Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BC3528

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
04-02-2008
Datum publicatie
05-02-2008
Zaaknummer
15/840007-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van ongeveer 16 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen om een cocaïne transport te organiseren. Hoewel verdachte niet zelf op Schiphol werkzaam was en daardoor niet over bevoegdheden beschikte om het terrein te betreden, wist hij door zijn hogere positie binnen de organisatie daarvoor wel op Schiphol werkzame personen in te schakelen om de invoer van de verdovende middelen te realiseren. Verdachte heeft daarin bewust de keuze gemaakt om samen met anderen cocaïne binnen het grondgebied van Nederland te brengen en is daarbij berekenend te werk gegaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Schiphol

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/840007-07

Uitspraakdatum: 4 februari 2008

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 17 en 21 januari 2008 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in PI Noord Holland Noord - HvB Zwaag, te Zwaag.

1.Tenlastelegging

Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, tenlastegelegd dat:

Feit 1

(zaaksdossier B4)

hij in of omstreeks de periode van 22 januari 2007 tot en met 24 januari 2007

te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het

grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1

lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 9.365 gram, in elk geval een hoeveelheid van

een materiaal bevattende cocaine, zijnde cocaine een middel als bedoeld in de

bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van

artikel 3a van die wet;

Feit 2

(zaaksdossier B7)

hij op of omstreeks 20 februari 2007 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk

binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld

in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 16.036 gram, in elk geval een

hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaine, zijnde cocaine een middel

als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens

het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Feit 3

(zaaksdossier B9)

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 januari 2007

tot en met 7 maart 2007 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en/of te Haarlem, althans in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander

of anderen, althans alleen, (telkens) om een feit, bedoeld in het vierde of

vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het (telkens) opzettelijk

bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren

en/of (telkens) binnen het grondgebied van Nederland brengen van (telkens) een

hoeveelheid cocaine, zijnde cocaine een middel vermeld op de bij de Opiumwet

behorende lijst I, althans een / of meerdere stoffen van lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,

voor te bereiden en/of te bevorderen, (telkens) een of meer

anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen

plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn

en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,

en/of zich en/of een ander of anderen (daartoe) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen

tot het plegen van dat/die feit(en) heeft verschaft

en/of voorwerpen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad,

waarvan hij wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,

hebbende/zijnde verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s),

(telkens)

- (telefoon)gesprekken gevoerd en/of (telefonische) contacten onderhouden en/of

- afspraken gemaakt en/of gehad om betrokkenen te ontmoeten en/of

- een of meerdere ontmoeting(en) gehad, al dan niet op de luchthaven Schiphol (om afspraken te maken en/of informatie door te geven) en/of

- (vlucht)gegevens doorgegeven en/of opgenomen en/of

- (telefonisch) informatie verstrekt en/of instructie(s) gegeven ten behoeve

van (de invoer van) een (of meer) zendingen(en) of transport(en) verdovende middelen

en/of

- zich beschikbaar gehouden voor het ophalen en/of vervoeren en/of opzoeken van

(informatie over/betreffende) een (of meer) zending(en) verdovende middelen en/of

- dienstrooster(s) doorgegeven en/of opgevraagd en/of diensten geruild.

2. Voorvragen

Geldigheid van de dagvaarding

Ten aanzien van het onder feit 3 tenlastegelegde heeft de verdediging ter terechtzitting betoogd dat de dagvaarding nietig dient te worden verklaard. De verdediging heeft gesteld dat de tenlastelegging onvoldoende feitelijk is, waardoor onduidelijk is waartegen verdachte zich dient te verdedigen.

De rechtbank constateert dat het onder feit 3 tenlastegelegde feit mede de aanduiding ‘zaaksdossier B9’ omvat. Door de wijze waarop het loopproces-verbaal ten aanzien van zaaksdossier B9 is vormgegeven, te weten een splitsing in vijf geduide incidenten waarbij per incident is aangegeven welke personen als verdachte worden aangemerkt, is de rechtbank van oordeel dat het voldoende duidelijk is waarvan verdachte wordt verdacht. De rechtbank is derhalve van oordeel dat de tenlastelegging op dit punt voldoende duidelijk en feitelijk is omschreven, waarmee de tenlastelegging voldoet aan de eisen die door artikel 261 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering worden gesteld.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding ook voor het overige geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Oordeel van de rechtbank

3.1 Bewijs

3.1.1 Vrijspraak

De rechtbank deelt met betrekking tot dit onderdeel van de tenlastelegging het ter zitting ingenomen standpunt van zowel de officier van justitie als de verdediging dat deelneming aan en doorvoer van verdovende middelen in beginsel niet meer mogelijk is op een moment dat is gelegen na het tijdstip van inbeslagname van de verdovende middelen en dat handelingen gepleegd na de inbeslagneming dan ook niet kunnen leiden tot een bewezenverklaring (vgl. HR 17-3-1998, NJ 1998/515). Nu uit het dossier voldoende blijkt dat dit deel van de tenlastelegging betrekking heeft op handelingen gepleegd in een periode gelegen na het tijdstip van inbeslagname van de in geding zijnde verdovende middelen, doet zich naar het oordeel van de rechtbank een dergelijke situatie voor. Anders dan de officier van justitie stelt is het feit dat verdachte in een telefoongesprek op 24 januari 2007 aan een onbekende meldt dat ze de 22e bericht hadden gehad dat de zending binnen was terwijl de zending pas op de 23e januari in beslag is genomen onvoldoende om aan te nemen dat verdachte vóór die inbeslagname bij dit transport betrokken is geweest. Verdachte dient dan ook van dit, op zaaksdossier B4 betrekking hebbend, deel van de tenlastelegging te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van hetgeen aan verdachte is tenlastegelegd onder feit 3 ten aanzien van incident 1 en incident 4 (zaaksdossier B9) is de rechtbank van oordeel dat dit eveneens niet bewezen is. De voorhanden zijnde bewijsmiddelen laten de mogelijkheid open dat de tenlastegelegde handelingen zagen op iets anders dan de handel in verdovende middelen via de luchthaven Schiphol.

Hetgeen voorts aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierna bij 3.2 bewezen wordt verklaard acht de rechtbank niet bewezen. De verdachte zal ook daarvan worden vrijgesproken.

3.1.2 Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 2 en 3 tenlastegelegde feiten heeft begaan, in dier voege dat:

Feit 2

(zaaksdossier B7)

hij op 20 februari 2007 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 16.036 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I;

Feit 3

(zaaksdossier B9)

hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2007 tot en met 6 februari 2007 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk, afleveren, verstrekken, vervoeren

en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,

voor te bereiden en/of te bevorderen,

anderen heeft getracht te bewegen om dat feit mede te plegen en om daarbij behulpzaam te zijn en om daartoe inlichtingen te verschaffen en zich en een ander (daartoe) middelen tot het plegen van dat feit heeft verschaft

hebbende verdachte en (een of meer van) zijn mededader(s),

- (telefoon)gesprekken gevoerd en (telefonische) contacten onderhouden en

- een afspraak gemaakt en gehad om betrokkene te ontmoeten en

- een ontmoeting gehad, al dan niet op de luchthaven Schiphol (om afspraken te maken en/of informatie door te geven) en

- (vlucht)gegevens doorgegeven en opgenomen en

- (telefonisch) informatie verstrekt en instructie(s) gegeven ten behoeve

van (de invoer van) een zending of transport verdovende middelen en

- zich beschikbaar gehouden voor het ophalen en vervoeren en van een zending

verdovende middelen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

3.2 Bewijsmiddelen

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten op grond van de navolgende bewijsmiddelen, waarbij de aangehaalde processen-verbaal alle in de wettelijke vorm en op ambtseed zijn opgemaakt.

(...)

3.3 Bewijsoverwegingen

3.3.1 Bewijsverweer

Ten aanzien van feit 2 (zaaksdossier B7):

De raadsvrouw van verdachte heeft aangevoerd dat de verklaringen van verdachte niet kunnen worden gebruikt als bewijs omdat het slechts verzinselen zijn van verdachte die niet op waarheid berusten en voorts dat niet is gebleken dat verdachte een bijdrage heeft geleverd aan de invoer van cocaïne zoals opgenomen in zaaksdossier B7. De rechtbank verwerpt dit verweer. De verklaringen van verdachte vinden bevestiging in de overige bewijsmiddelen waarmee de betrouwbaarheid van de verklaringen naar het oordeel van de rechtbank niet in het geding is. Ten aanzien van de rol van verdachte blijkt uit de bewijsmiddelen dat verdachte via [betrokkene 1] papieren met gegevens over de koerier had ontvangen en dat hij de bedoeling had deze gegevens te overhandigen aan “[betrokkene 2]”, die door verdachte was gevraagd de zending verdovende middelen af te halen van Schiphol. Uit het voorgaande volgt dat verdachte als intermediair betrokken was bij het verdovende middelen transport.

3.3.2. Bewijstoelichting

Ten aanzien van feit 3 (zaaksdossier B9):

Naar het oordeel van de rechtbank kunnen bovenstaande tapgesprekken niet anders dan betrekking hebben op de voorbereiding van de invoer van verdovende middelen via de luchthaven Schiphol. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking de inhoud van de gesprekken en het (deels) versluierd taalgebruik. Er wordt gesproken over een ding dat moet komen. Iets wordt afgeblazen vanwege zware controle daar en er wordt gesproken over de vraag hoeveel de mannen zullen gaan loslaten daar. Er wordt vervolgens een vluchtnummer doorgegeven en hierna gaat [medeverdachte 1] de mannen charteren. Verdachte en zijn medeverdachten hebben, hoewel hiertoe in de gelegenheid gesteld, geen aannemelijke andere verklaring gegeven voor de door hen gevoerde telefoongesprekken. Tevens beziet de rechtbank de tapgesprekken in het licht van de in het onderzoek Gladiool afgelegde verklaringen van verdachte en zijn [medeverdachte 1] die hebben bekend betrokken te zijn geweest bij de invoer van cocaïne via de luchthaven Schiphol in of rondom de periode waarop incident 2 betrekking heeft. Uit het feit dat het in die zaken ging om handel in cocaïne is de rechtbank van oordeel dat ook de voorbereidingshandelingen zien op de handel in cocaïne. Ten aanzien van het door de verdediging betwistte medeplegen is de rechtbank van oordeel dat ook dit onderdeel van de tenlastelegging is bewezen nu uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte, als een van de initiatiefnemers, betrokken is bij de voorbereidingshandelingen, hij heeft veelvuldig contact met [betrokkene 3] en [medeverdachte 1] over de gang van zaken en voert in die gesprekken de regie over wanneer het gaat komen. Aldus was verdachte een onmisbare schakel met betrekking tot het transport van de verdovende middelen. Deze rol is naar het oordeel van de rechtbank zonder meer als medeplegen te kwalificeren.

4. Strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 2: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, aanhef en onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

Feit 3: medeplegen van het voorbereiden of bevorderen van een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, door een ander trachten te bewegen om dat feit mede te plegen, een ander trachten te bewegen om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe inlichtingen te verschaffen en zich of een ander inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen.

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van de sanctie en van overige beslissingen

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten en gevorderd dat verdachte ter zake zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaar. Daarnaast vraagt zij de verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen goederen.

6.2 Hoofdstraf

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting en uit de bespreking aldaar van het vanwege de Brijder Verslavingsreclassering Arrondissement Alkmaar uitgebrachte rapport van 28 november 2007 is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van ongeveer16 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen om een cocaïne transport te organiseren. Hoewel verdachte niet zelf op Schiphol werkzaam was en daardoor niet over bevoegdheden beschikte om het terrein te betreden, wist hij door zijn hogere positie binnen de organisatie daarvoor wel op Schiphol werkzame personen in te schakelen om de invoer van de verdovende middelen te realiseren.

Verdachte heeft daarin bewust de keuze gemaakt om samen met anderen cocaïne binnen het grondgebied van Nederland te brengen en is daarbij berekenend te werk gegaan.

Cocaïne is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.

De verdediging heeft ter zitting aangevoerd dat verdachte een eenzame man is die lijdt aan psychische problemen. Bovendien leeft hij door zijn forse alcoholgebruik in een roes en heeft hij te kampen met enorme schulden. De rechtbank ziet in dit als strafmaatverweer opgevat pleidooi geen aanleiding een lagere straf op te leggen.

In de strafmaat neemt de rechtbank mee dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een feit betreffende verdovende middelen.

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

6.3 Beslag

Verbeurdverklaring

De rechtbank is van oordeel dat de voorwerpen die onder verdachte in beslaggenomen en niet teruggegeven zijn, te weten:

• 1.00 STK Sticker kl: geel

• 1.00 STK Bescheiden

• 1.00 STK Bescheiden

• 1.00 STK Telefoontoestel Kl:zwart

• 1.00 STK Bescheiden

• 1.00 STK Bescheiden

• 1.00 STK Bescheiden

• 1.00 STK Bescheiden

• 1.00 STK Bescheiden

• 1.00 STK Bescheiden

• 1.00 STK Bescheiden

• 1.00 STK Bescheiden

• 1.00 STK Telefoontoestel Kl: grijs

dienen te worden verbeurd verklaard. Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat de bewezenverklaarde feiten met behulp van die voorwerpen, die aan verdachte toebehoren, zijn begaan of voorbereid.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

33, 33a, 47, 57 van het Wetboek van Strafrecht

2, 10, 10a van de Opiumwet.

8. Beslissing

De rechtbank:

Spreekt verdachte vrij van het hem onder 1 tenlastegelegde feit.

Verklaart bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.1.2 vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezenverklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens deze feiten tot een gevangenisstraf voor de duur van ZESENZESTIG (66) MAANDEN.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd:

• 1.00 STK Sticker kl: geel

• 1.00 STK Bescheiden

• 1.00 STK Bescheiden

• 1.00 STK Telefoontoestel Kl:zwart

• 1.00 STK Bescheiden

• 1.00 STK Bescheiden

• 1.00 STK Bescheiden

• 1.00 STK Bescheiden

• 1.00 STK Bescheiden

• 1.00 STK Bescheiden

• 1.00 STK Bescheiden

• 1.00 STK Bescheiden

• 1.00 STK Telefoontoestel Kl: grijs

9. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.M. Koolen-Zwijnenburg, voorzitter,

mrs. F.F.W. Brouwer en E.B. de Vries-van den Heuvel , rechters,

in tegenwoordigheid van de griffiers mr. T. Alexander en B.H.E. Zuidam,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 4 februari 2008.

B.H.E. Zuidam is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.