Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BC3531

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
04-02-2008
Datum publicatie
05-02-2008
Zaaknummer
15/800938-07 en 15/634147-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft in de periode van november 2006 tot en met 6 februari 2007, in samenwerking met zijn medeverdachten, meermalen actief meegewerkt aan het via Schiphol binnensmokkelen van in totaal ongeveer 117,5 kg cocaïne, afkomstig uit Zuid-Amerika. Verdachte en zijn medeverdachten vormden ieder een onmisbare schakel bij het vervoer van de gesmokkelde cocaïne vanuit het vliegtuig via de KLM-bagage- en/of –vrachtafhandeling binnen het beveiligde gebied op Schiphol (airside) naar het openbare gebied (landside). Voorts is het de rechtbank gebleken dat de verdachte bij de organisatie van de gang van zaken rondom de te onderscheppen en te vervoeren transporten cocaïne een belangrijke rol speelde. Bij het transport van 6 februari 2007 vervult verdachte een zeer belangrijke, zo niet leidende, rol, terwijl verdachte ook bij de overige transporten niet enkel een schakel in het transport was, maar daarbij een meer organiserende rol lijkt te vervullen. Voor het plegen van deze feiten heeft verdachte misbruik gemaakt van zijn functie als trekkerchauffeur op de luchthaven Schiphol, en de daarbij behorende autorisatie om het beschermde gebied van de luchthaven te betreden. Verdachte en een aantal andere op Schiphol werkzame personen vervulden elk een eigen rol bij de invoer van de verdovende middelen, afgestemd op de autorisaties die zij uit hoofde van hun functies bezaten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Schiphol

Meervoudige strafkamer

Parketnummers: 15/800938-07 en 15/634147-06

Uitspraakdatum: 4 februari 2008

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 14, 16 en 21 januari 2008 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,

thans gedetineerd in P.I. Amsterdam, HvB Het Schouw, Amsterdam.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, tenlastegelegd dat:

1. (zaaksdossier B2)

hij op of omstreeks 12 november 2006 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 77.203 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaine, zijnde cocaine een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2. (zaaksdossier B3)

hij op of omstreeks 28 november 2006 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 20.335 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaine, zijnde cocaine een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3. (zaaksdossier B5)

hij op of omstreeks 06 februari 2007 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk

binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld

in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 20.000 gram, in elk geval een

hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaine, zijnde cocaine een middel

als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens

het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

4. (zaaksdossier B9)

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 november 2006

tot en met 06 februari 2007 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en/of te Den

Haag, althans in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander

of anderen, althans alleen, (telkens) om een feit, bedoeld in het vierde of

vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het (telkens) opzettelijk

bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren

en/of (telkens) binnen het grondgebied van Nederland brengen van (telkens) een

hoeveelheid cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet

behorende lijst I, althans een / of meerdere stof(fen) van lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, voor te bereiden en/of te bevorderen, (telkens) een of meer

anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen

plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn

en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,

en/of voorwerpen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad,

waarvan hij wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,

hebbende/zijnde verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s),

(telkens)

- (telefoon)gesprekken gevoerd en/of (telefonische) contacten onderhouden en/of

- afspraken gemaakt en/of gehad om betrokkenen te ontmoeten en/of

- een of meerdere ontmoeting(en) gehad, al dan niet op de luchthaven Schiphol (om afspraken te maken en/of informatie door te geven) en/of

- (vlucht)gegevens doorgegeven en/of opgenomen en/of

- (telefonisch) informatie verstrekt en/of instructie(s) gegeven ten behoeve

van (de invoer van) een (of meer) zendingen(en) of transport(en) verdovende middelen

en/of

- zich beschikbaar gehouden voor het ophalen en/of vervoeren en/of opzoeken van

(informatie over/betreffende) een (of meer) zending(en) verdovende middelen en/of

- dienstrooster(s) doorgegeven en/of opgevraagd en/of diensten geruild.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Oordeel van de rechtbank

3.1. Bewijs

3.1.1. Vrijspraak

Naar het oordeel van de rechtbank is niet bewezen hetgeen verdachte onder feit 4 ten laste is gelegd. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. De voorhanden zijnde bewijsmiddelen laten de mogelijkheid open dat de tenlastegelegde handelingen op iets anders zagen dan de handel in verdovende middelen via de luchthaven Schiphol.

3.1.2. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de overige tenlastegelegde feiten heeft begaan, in dier voege dat:

1. (zaaksdossier B2)

hij op 12 november 2006 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1, lid 4, van de Opiumwet, ongeveer 77.203 gram, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I;

2. (zaaksdossier B3)

hij op 28 november 2006 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1, lid 4, van de Opiumwet, ongeveer 20.335 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I;

3. (zaaksdossier B5)

hij op 6 februari 2007 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1, lid 4, van de Opiumwet, ongeveer 20.000 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

3.2 Bewijsmiddelen

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de overige tenlastegelegde feiten op grond van de navolgende bewijsmiddelen, waarbij de aangehaalde processen-verbaal alle in de wettelijke vorm en op ambtseed zijn opgemaakt.

(…)

3.3 Bewijsoverwegingen

3.3.1 Bewijsverweren

Ten aanzien van feit 1 (zaaksdossier B2):

Ter zitting zijn door de verdediging vraagtekens geplaatst bij de voor verdachte belastende verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 1]. [medeverdachte 1] is teruggekomen op zijn verklaringen en er zou tijdens de verhoren te weinig rekening zijn gehouden met de psychische gesteldheid van [medeverdachte 1]. De rechtbank volgt dit als bewijsverweer opgevatte betoog van de verdediging niet. Voor de rechtbank is niet gebleken dat de verbalisanten tijdens de verhoren onzorgvuldig met de situatie van verdachte zijn omgegaan. De rechtbank houdt [medeverdachte 1] aan zijn eerder afgelegde belastende verklaringen, temeer nu deze aansluiten bij overige bewijsmiddelen.

Verder is door de verdediging aangevoerd dat niets bekend is over de inhoud van de diverse telefonische contacten omstreeks 12 november 2006 met medeverdachten, zodat niet gezegd kan worden of deze contacten verband hielden met het hier bedoelde tenlastegelegde feit. De rechtbank verwijst dienaangaande kortheidshalve naar hetgeen hierna over deze contacten is overwogen bij onderdeel 3.3.2 ten aanzien van feit 1.

Ten aanzien van feit 2 (zaaksdossier B3):

Door de verdediging is aangevoerd dat er onvoldoende bewijs is voor het tenlastegelegde feit. Er staat immers niet vast dat de door de verdachte gevoerde telefoongesprekken, waarin weliswaar versluierd taalgebruik wordt gebruikt, betrekking hebben op (verlengde) invoer van verdovende middelen. Voorts kan volgens de verdediging geen medeplegen worden aangenomen. De rechtbank verwerpt deze verweren. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de vermelde bewijsmiddelen, al dan niet in onderlinge samenhang bezien, genoegzaam worden afgeleid dat de (gespreks)contacten wel betrekking hadden op het tenlastegelegde feit en dat voorts voor verdachte de rol van medepleger kan worden aangenomen.

3.3.2 Bewijstoelichting

Ten aanzien van feit 1 (zaaksdossier B2):

Uit de bewijsmiddelen is naar voren gekomen dat verdachte in de periode van 11 tot en met 13 november 2006 veelvuldig contact heeft gehad met zijn medeverdachten. De verklaring die verdachte hierover heeft afgelegd, namelijk dat deze contacten werkcontacten betroffen, is naar het oordeel van de rechtbank niet afdoende. De rechtbank overweegt hiertoe dat de medeverdachten, met uitzondering van verdachte [medeverdachte 1], geen directe collega’s van verdachte waren en dat telefonisch werkcontact tussen hen wel voorstelbaar is, echter niet in de frequentie zoals in die periode geconstateerd.

Ten aanzien van feit 3 (zaaksdossier B5):

De rechtbank acht de ter terechtzitting afgelegde verklaring van verdachte, dat hij [medeverdachte 2] ontmoette op Schiphol in verband met het omruilen van autosleutels en daarna met [medeverdachte 3] een koffer van [medeverdachte 3] heeft vervoerd met daarin, naar hij dacht, spullen voor de organisatie van een feest, niet geloofwaardig. De rechtbank gaat uit van de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 3] over de gang van zaken op 6 februari 2007, nu die verklaring wordt ondersteund door overige gebezigde bewijsmiddelen. De rechtbank verwijst in dit verband naar het proces-verbaal van observatie, de (tijdstippen van de) Schipholpasregistraties van de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 3] en de taps van de gevoerde telefoongesprekken tussen de verdachten over afspraken en ontmoetingen met elkaar op Fox 2 en (Delta) 28 in de middag van 6 februari 2007. Uit die tapgesprekken blijkt bovendien dat verdachte een zeer belangrijke, zo niet leidende, rol heeft gespeeld ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 3 telastegelegde feit heeft begaan.

4. Strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1: Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, aanhef en onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

Feit 2: Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, aanhef en onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

Feit 3: Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, aanhef en onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van sanctie en van overige beslissingen

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten en gevorderd dat verdachte ter zake zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaar. Voorts heeft zij verbeurdverklaring van de onder verdachte inbeslaggenomen voorwerpen gevorderd.

6.2 Hoofdstraf

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft in de periode van november 2006 tot en met 6 februari 2007, in samenwerking met zijn medeverdachten, meermalen actief meegewerkt aan het via Schiphol binnensmokkelen van in totaal ongeveer 117,5 kg cocaïne, afkomstig uit Zuid-Amerika. Verdachte en zijn medeverdachten vormden ieder een onmisbare schakel bij het vervoer van de gesmokkelde cocaïne vanuit het vliegtuig via de KLM-bagage- en/of –vrachtafhandeling binnen het beveiligde gebied op Schiphol (airside) naar het openbare gebied (landside). Voorts is het de rechtbank gebleken dat de verdachte bij de organisatie van de gang van zaken rondom de te onderscheppen en te vervoeren transporten cocaïne een belangrijke rol speelde. Bij het transport van 6 februari 2007 vervult verdachte een zeer belangrijke, zo niet leidende, rol, terwijl verdachte ook bij de overige transporten niet enkel een schakel in het transport was, maar daarbij een meer organiserende rol lijkt te vervullen.

Voor het plegen van deze feiten heeft verdachte misbruik gemaakt van zijn functie als trekkerchauffeur op de luchthaven Schiphol, en de daarbij behorende autorisatie om het beschermde gebied van de luchthaven te betreden. Verdachte en een aantal andere op Schiphol werkzame personen vervulden elk een eigen rol bij de invoer van de verdovende middelen, afgestemd op de autorisaties die zij uit hoofde van hun functies bezaten. Het misbruik van de bevoegdheden die bij zijn positie behoorden, rekent de rechtbank verdachte zwaar aan. Deze omstandigheid zal zij in strafverzwarende zin meewegen bij de op te leggen straf.

Door de verdediging is ter zitting aangevoerd dat verdachte first-offender is en dat zijn persoonlijke omstandigheden aanleiding moeten geven tot een strafmodaliteit met een gedeeltelijk voorwaardelijke straf. De omstandigheid dat verdachte first-offender is, zal de rechtbank in enigszins strafmatigende zin meenemen. De ernst van de bewezenverklaarde feiten kunnen in dit geval naar het oordeel van de rechtbank evenwel niet leiden tot een gedeeltelijk voorwaardelijke straf.

Cocaïne is een voor de gezondheid zeer schadelijke stof. Tevens gaan de verspreiding van en handel in cocaïne gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te melden duur op haar plaats is. Deze vrijheidsbeneming is, mede gelet op de gedeeltelijke vrijspraak, uiteindelijk van langere duur dan de officier van justitie gevorderd heeft. Naar het oordeel van de rechtbank, doet de eis van de officier van justitie onvoldoende recht aan wat in vergelijkbare gevallen door de rechtbank pleegt te worden opgelegd, mede gelet op de hiervoor aangegeven strafverzwarende omstandigheden en de niet geringe rol van verdachte bij de bewezen verklaarde feiten.

6.3 Beslag

Verbeurdverklaring

De rechtbank is van oordeel dat alle onder verdachte inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen, dienen te worden verbeurd verklaard. Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat het bewezenverklaarde feit met behulp van die voorwerpen, die aan verdachte toebehoren, zijn begaan of voorbereid.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

Wetboek van Strafrecht: 33, 33a, 47, 57.

Opiumwet: 2, 10 .

8. Beslissing

De rechtbank:

Spreekt verdachte vrij van het hem onder feit 4 tenlastegelegde.

Verklaart bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.1.2. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezenverklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van ACHT (8) JAREN.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd:

1. Geld Nederlands, 15x50 euro

2. Geld Nederlands, 1x100 euro

3. Geld Nederlands, 6x10 euro

4. Geld Nederlands, 3x5 euro

12. 1.00 stk papier

14. 4.00 stk papier

23. 1.00 stk keuringsrapport

29. 1.00 stk telefoontoestel kl: zilver

30. Geld Nederlands

31. Geld Nederlands

36. 1.00 stk telefoontoestel kl: grijs

37. 1.00 stk telefoontoestel kl: blauw

42. 1.00 ds doos

43. 1.00 stk claimtag

44. 11.00 stk sticker kl: oranje

45. 1.00 stk diverse kl: oranje

46. 1.00 stk claimtag

52. 1.00 stk personenauto 901khh

53. 1.00 stk telefoontoestel

54. 1.00 stk telefoontoestel

55. 1.00 stk telefoontoestel

56. 1.00 stk telefoontoestel

57. 1.00 stk telefoontoestel

58. 1.00 stk telefoontoestel

59. 5.00 stk bescheiden

60. 2.00 stk bescheiden

62. 1.00 stk telefoontoestel

63. 1.00 stk telefoontoestel

64. 1.00 stk telefoontoestel

66. 1.00 stk agenda kl: bruin

9. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. F.F.W. Brouwer, voorzitter,

mrs. E.B. de Vries-van den Heuvel en A.M. Koolen-Zwijnenburg, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffiers mr. T. Alexander en B.H.E. Zuidam,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 4 februari 2008.

B.H.E. Zuidam is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.