Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BC3497

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
04-02-2008
Datum publicatie
05-02-2008
Zaaknummer
15/840024-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van ongeveer 20 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne. Hiertoe heeft verdachte misbruik gemaakt van zijn positie als bagagemedewerker op de luchthaven Schiphol, waaronder de bevoegdheid om delen van het beschermde gebied van de luchthaven te betreden. Verdachte en enkele andere op Schiphol werkzame personen vervulden elk een eigen rol bij de invoer van de verdovende middelen, afgestemd op de bevoegdheden die zij uit hoofde van hun functies bezaten. Verdachte heeft daarin bewust de keuze gemaakt om samen met anderen cocaïne binnen het grondgebied van Nederland te brengen en is daarbij berekenend te werk gegaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Schiphol

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/840024-07

Uitspraakdatum: 4 februari 2008

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 17 en 21 januari 2008 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats].

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1. (zaaksdossier B5)

hij op of omstreeks 06 februari 2007 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 19.973 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Oordeel van de rechtbank

3.1. Bewijs

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, in dier voege dat

hij op 6 februari 2007 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1, lid 4, van de Opiumwet, ongeveer 19.973 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte onder 1. meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

3.2 Bewijsmiddelen

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit op grond van de navolgende bewijsmiddelen, waarbij de aangehaalde processen-verbaal alle in de wettelijke vorm en op ambtseed zijn opgemaakt.

(…)

3.3 Bewijsoverwegingen

3.3.1 Bewijsverweer

De raadsman van verdachte heeft vrijspraak bepleit van het tenlastegelegde feit. Er zou onvoldoende wettig en overtuigend bewijs zijn dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan. De raadsman heeft daartoe betoogd dat de verklaring van [medeverdachte 1] onvoldoende betrouwbaar is om als bewijsmiddel te bezigen. De rechtbank passeert dit verweer nu er geen verklaring van [medeverdachte 1] tot het bewijs wordt gebezigd.

3.3.2 Bewijstoelichting

De rechtbank acht de verklaring van verdachte ter terechtzitting dat hij op 6 februari 2007 geen ontmoeting heeft gehad met medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en niets weet van de tenlastegelegde invoer van cocaïne niet geloofwaardig. De rechtbank gaat uit van de verklaring van [medeverdachte 2] over de gang van zaken op 6 februari 2007, nu die verklaring wordt ondersteund door de overige bewijsmiddelen. De rechtbank verwijst in dit verband naar het proces-verbaal van observatie, de (tijdstippen van de) Schipholpasregistraties van de medeverdachten en de taps van de gevoerde telefoongesprekken tussen de verdachten over afspraken en ontmoetingen met elkaar op Fox 2 en (Delta) 28 in de middag van 6 februari 2007.

Dat verdachte degene is die de als bewijsmiddel opgenomen gesprekken met [medeverdachte 1] voert, leidt de rechtbank af uit de processen-verbaal inzake stemherkenning, in samenhang met de door verdachte ter zitting afgelegde verklaring dat het nummer zijn telefoonnummer betreft, hij altijd in de buurt is als hij zijn telefoon uitleent en zijn bevestiging van wel gevoerde gesprekken met het betreffende nummer.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte degene is die dag de koffer met cocaïne heeft overgedragen aan de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2].

4. Strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, aanhef en onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van sanctie en van overige beslissingen

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit en gevorderd dat verdachte terzake zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaren. Daarnaast vordert zij verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten een zwart telefoontoestel van het merk Nokia en diverse bescheiden ogenomen in de beslaglijst onder de nummers 3, 5 t/m 8 en 11.

6.2 Hoofdstraf

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van ongeveer 20 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne. Hiertoe heeft verdachte misbruik gemaakt van zijn positie als bagagemedewerker op de luchthaven Schiphol, waaronder de bevoegdheid om delen van het beschermde gebied van de luchthaven te betreden. Verdachte en enkele andere op Schiphol werkzame personen vervulden elk een eigen rol bij de invoer van de verdovende middelen, afgestemd op de bevoegdheden die zij uit hoofde van hun functies bezaten. Verdachte heeft daarin bewust de keuze gemaakt om samen met anderen cocaïne binnen het grondgebied van Nederland te brengen en is daarbij berekenend te werk gegaan. Het misbruik van de bevoegdheden die verdachte uit hoofde van zijn functie waren toevertrouwd, rekent de rechtbank hem zeer zwaar aan en zal daarmee in strafverzwarende zin rekening houden.

Cocaïne is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.

In de strafmaat neem de rechtbank mee dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een feit betreffende verdovende middelen.

De rechtbank ziet daarnaast in de straffen die de rechtbank pleegt op te leggen aan niet op Schiphol werkzame personen die een vergelijkbare hoeveelheid cocaïne hebben ingevoerd aanleiding verdachte een hogere straf op te leggen dan die door de officier van justitie gevorderd is. Een vrijheidsbenemende straf van na te melden duur doet naar het oordeel van de rechtbank meer recht aan de ernst van het bewezenverklaarde feit.

6.3 Verbeurdverklaring

De rechtbank is van oordeel dat de onder verdachte inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

• een zwart telefoontoestel van het merk Nokia

• diverse bescheiden opgenomen in de beslaglijst onder de nummers 2, 3, 5 t/m 8 en 11,

dienen te worden verbeurd verklaard. Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat het bewezenverklaarde feit met behulp van die voorwerpen die aan verdachte toebehoren, is begaan of voorbereid.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

33, 33a, 47, 57 van het Wetboek van Strafrecht.

2, 10 van de Opiumwet.

8. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.1 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van VIJF (5) JAREN.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd:

• 1.00 STK Telefoontoestel Kl:zwart Nokia 6230I

• 1.00 STK Diverse ROOSTER Bedrijf

• 4.00 STK Diverse

• 4.00 STK Label Kl: rood KLM

• 8.00 STK Label KLM

• 3.00 STK Diverse

Beveelt de gevangenneming van verdachte.

9. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr E.B. de Vries-van den Heuvel, voorzitter,

mr. F.F.W. Brouwer en mr. A.M. Koolen-Zwijnenburg, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffiers mr. T. Alexander en B.H.E. Zuidam,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 4 februari 2008.

B.H.E. Zuidam is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.