum publicatie
11-02-2008
Zaaknummer
07/2396
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2008:BG8902, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afttrekbare kosten. Drukkende kosten. Uit ontslagprocedure voortvloeiende advocaatkosten. Vergelijking met leden van Gedeputeerde Staten en wethouders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2008-0342
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 07/2396

Uitspraakdatum: 11 februari 2008

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

X, wonende te Z, eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst te P, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Met dagtekening 18 juli 2006 heeft verweerder aan eiser voor het jaar 2003 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 178.699 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 21.701.

Met een brief van 4 augustus 2006 is namens eiser bezwaar gemaakt tegen voornoemde aanslag.

Bij uitspraak van 20 februari 2007 heeft verweerde het bezwaar gegrond verklaard en de aanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 15.135. Het belastbaar inkomen uit werk en woning is gehandhaafd op € 178.699.

Tegen deze uitspraak is namens eiser een op 29 maart 2007 gedagtekend beroepschrift ingediend dat de rechtbank op 30 maart 2007 heeft ontvangen.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 september 2007 te Haarlem alwaar eiser in persoon is verschenen tezamen met zijn gemachtigde, mr. Y, en verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. Q.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

Eiser is vanaf 1990 in loondienst werkzaam geweest bij A BV (hierna: A). Sedert 1 december 1990 is eiser door A gedetacheerd bij B BV in de functie van bestuurder van die vennootschap. Per 26 maart 2003 is belanghebbende ontslagen door A, waarna eiser een ontslagprocedure heeft gevoerd tegen zijn voormalige werkgever bij de kantonrechter te Haarlem.

Bij beschikking van 4 juli 2003 heeft de kantonrechter onder meer beslist dat de arbeidsovereenkomst tussen eiser en A per 31 juli 2003 ontbonden wordt en dat A aan eiser een vergoeding dient te betalen van € 509.450 bruto ten titel van suppletie. Voorts heeft de kantonrechter geoordeeld dat de kosten van juridische bijstand die eiser in verband met de ontslagprocedure heeft moeten maken, geacht worden uit de toegekende vergoeding te worden bestreden.

Eiser heeft zich in de ontslagprocedure juridisch laten bijstaan door diverse advocaten en adviseurs. De kosten hiervan beliepen in totaal € 59.408 en zijn in het jaar 2003 betaald. Van deze kosten heeft A, in verband met niet door eiser opgenomen vakantie- en verlofdagen, € 10.000 voldaan aan C Advocaten en notarissen. De overige kosten zijn door eiser betaald.

Op 16 juni 2005 heeft eiser de aangifte IB/PVV 2003 ingediend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 131.561. Daarbij heeft eiser per saldo een bedrag van € 47.138 (€ 49.408 onder aftrek van een drempel van € 2.270) als aftrekbare beroepskosten opgenomen.

Nadat verweerder schriftelijk vragen heeft gesteld over de aangifte IB/PVV 2003 heeft verweerder de beroepskosten niet geaccepteerd en het belastbaar inkomen uit werk en woning vastgesteld op € 178.699.

3. Geschil

In geschil is of eiser de uit de ontslagprocedure voortvloeiende advocaatkosten ad € 49.407 als aftrekbare kosten in mindering mag brengen op zijn belastbaar inkomen uit werk en woning.

Eiser heeft aangevoerd dat hij zich beroept op het gelijkheidsbeginsel omdat wethouders en leden van Gedeputeerde Staten hun arbeidskosten wel in aftrek kunnen brengen ondanks dat zij sinds 7 maart 2002 respectievelijk 12 maart 2003 in loondienst werkzaam zijn. Daartoe stelt eiser dat er sprake is van bewust begunstigend beleid van de Staatssecretaris van Financiën. Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de belastingaanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 131.561.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de advocaatkosten niet op eiser drukken omdat de kantonrechter heeft beslist dat de kosten van de juridische bijstand geacht worden uit de vergoeding te worden bestreden. Voorts stelt verweerder dat er geen sprake is van bewust begunstigend beleid of van interpretatief beleid dat berust op een onjuiste wetstoepassing en dat evenmin de meerderheidsregel van toepassing is. Ten slotte stelt verweerder, onder verwijzing naar de uitspraak van de Hoge Raad d.d. 8 juli 2005, nr. 39 870, BNB 2005/310, dat er geen sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

Ter zitting heeft eiser aangegeven zijn subsidiaire stelling, dat er geen rechtvaardiging is voor het wettelijke onderscheid dat de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB) geen beroepskostenaftrek kent, terwijl dergelijke kosten op grond van artikel 3.81 van de Wet IB in verbinding met de Wet op de Loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB) wel belastingvrij vergoed mogen worden door de werkgever, niet te handhaven.

De rechtbank dient thans dan ook nog te beoordelen of de kosten van € 49.407 op eiser drukten en, zo ja, of het gelijkheidsbeginsel dan meebrengt dat eiser die kosten als aftrekbare kosten in mindering mag brengen op zijn inkomen.

De rechtbank overweegt dat de kantonrechter aan eiser een vergoeding van € 509.450 heeft toegekend vanwege inkomensschade, gelijk door hem is verzocht. Nu dit bedrag dient ter vervanging van te derven loon dient het, conform artikel 3.82 van de Wet IB, te worden aangemerkt als loon.

De kantonrechter heeft geen vergoeding toegekend voor de door eiser gemaakte kosten van juridische bijstand, maar heeft bepaald dat deze kosten geacht worden uit de toegekende vergoeding te worden bestreden. De rechtbank begrijpt dit aldus dat eiser zijn eigen kosten dient te dragen waarbij er vanuit wordt gegaan dat eiser deze kosten voldoet uit de hem toegekende vergoeding. Hieruit volgt dat er wel sprake is van op het loon drukkende kosten nu eiser de kosten van juridische bijstand zelf dient te voldoen aangezien hem hiervoor geen (afzonderlijke) vergoeding van de kantonrechter is toegekend.

Eiser stelt zich op het standpunt dat hij de gemaakte kosten van juridische bijstand als aftrekbare beroepskosten in mindering mag brengen op zijn belastbaar inkomen uit werk en woning. Daartoe beroept hij zich op een fiscaal gelijke behandeling met wethouders en leden van Gedeputeerde Staten die wel beroepskosten mogen aftrekken en stelt hij dat er sprake is van bewust begunstigend beleid van de Staatssecretaris van Financiën.

De rechtbank overweegt dat bij de invoering van de Wet IB de beroepskostenaftrek voor werknemers is vervallen. Wel is de aftrek van deze kosten in de Wet IB behouden voor personen die resultaat uit overige werkzaamheden genieten.

Vóór de dualisering van het provincie- en gemeentebestuur hadden leden van Gedeputeerde Staten en wethouders de status van gekozen bestuurder en kwalificeerde hun arbeidsverhouding niet als dienstbetrekking in de zin van de Wet LB. De door hen uit hoofde van hun functie genoten inkomsten werden voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen aangemerkt als resultaat uit overige werkzaamheden. Op grond van artikel 4, letter g, van de Wet LB kon de arbeidsverhouding van wethouders en leden van Gedeputeerde Staten op verzoek als dienstbetrekking worden aangemerkt.

Op 7 maart 2002 is voor wethouders het duale stelsel ingevoerd en op 12 maart 2003 voor leden van Gedeputeerde Staten. Sinds de invoering van het duale stelsel hebben leden van Gedeputeerde Staten en wethouders de status van ambtenaar in de zin van de Ambtenarenwet en is hun arbeidsverhouding aan te merken als een dienstbetrekking in de zin van artikel 2 van de Wet LB.

In het Besluit van 14 oktober 2005, DGB 2005/5489M (hierna: het Besluit), heeft de Staatssecretaris van Financiën zich uitgelaten over de arbeidsverhouding van wethouders en de leden van Gedeputeerde Staten. In het Besluit geeft de Staatssecretaris (onder meer) aan dat hem recentelijk is gebleken dat de positie van wethouders en de leden van Gedeputeerde Staten onder het duale stelsel is gewijzigd. Voorts geeft hij aan dat in de communicatie naar de betrokkenen toe tot dusverre steeds is aangegeven dat deze functionarissen belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden genieten; dat zij de mogelijkheid hebben te opteren voor de loonbelasting en dat van de opting-in mogelijkheid in de praktijk op ruime schaal gebruik is gemaakt. Voor zover de genoemde functionarissen hun inkomsten in de inkomstenbelasting hebben aangegeven als belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden acht hij het niet juist daarop terug te komen. Met ingang van 1 januari 2006 worden leden van Gedeputeerde Staten en wethouders in de loonbelasting betrokken.

Blijkens het Besluit heeft de belastingdienst de arbeidsverhouding van wethouders in de periode 7 maart 2002 tot en met 31 december 2005 en voor leden van Gedeputeerde Staten in de periode van 12 maart 2003 tot en met 31 december 2005 onjuist gekwalificeerd. Vast staat dat de fiscale behandeling van wethouders en de leden van Gedeputeerde Staten in die perioden ongewijzigd is voortgezet en dat de belastingdienst is blijven handelen alsof de kwalificatie van de arbeidsverhouding van wethouders en de leden van Gedeputeerde Staten door de invoering van het duale stelsel niet is gewijzigd. Dit heeft tot gevolg gehad dat wethouders en leden van Gedeputeerde Staten tot 1 januari 2006 de mogelijkheid hadden beroepskosten in aftrek te brengen op het inkomen (resultaat uit overige werkzaamheden).

Naar het oordeel van de rechtbank is de arbeidsverhouding van wethouders en leden van Gedeputeerde Staten door de invoering van het duale stelsel - evenals de arbeidsverhouding van eiser - aan te merken als dienstbetrekking in de zin van artikel 2 van de Wet LB zodat in dat opzicht sprake is van gelijke gevallen.

Het is de rechtbank uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting echter niet gebleken, eiser heeft dit althans niet aannemelijk gemaakt, dat de ongelijke behandeling van wethouders en leden van Gedeputeerde Staten berustte op een bewust begunstigend beleid van verweerder. Naar het oordeel van de rechtbank kan de begunstigende behandeling worden toegeschreven aan een onjuiste opvatting van verweerder dat de arbeidsverhouding van wethouders en leden van Gedeputeerde Staten, evenals vóór de inwerkingtreding van het duale stelsel, slechts als dienstbetrekking kwalificeerde indien daarvoor werd geopteerd. Als gevolg van deze onjuiste opvatting heeft verweerder in de uitvoeringspraktijk een onjuiste rechtstoepassing gehanteerd ten opzichte van wethouders en leden van Gedeputeerde Staten. Er zijn geen aanwijzingen dat verweerder bewust de onjuiste rechtstoepassing in de uitvoeringssfeer heeft gekozen om deze groep belastingplichtigen te begunstigen. De uitvoeringspraktijk waarbij wethouders en leden van Gedeputeerde Staten in weerwil van hun fiscaalrechtelijke positie werden aangemerkt als genieters van resultaat uit overige werkzaamheid en konden opteren voor de loonbelasting, heeft betrekking op een bepaalde groep belastingplichtigen. De rechtbank acht aannemelijk dat deze praktijk achterwege zou zijn gebleven indien verweerder al bij de invoering van het duale stelsel had onderkend dat de arbeidsverhouding van wethouders en leden van Gedeputeerde Staten als dienstbetrekking diende te worden aangemerkt. Aangezien eiser niet behoort tot de groep van belastingplichtigen ten aanzien van wie deze uitvoeringspraktijk werd gehanteerd, kan hij niet met een beroep op het gelijkheidsbeginsel bewerkstelligen dat de rechtens onjuiste uitvoeringspraktijk ook op hem van toepassing wordt verklaard over een tijdvak vóórdat de onjuistheid van die uitvoeringspraktijk was gebleken. In verband met het voorgaande wijst de rechtbank op de arresten van de Hoge Raad van 24 juni 2005, 38183, BNB 2005/275, en van 27 januari 2006, 39407, BNB 2006/150.

Ten slotte is gesteld noch gebleken dat in de meerderheid van de gevallen een juiste wetstoepassing achterwege is gebleven.

Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 11 februari 2008 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. J.L. Bruinsma, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. P.T. van Arnhem, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.