Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BC3879

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
16-01-2008
Datum publicatie
08-02-2008
Zaaknummer
122616 / HA ZA 06-359
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Werknemer die met WIW-subsidie in de markt is gezet wordt door werkgever in dienst genomen en wordt enige tijd later arbeidsongeschikt. Werkgever blijkt niet verzekerd te zijn en kan de loondoorbetalingsverplichting daardoor niet afwentelen.

Wg vordert schadevergoeding tegen gemeente wegens onzorgvuldige arbeidsbemiddeling.

Verwijten (o.m.): met te positief profiel aangeboden / ten onrechte onder WIW gebracht, had wet REA moeten zijn / o.g.v. WIW-subsidie had mocht ik aannemen dat arbeidsongeschik,theidsrisico was gedekt.

Afwijzing. Stellingen niet consistent. Bovendien:

* niet verwijtbaar onjuiste informatie omtrent de kandidaat verstrekt. Het is in de eerste plaats aan de betrokkene om juiste inlichtingen omtrent opleiding en werkervaring te verstrekken en aan de werkgever om onderzoek te doen op punten die cruciaal worden geacht

* toekenning WIW i.p.v. REA heeft formele rechtskracht

de met de werknemer gesloten arbeidovereenkomst met zoveel woorden is opgenomen “er is geen * * uit arbeidsovereenkomst met betr. blijkt dat wg zich ervan bewust was dat het GAK bij ziekte niet zou uitkeren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2008-0094
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

Vonnis in hoofdzaak en vrijwaring van 16 januari 2008

in de zaak met zaaknummer / rolnummer: 122616 / HA ZA 06-359 van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[X B.V.],

gevestigd te [p], gemeente [q],

eiseres,

procureur mr. P.A. Montagne-Helmig,

advocaat mr. J.C. Brouwer te Opmeer,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE ZAANSTAD,

zetelend te Zaandijk, gemeente Zaanstad,

gedaagde,

procureur mr. L. Koning,

advocaat mr. K.J.L. Verschoor te Amsterdam,

en in de zaak met zaaknummer / rolnummer 127876 / HA ZA 06-1175 van

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE ZAANSTAD,

zetelend te Zaanstad,

eiseres,

procureur mr. L. Koning,

advocaat mr. K.J.L. Verschoor te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[Y B.V.],

gevestigd te [s], gemeente [r],

gedaagde,

procureur mr. L.F. Jansen.

Partijen zullen hierna [X B.V.], ‘de Gemeente’ en [Y B.V.] genoemd worden.

1. De procedure in de hoofdzaak

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 27 september 2006;

- het proces-verbaal van comparitie van 13 februari 2007;

- de akte van [X B.V.] met 7 producties;

- de akte van de Gemeente.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De procedure in de vrijwaringszaak

2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 6 december 2006;

- het proces-verbaal van comparitie van 13 februari 2007;

- de akte van de Gemeente;

- de akte van [Y B.V.].

2.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

3. De feiten

3.1. [Y B.V.] begeleidt werkzoekenden bij de terugkeer naar de arbeidsmarkt. De Gemeente heeft met [Y B.V.] een overeenkomst gesloten op grond waarvan [Y B.V.] binnen de gemeente Zaanstad bemiddelt tussen werkzoekenden en werkgevers en werkzoekenden begeleidt en adviseert bij het zoeken naar een baan.

3.2. [X B.V.] is begin 2000 in contact gekomen met [A] (hierna: [A]) doordat [A] bij haar solliciteerde naar aanleiding van een vacature. [A] kwam echter niet in aanmerking voor de desbetreffende vacature. Omdat [A] tijdens zijn sollicitatie had aangegeven over een loonkostensubsidie te kunnen beschikken, heeft [X B.V.] nadien contact opgenomen met [A] in verband met een andere functie. [X B.V.] is vervolgens via [A] in contact gekomen met [Y B.V.] in verband met de aan te vragen subsidie.

3.3. Op 21 juni 2000 heeft [X B.V.] met [A] een arbeidsovereenkomst (hierna: de arbeidsovereenkomst) gesloten op basis waarvan [A] in dienst trad van [X B.V.]. In deze arbeidsovereenkomst is – voor zover van belang – het volgende opgenomen:

“Artikel 1: Aanvang, duur en beëindiging

1. Het dienstverband wordt aangegaan voor de bepaalde tijd van 24 (vierentwintig) maanden, ingaande op uiterlijk 21 juni 2000 en eindigt van rechtswege, zonder dat daartoe enige opzegging is vereist, op 21 juni 2002.

2. Het contract kent een proefperiode van 2 maanden.

(...)

Artikel 21: Bijzondere bepalingen

– Er is geen melding gemaakt van ziekte in het verleden, waardoor de Loonbetalingsplicht bij ziekte zou kunnen worden verlegd naar het GAK, op grond van artikel 29b ZW.

– Wij zullen een beroep doen op de regeling van de gemeente of het gak (LKS).

(...)”

3.4. Bij beschikking van 23 juni 2000 (middels een stempel tevens gedateerd op 27 juni 2000) heeft de Gemeente – naar aanleiding van een door [Y B.V.] namens [X B.V.] ingediende aanvraag – aan [X B.V.] een subsidie toegekend op grond van artikel 5 van de Wet inschakeling werkzoekenden (hierna: WIW).

3.5. Ongeveer drie maanden na indiensttreding bij [X B.V.] is [A] ten gevolge van een ongeval arbeidsongeschikt geraakt. Hij heeft nadien geen werkzaamheden meer bij [X B.V.] verricht. [X B.V.] heeft [A] tot het einde van zijn dienstverband loon doorbetaald. [X B.V.] was niet verzekerd tegen deze kosten.

3.6. [A] genoot voorafgaand aan de indiensttreding bij [X B.V.] vanaf ongeveer 1985, met enkele onderbrekingen, een (bijstands)uitkering van de Gemeente. Hij stond gedurende die tijd ingeschreven als werkzoekende.

3.7. Op 29 februari 2000 is door Arbeidsvoorziening Zuidelijk Noord-Holland ten aanzien van [A] een ‘Verklaring in de zin van artikel 12, van de Wet inschakeling Werkzoekenden’ afgegeven. Deze verklaring luidt – voor zover van belang – als volgt:

“Op verzoek van de gemeente:

Zaanstreek

(...) verklaart Arbeidsvoorziening Zuidelijk Noord-Holland, dat:

(...)

gezien de vastgestelde afstand tot de arbeidsmarkt en:

zijn periode van inschrijving bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie als werkloos werkzoekende van 17/7/’98 tot heden

wordt geïndiceerd voor de WIW.

Hierbij wordt het volgende geadviseerd:

een werkervaringsplaats in de zin van artikel 5, van de WIW.

(...)”

4. Het geschil

in de hoofdzaak

4.1. [X B.V.] vordert – samengevat – dat de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad:

I. voor recht verklaart dat de Gemeente aansprakelijk is voor de door [X B.V.] geleden schade;

II. de Gemeente veroordeelt tot betaling van € 186.518,09, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 juli 2005, althans vanaf een in goede justitie te bepalen datum, althans vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

III. de Gemeente veroordeelt tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van € 2.842,--, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

IV. de Gemeente veroordeelt in de kosten van deze procedure, vermeerderd met de wettelijke rente indien de Gemeente deze kosten niet binnen twee weken na betekening van het te wijzen vonnis heeft voldaan.

4.2. Het gevorderde bedrag van € 186.518,09 is als volgt opgebouwd:

- directe kosten dienstverband [A] € 26.009,15

- gevolgkosten € 13.039,44

- ondernemers/management uren € 50.569,27

- omzet effect € 47.160,15

totaal excl. belastingen € 136.778,01

totaal incl. belastingen € 186.518,09

4.3. [X B.V.] legt aan haar vordering ten grondslag dat de Gemeente onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door haar ertoe te bewegen een arbeidsovereenkomst met [A] aan te gaan, terwijl de Gemeente daarbij verwijtbaar nalatig heeft gehandeld. Volgens [X B.V.] waren de Gemeente en [Y B.V.] verantwoordelijk voor de plaatsing van [A] bij [X B.V.]. Daarbij heeft de Gemeente – al dan niet bij monde van [Y B.V.] – [X B.V.] onjuist geïnformeerd en onjuiste en misleidende informatie van [A] ondersteund.

Door de door de Gemeente verstrekte informatie is [X B.V.] onder andere in de veronderstelling komen te verkeren dat zij bij arbeidsongeschiktheid van [A] een beroep zou kunnen doen op artikel 29b Ziektewet (hierna: Zw).

4.4. Volgens [X B.V.] had zij de de arbeidsovereenkomst met [A] niet, of althans niet op dezelfde voorwaarden gesloten indien de Gemeente haar wel juist had geïnformeerd.

4.5. [X B.V.] stelt dat zij schade heeft geleden doordat zij het loon van [A] tijdens zijn arbeidsongeschiktheid zelf diende te betalen. Daarnaast stelt [X B.V.] omzetschade te hebben geleden door het slechte functioneren van [A] in de periode voorafgaand aan zijn arbeidsongeschiktheid. Ten slotte vordert [X B.V.] vergoeding van de interne kosten die zij heeft gemaakt ten gevolge van de problemen rond [A].

4.6. De Gemeente voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in de vrijwaringszaak

4.7. De Gemeente vordert – samengevat – dat [Y B.V.], uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld om aan de Gemeente te vergoeden al hetgeen waartoe de Gemeente jegens [X B.V.] in de hoofdzaak mocht worden veroordeeld, met veroordeling van [Y B.V.] in de kosten van de hoofdzaak en de vrijwaring.

4.8. De Gemeente legt aan deze vordering ten grondslag dat zij in verband met de uitstroom van werkzoekenden naar de arbeidsmarkt een overeenkomst heeft gesloten met [Y B.V.]. In het kader van de uitvoering van die overeenkomst droeg de Gemeente werkzoekenden over aan [Y B.V.], waarna [Y B.V.] een integratietraject diende te starten. Indien de Gemeente in de hoofdzaak aansprakelijk wordt gehouden voor de door [X B.V.] ten gevolge van onrechtmatige handelingen van [Y B.V.] geleden schade, dient deze schade voor rekening van [Y B.V.] te komen. In dat geval is [Y B.V.] immers tekort geschoten in de nakoming van de tussen haar en de Gemeente gesloten overeenkomst. Voorts kan de Gemeente in het geval dat in de hoofdzaak wordt vastgesteld dat sprake zou zijn van onrechtmatig handelen, regres nemen op [Y B.V.] ingevolge het bepaalde in artikel 6:102 jo. 6:10 Burgerlijk Wetboek.

4.9. [Y B.V.] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5. De beoordeling

in de hoofdzaak

5.1. [X B.V.] heeft het sub 4.3 weergegeven verwijt onderbouwd met de volgende stellingen:

(a) zowel de gemeente als [A] hadden ten tijde van de sollicitatie aan haar aangegeven dat [A] een juridisch arbeidsverleden had, dat hij een hardwerkende man was, dat hij kansrijk was voor de arbeidsmarkt en dat hij voorafgaand aan zijn dienstverband een sabattical year had genoten. Uit nadien door de gemeente beschikbaar gestelde gegevens is [X B.V.] evenwel gebleken dat [A] voorafgaand aan de indiensttreding geruime tijd een bijstandsuitkering had genoten. Ook is [X B.V.] gebleken dat de gemeente de subsidie die [X B.V.] werd toegekend, heeft aangemerkt als een subsidie op de voet van de WIW, hetgeen betekent dat [A] moeilijk plaatsbaar werd geacht.

[X B.V.] heeft aan dit verwijt bij akte na comparitie nog toegevoegd dat al sinds 1991 bij de gemeente bekend was dat [A] niet over de meesterstitel beschikte;

(b) [Y B.V.] heeft [X B.V.] aangegeven dat een tweejarig contract voldoende was om voor een loonkostensubsidie in aanmerking te komen. [Y B.V.] heeft deze uitlating gedaan zodat [A] twee jaar uitkeringsonafhankelijk zou worden;

(c) de gemeente heeft [X B.V.] niet goed voorgelicht. Zij heeft [X B.V.] niet op de hoogte gebracht van de mogelijkheid om een werkzoekende op basis van een WIW-dienstbetrekking te werk te stellen (inhoudende dat de werkzoekende een dienstverband met de gemeente krijgt en door deze wordt gedetacheerd bij een inlenend bedrijf). Die laatste mogelijkheid zou hebben meegebracht dat [X B.V.] geen verplichting zou hebben gehad om bij ziekte loon door te betalen;

(d) de gemeente heeft [X B.V.] doen geloven dat de WIW en de wet REA en daarmee gepaard gaande voorzieningen in dezen van toepassing waren en dat [A] een arbeidsgehandicapte was in de zin van de wet REA en de WIW. Vervolgens geeft de gemeente niet thuis wanneer [X B.V.] een beroep doet op de voorzieningen die de Wet REA biedt.

5.2. Veronderstellenderwijze aannemend dat de bemoeienis van [Y B.V.] bij de indienstteding van [A] bij [X B.V.] aan de gemeente valt toe te rekenen wordt omtrent de hiervoor vermelde verwijten het volgende overwogen.

Ad (a)

5.3. [X B.V.] heeft tegenover de gemotiveerde betwisting door de gemeente onvoldoende gesteld om, indien bewezen, de slotsom te wettigen dat de gemeente/[Y B.V.] verwijtbaar onjuiste informatie hebben verstrekt. [X B.V.] heeft niet uitgelegd waarom de Gemeente/[Y B.V.] ten tijde dat zij [A] met [X B.V.] in contact brachten hadden moeten beseffen dat de inhoud van [A]’s c.v. (die [A] neerzet als een in twee richtingen afgestudeerd jurist met een juridisch arbeidsverleden) onjuist was. Het enkele feit dat bij de gemeente vele jaren eerder een stuk in een dossier is terechtgekomen waarin bij Beroep: jurist is vermeld dat dit niet waar is, in daarvoor onvoldoende.

Het is bovendien in de eerste plaats aan de betrokkene om juiste inlichtingen omtrent opleiding en werkervaring te verstrekken. [X B.V.] had kunnen vragen naar diploma’s en had dat zeker moeten doen indien het zijn van afgestudeerd jurist van cruciaal belang was voor goede uitoefening van de functie.

5.4. [X B.V.] heeft er een zwaar punt van gemaakt dat uit later aan haar ter kennis gekomen informatie (prod. 8 bij dagvaarding) is gebleken dat [A] tussen 1983 en 1991 was aangewezen op (uitsluitend) een RWW-uitkering. [A]’s c.v. bood echter voldoende aanknopingspunten voor onderzoek terzake, nu:

• over de periode 1983 – 1991 als werkervaring uitsluitend wordt vermeld: “Incidentele werkzaamheden op het gebied van Internationaal Privaatrecht voor mr. H. Gase, Van der Woude de Graaf Advocaten, Amsterdam” ;

• de duur van de werkkringen die in de periode 1991 – 1993 zijn genoten, niet is gespecificeerd;

• er gaten in het c.v. zitten: 1994-dec. 1995, juni 1996-februari 1998 en juni 1998-juni 2000.

Bovendien wordt de man niet voor niets met subsidie in de markt gezet.

5.5. De door de gemeente gestelde feitelijke basis waarop de mededelingen omtrent het sabattical year zijn verstrekt, is nadien in de procedure niet bestreden. De overige informatie betreft rekbare kwalificaties waarover een aspirant werkgever zich allereerst een eigen oordeel dient te vormen, welk oordeel vervolgens, zoals de gemeente terecht heeft opgemerkt, gedurende de proeftijd kan worden getoetst.

5.6. Bij het voorgaande komt nog dat het rechtens vereiste verband tussen de sub (a) weegegeven verwijten en de schade ontbreekt. Voor alle schadeposten geldt dat aan [X B.V.] weliswaar kan worden toegegeven dat zij deze schade niet zou hebben geleden wanneer zij [A] niet in dienst zou hebben genomen, maar dat die schade tezelfdertijd in zo ver verwijderd verband staat met het aan de Gemeente verweten handelen dat zij niet als een gevolg van dat handelen kan worden toegerekend.

Ad (b)

5.7. Dit verwijt is onvoldoende gespecificeerd om, indien bewezen, de slotsom te rechtvaardigen dat sprake is geweest van een schade veroorzakende inlichting.

Met name is onvoldoende gesteld om aan te nemen dat [X B.V.] tengevolge van onjuiste, onvolledige, eenzijdige of misleidende informatie van [Y B.V.] ertoe is gebracht om met [A] meteen een tweejarig contract te sluiten, waar zij aanvankelijk van zins was om hem voor één jaar in dienst te nemen.

Ad (c) en (d)

5.8. In de dagvaarding heeft [X B.V.] gesteld dat de heer Woudstra van de gemeente desgevraagd heeft aangegeven dat [X B.V.] niet bevreesd behoefde te zijn voor “werklozen met een smetje”, want op basis van art 29b Zw was er voor de werkgever risicobeperking bij uitval door ziekte.

In haar pleidooi ter comparitie heeft [X B.V.] erover geklaagd dat de gemeente in strijd met de wet heeft gehandeld door voor de door [X B.V.] geceëerde arbeidplaats voor [A] loonkostensubsidie toe te kennen. Een dergelijke subsidie was volgens [X B.V.] slechts mogelijk geweest indien [A] een arbeidsgehandicapte in de zin van de wet REA zou zijn geweest. [X B.V.] heeft hieraan het verwijt gekoppeld dat de gemeente onrechtmatig jegens [X B.V.] heeft gehandeld nu zij heeft doen voorkomen dat [A] voldeed aan de vereisten van de Wet REA en [X B.V.] daardoor in de veronderstelling is komen te verkeren dat zij op grond van art. 29b Zw bij eventuele ziekte van [A] vergoeding van de loonkosten zou verkrijgen.

Ter comparitie heeft [X B.V.], kennelijk op vragen van de comparitierechter, doen opmerken dat zij voorafgaand aan het sluiten van het arbeidscontract heeft geïnformeerd of [A] de status van arbeidsgehandicapte had. Van de kant van de gemeente is toen medegedeeld dat men hierover in verband met de privacy van [A] geen informatie kon verstrekken. [X B.V.] verwijt de Gemeente op deze grond dat zij haar bewust in het ongewisse heeft gelaten over de vraag of [A] arbeidsgehandicapte was.

In haar akte na comparitie heeft [X B.V.] herhaald dat Woudstra haar in de waan heeft gebracht dat er op grond van art 29b ZW risicobeperking bij uitval door ziekte was.

5.9. De rechtbank stelt vast dat [X B.V.] aldus volstrekt niet duidelijk is over wat zij de gemeente nu verwijt. De stellingen zijn in ieder geval in zoverre niet consistent dat niet is in te zien waarom [X B.V.] erover zou klagen dat zij door de gemeente “in het ongewisse” is gelaten omtrent de status van [A] als arbeidsgehandicapte, wanneer haar door Woudstra was verzekerd dat zij het ziekterisico kon afwentelen. Ook is niet begrijpelijk waarom zij de gemeente dan verwijt dat die haar door onjuiste toekenning van een loonkostensubsidie “in de veronderstelling” heeft gebracht dat die afwenteling mogelijk was.

Reeds hierom zijn deze verwijten zijn niet steekhoudend. Van [X B.V.] mag worden verwacht dat deze een consistente lijn hanteert in de onderbouwing van haar vordering.

5.10. Maar ook afzonderlijk en inhoudelijk bezien slagen deze verwijten niet.

Dat de gemeente [X B.V.] bewust in het ongewisse heeft gelaten omtrent de status van [A], kan niet meebrengen dat de gemeente de indruk heeft gewekt of inlichtingen heeft verstrekt die zijn op te vatten als aanwijzingen dat [A] als arbeidsgehandicapte mocht worden beschouwd.

5.11. Ook uit de omstandigheid dat voor de tewerkstelling van [A] een WIW subsidie werd verstrekt heeft [X B.V.] dit niet kunnen afleiden. De WIW is van toepassing op langdurig werklozen. Deze langdurig werklozen kunnen arbeidsgehandicapte zijn in de zin van de Wet REA, maar behoeven dit niet te zijn. Arbeidsgehandicapte in de zin van de Wet REA zijn met name arbeidsongeschikten (artikel 2 Wet REA), maar ingevolge artikel 3 Wet REA kunnen ook andere personen (bijvoorbeeld personen met een WW uitkering) worden aangemerkt als arbeidsgehandicapte. Aldus kán een langdurig werkloze arbeidsgehandicapte zijn in de zin van de Wet REA. Maar een langdurig werkloze die een uitkering op grond van de Algemene Bijstandswet krijgt, valt weer niet onder de definitie van arbeidsgehandicapte in de zin van de Wet REA.

5.12. Voor zover in [X B.V.]’s betoog omtrent de wijze waarop de gemeente met de WIW is omgesprongen besloten ligt dat de gemeente [A] niet met een werkervaringsplaats-subsidie (WIW-subsidie, artikel 5 WIW) maar met een WIW-dienstbetrekking in de markt had moeten zetten -de werkloze treedt dan in dienst bij de gemeente en wordt vervolgens gedetacheerd, hetgeen meebrengt dat het arbeidsongeschiktheidsrisico bij de gemeente en niet bij de inlener ligt- wordt miskend dat de gemeente niet zelfstandig kan overgaan tot het inzetten van deze instrumenten. De gemeente is daarvoor afhankelijk van een indicatie door de Centrale organisatie werk en inkomen (artikel 12 WIW jo. artikel 26 Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen). Vast staat dat ten aanzien van [A] een indicatie is afgegeven in de zin van artikel 5 WIW (zie hiervoor 3.7), zodat alleen art 5WIW mogelijkheden bood. Bovendien heeft het besluit tot toekenning van de WIW-subsidie formele rechtskracht gekregen omdat daartegen geen bezwaar is gemaakt.

5.13. Dat [X B.V.] zou zijn afgegaan op de gestelde expliciete mededeling door Woudstra is niet alleen inconsistent met de hiervoor besproken alternatieve lijnen in de redenering, maar wordt ook weerlegd door het gegeven dat in artikel 21 van de met [A] gesloten arbeidovereenkomst met zoveel woorden is opgenomen “er is geen melding gemaakt van ziekte in het verleden , waardoor de Loonbetalingsplicht bij ziekte kunnen worden verlegd naar het GAK, op grond van art. 29b ZW”, waaruit redelijkerwijs niet anders is op te maken dan dat [X B.V.] zich ervan bewust was dat het GAK bij ziekte van [A] niet zou uitkeren.

5.14. De slotsom luidt dat [X B.V.] onvoldoende heeft gesteld om aan te nemen dat de gemeente haar verwijtbaar onjuist heeft geïnformeerd omtrent achtergrond en capaciteiten van [A]. Bovendien is de schade waarvan zij vergoeding vraagt niet aan dat handelen toe te rekenen. Tenslotte kan de gemeente niet worden verweten dat [X B.V.] bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst met [A] uitging van de (verkeerde) veronderstelling dat zij een beroep zou kunnen doen op artikel 29b van de Ziektewet, al aangenomen dat [X B.V.] in die veronderstelling heeft verkeerd.

5.15. Dat brengt mee dat de vordering in moet worden afgewezen. Aldus zal worden beslist. Daarbij zal [X B.V.] als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Gemeente worden begroot op:

- vast recht € 4.165,--

- salaris procureur € 3.552,50 (2,5 punten factor 1,0 × V)

Totaal € 7.717,50

in de vrijwaringszaak

5.16. Gegeven de afloop van de hoofdzaak heeft de gemeente bij veroordeling van [Y B.V.] in de vrijwaring geen belang. Dat brengt mee dat de vordering in moet worden afgewezen. Aldus zal worden beslist. Daarbij zal de gemeente als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

De kosten aan de zijde van [Y B.V.] worden begroot op:

- vast recht € 4.165,--

- salaris procureur € 2.842,-- (2 punten factor 1,0 × V)

Totaal € 7.007,--

6. De beslissing

De rechtbank

in de hoofdzaak

6.1. wijst de vordering af,

6.2. veroordeelt [X B.V.] in de proceskosten, aan de zijde van de Gemeente tot op heden begroot op € 7.717,50 ,

6.3. verklaart de sub 6.2 genoemde beslissing uitvoerbaar bij voorraad,

in de vrijwaringszaak

6.4. wijst de vordering af,

6.5. veroordeelt de gemeente in de proceskosten, aan de zijde van [Y B.V.] tot aan deze uitspraak begroot op € 7.007,--,

6.6. verklaart de sub 6.5 genoemde beslissing uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr A.H. Schotman in het openbaar uitgesproken op 16 januari 2008.?