Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BC3475

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
04-02-2008
Datum publicatie
05-02-2008
Zaaknummer
15/840001-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft in november 2006, in samenwerking met zijn medeverdachten, meermalen actief meegewerkt aan het via Schiphol binnensmokkelen van in totaal bijna 100 kg cocaïne, afkomstig uit Zuid-Amerika. Verdachte en zijn medeverdachten vormden ieder een onmisbare schakel bij het vervoer van de gesmokkelde cocaïne vanuit het vliegtuig via de KLM-bagage- en/of vrachtafhandeling binnen het beveiligde gebied op Schiphol (airside) naar het openbare gebied (landside). Voorts speelde verdachte bij de organisatie van de gang van zaken rondom de te onderscheppen en te vervoeren transporten cocaïne een zeer belangrijke rol. Zo had verdachte contacten met de opdrachtgever(s), waarna hij vervolgens de op Schiphol werkzame medeverdachten benaderde voor hun – door verdachte op elkaar afgestemde – individuele diensten om de cocaïne te onderscheppen en naar landside te transporteren.

Voor het plegen van deze feiten heeft verdachte misbruik gemaakt van zijn functie bij de afdeling export van de KLM op de luchthaven Schiphol, en de daarbij behorende autorisatie voor diverse computersystemen en om het beschermde gebied van de luchthaven te betreden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Schiphol

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/840001-07

Uitspraakdatum: 4 februari 2008

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 14, 16 en 21 januari 2008 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,

thans gedetineerd in PI Midden Holland, HvB Haarlem, Haarlem.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, tenlastegelegd dat:

Feit 1

(zaaksdossier B4)

hij in of omstreeks de periode van 22 januari 2007 tot en met 24 januari 2007

te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het

grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1

lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 9.365 gram, in elk geval een hoeveelheid van

een materiaal bevattende cocaine, zijnde cocaine een middel als bedoeld in de

bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van

artikel 3a van die wet;

Feit 2

(zaaksdossier B2)

hij op of omstreeks 12 november 2006 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk

binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld

in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 77.203 gram, in elk geval een

hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaine, zijnde cocaine een middel

als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens

het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Feit 3

(zaaksdossier B3)

hij op of omstreeks 28 november 2006 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk

binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld

in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 20.335 gram, in elk geval een

hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaine, zijnde cocaine een middel

als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens

het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Feit 4

(zaaksdossier B9)

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 november 2006

tot en met 7 maart 2007 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en/of te Hoofddorp, althans in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) om een feit, bedoeld in het vierde of

vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het (telkens) opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of (telkens) binnen het grondgebied van Nederland brengen van (telkens) een

hoeveelheid cocaine, zijnde cocaine een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, althans een / of meerdere stoffen van lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, voor te bereiden en/of te bevorderen, (telkens) een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,

en/of voorwerpen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,

hebbende/zijnde verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s),

(telkens)

- (telefoon)gesprekken gevoerd en/of (telefonische) contacten onderhouden en/of

- afspraken gemaakt en/of gehad om betrokkenen te ontmoeten en/of

- een of meerdere ontmoeting(en) gehad, al dan niet op de luchthaven Schiphol (om afspraken te maken en/of informatie door te geven) en/of

- (vlucht)gegevens doorgegeven en/of opgenomen en/of

- (telefonisch) informatie verstrekt en/of instructie(s) gegeven ten behoeve van (de invoer van) een (of meer) zendingen(en) of transport(en) verdovende middelen en/of

- zich beschikbaar gehouden voor het ophalen en/of vervoeren en/of opzoeken van (informatie over/betreffende) een (of meer) zending(en) verdovende middelen en/of

- dienstrooster(s) doorgegeven en/of opgevraagd en/of diensten geruild.

2. Voorvragen

Geldigheid van de dagvaarding

Ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde heeft de verdediging ter terechtzitting betoogd dat de dagvaarding nietig dient te worden verklaard voor wat betreft dit feit. De verdediging heeft gesteld dat de tenlastelegging onvoldoende feitelijk is, waardoor onduidelijk was waartegen verdachte zich dient te verdedigen.

De rechtbank constateert dat het onder 4 tenlastegelegde feit mede de aanduiding ‘zaaksdossier B9’ omvat. Door de wijze waarop het loopproces-verbaal ten aanzien van zaaksdossier B9 is vormgegeven, te weten een splitsing in vijf geduide incidenten waarbij per incident is aangegeven welke personen als verdachte worden aangemerkt, is de rechtbank van oordeel dat het voldoende duidelijk is waarvan verdachte wordt verdacht. De rechtbank is derhalve van oordeel dat de tenlastelegging op dit punt voldoende duidelijk en feitelijk is omschreven, waarmee de tenlastelegging voldoet aan de eisen die door artikel 261 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering worden gesteld.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding ook voor het overige geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Oordeel van de rechtbank

3.1 Bewijs

3.1.1 Vrijspraak

Naar het oordeel van de rechtbank is niet bewezen hetgeen verdachte onder feit 1 en feit 4 ten laste is gelegd. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Met betrekking tot feit 1 (zaaksdossier B4):

De rechtbank deelt met betrekking tot dit feit op de tenlastelegging het ter zitting ingenomen standpunt van zowel de officier van justitie als de verdediging dat deelneming aan een doorvoer van verdovende middelen in beginsel niet meer mogelijk is op een moment dat is gelegen na het tijdstip van inbeslagname van de verdovende middelen en dat handelingen gepleegd na de inbeslagneming dan ook niet kunnen leiden tot een bewezenverklaring (vgl. HR 17-3-1998, NJ 1998/515). Nu uit het dossier voldoende blijkt dat dit deel van de tenlastelegging betrekking heeft op handelingen gepleegd in een periode gelegen na het tijdstip van inbeslagname van de in geding zijnde verdovende middelen, doet zich naar het oordeel van de rechtbank een dergelijke situatie voor. Verdachte dient dan ook van dit feit te worden vrijgesproken.

Met betrekking tot feit 4 (zaaksdossier B9, incident 1 en 5):

Ten aanzien van hetgeen aan verdachte is tenlastegelegd onder dit feit is de rechtbank van oordeel dat dit eveneens niet bewezen is. De voorhanden zijnde bewijsmiddelen laten de mogelijkheid open dat de tenlastegelegde handelingen op iets anders zagen dan de handel in verdovende middelen via de luchthaven Schiphol.

Hetgeen aan verdachte verder meer of anders is tenlastegelegd dan hierna bewezen wordt verklaard is niet bewezen. De verdachte moet ook hiervan worden vrijgesproken.

3.1.2 Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan, in dier voege dat

Feit 2 (zaaksdossier B2)

hij op 12 november 2006 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1, lid 4, van de Opiumwet, ongeveer 77.203 gram, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I;

Feit 3

(zaaksdossier B3)

hij op 28 november 2006 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1, lid 4, van de Opiumwet, ongeveer 20.335 gram, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

3.2 Bewijsmiddelen

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten op grond van de navolgende bewijsmiddelen, waarbij de aangehaalde processen-verbaal alle in de wettelijke vorm en op ambtseed zijn opgemaakt:

(...)

3.3 Bewijsoverweging

3.3.1 Bewijsverweren

Met betrekking tot feit 2 (zaaksdossier B2):

De verdediging heeft aangevoerd dat de voor verdachte belastende verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 1] niet als steunbewijs kunnen dienen, omdat:

- deze worden tegengesproken door medeverdachte [medeverdachte 2];

- de verklaringen van [medeverdachte 1] onbetrouwbaar zijn nu hij medeverdachte is, zijn verklaringen nadien heeft ontkend en onder druk is gezet door derden;

- voor deze verklaringen geen steun in het dossier is te vinden; en

- [medeverdachte 1] bij de rechter-commissaris een beroep op zijn zwijgrecht heeft gedaan, waardoor hij niet kon worden bevraagd door de verdediging.

De rechtbank volgt geen van deze standpunten.

In zijn algemeenheid overweegt de rechtbank dat de hiervoor gebezigde bewijsmiddelen aansluiten bij de eerdere verklaringen van [medeverdachte 1]. Dat [medeverdachte 2] een verklaring heeft afgelegd die een verklaring van [medeverdachte 1] tegenspreekt, doet op zichzelf niet af aan de bruikbaarheid voor het bewijs jegens verdachte van de verklaringen van [medeverdachte 1], zeker in onderlinge samenhang bezien met de overige gebezigde bewijsmiddelen.

Dat [medeverdachte 1] medeverdachte is en zijn verklaringen daardoor onbetrouwbaar zouden zijn, zoals de verdediging ter zitting heeft aangevoerd, volgt de rechtbank niet, omdat dit verweer niet als algemeen uitgangspunt kan gelden en, zoals hiervoor is aangegeven, de verklaringen van [medeverdachte 1] aansluiten bij overige bewijsmiddelen. Dat [medeverdachte 1] zijn eerdere verklaringen nadien heeft ingetrokken, doet er niet aan af dat de rechtbank wel waarde hecht aan deze verklaringen, nu deze aansluiten bij overige bewijsmiddelen. Het verweer van verdachtes raadsman dat de verklaringen van [medeverdachte 1] niet als steunbewijs kunnen dienen, nu hij bij de rechter-commissaris, vanwege een beroep op zijn zwijgrecht, niet kon worden bevraagd, slaagt evenmin, aangezien de eerder afgelegde verklaringen van [medeverdachte 1], zoals gezegd, aansluiten bij andere bewijsmiddelen. Dat hij zich bij de rechter-commissaris heeft beroepen op zijn zwijgrecht en daarom niet effectief kon worden bevraagd over zijn eerder afgelegde verklaringen, maakt dat niet anders.

Dat [medeverdachte 1] zodanig onder druk zou zijn gezet, dat daardoor zijn afgelegde verklaringen onbetrouwbaar zijn geworden, is voor de rechtbank niet aannemelijk geworden.

De in de bewijsmiddelen vermelde diverse contacten in de periode rond 12 november 2006 tussen verdachte en zijn medeverdachten, welke zijn te ontlenen aan de in het dossier opgenomen zogenaamde tijdlijn acht de rechtbank, ook in samenhang bezien met de overige gebezigde bewijsmiddelen, wel relevant voor het bewijs jegens verdachte. Het feit dat de inhoud van de contacten niet vast staat doet daar niet aan af.

Verder is door de verdediging aangevoerd dat het feit dat verdachte op 12 november 2006 op Schiphol was op zichzelf niets zegt over zijn activiteiten. Dienaangaande overweegt de rechtbank dat uit de Schipholpasregistraties, zoals vermeld bij de bewijsmiddelen, blijkt dat verdachte op 12 november 2006 op het beveiligde gebied van Schiphol is geweest. Hier kan, in samenhang met de overige bewijsmiddelen en bezien in het licht van de tenlastelegging, een belastende betekenis voor verdachte aan worden toegekend, temeer nu verdachte geen verklaring heeft gegeven voor zijn aanwezigheid op Schiphol op een dag dat hij geen dienst had.

Tenslotte is aangevoerd dat er bij verdachte geen sprake was van medeplegen nu zijn eventuele betrokkenheid zag op een tijdstip na de inbeslagname van de cocaïne, alsmede de geringe rol van verdachte. De rechtbank volgt dit verweer evenmin. Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat van verdachtes betrokkenheid ook sprake was voor het tijdstip van de inbeslagname. Voorts leidt de rechtbank uit de bewijsmiddelen af dat zijn rol van een zodanig belang was en dat er zeker sprake was van een bewuste en nauwe samenwerking dat er wel gesproken moet worden van medeplegen.

De rechtbank volgt het namens verdachte gedane beroep op vrijspraak van feit 2 dan ook niet.

Met betrekking tot feit 3 (zaaksdossier B3):

De door de verdediging met betrekking tot dit feit gevoerde verweren zijn grotendeels ook aangevoerd met betrekking tot feit 2 (zaaksdossier B2). De rechtbank verwijst voor wat betreft haar standpunt kortheidshalve naar hetgeen hiervoor is overwogen. Met betrekking tot hetgeen de verdediging heeft opgemerkt over de verklaringen van [medeverdachte 2] merkt de rechtbank op dat in het kader van dit feit geen verklaring van [medeverdachte 2] tot bewijs wordt gebezigd.

Tenslotte hecht de rechtbank in voor verdachte belastende zin betekenis aan het feit dat uit in de bewijsmiddelen vermelde schipholpas- en ziekteregistraties kan worden afgeleid dat verdachte omstreeks 28 november 2006 aanwezig was in de buurt van Schiphol terwijl hij zich in die periode zou hebben ziek gemeld.

Ook daarvoor bleef verdachte desgevraagd ter zitting een verklaring schuldig.

De rechtbank deelt dan ook niet de visie van de verdediging dat verdachte dient te worden vrijgesproken van feit 3.

4. Strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

2. medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod;

3. medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod;

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van de sanctie en van overige beslissingen

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 2, 3 en 4 tenlastegelegde feiten en gevorderd dat verdachte terzake zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaar. Voorts heeft zij verbeurdverklaring gevorderd van de nummers 6-10, 12, 18, 22, 23, 25, 38-41, 47, 48 en 58 op de beslaglijst. De nummers 35, 36, 46 en 47 dienen naar haar oordeel te worden teruggegeven aan verdachte.

6.2 Hoofdstraf

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft in november 2006, in samenwerking met zijn medeverdachten, meermalen actief meegewerkt aan het via Schiphol binnensmokkelen van in totaal bijna 100 kg cocaïne, afkomstig uit Zuid-Amerika. Verdachte en zijn medeverdachten vormden ieder een onmisbare schakel bij het vervoer van de gesmokkelde cocaïne vanuit het vliegtuig via de KLM-bagage- en/of vrachtafhandeling binnen het beveiligde gebied op Schiphol (airside) naar het openbare gebied (landside). Voorts is het de rechtbank gebleken dat verdachte bij de organisatie van de gang van zaken rondom de te onderscheppen en te vervoeren transporten cocaïne een zeer belangrijke rol speelde. Zo had verdachte contacten met de opdrachtgever(s), waarna hij vervolgens de op Schiphol werkzame medeverdachten benaderde voor hun – door verdachte op elkaar afgestemde – individuele diensten om de cocaïne te onderscheppen en naar landside te transporteren.

Voor het plegen van deze feiten heeft verdachte misbruik gemaakt van zijn functie bij de afdeling export van de KLM op de luchthaven Schiphol, en de daarbij behorende autorisatie voor diverse computersystemen en om het beschermde gebied van de luchthaven te betreden. Verdachte en een aantal andere op Schiphol werkzame personen vervulden elk een eigen rol bij de invoer van de verdovende middelen, afgestemd op de autorisaties die zij uit hoofde van hun functies bezaten. Het misbruik van zijn positie rekent de rechtbank verdachte zeer zwaar aan en zal daarmee in strafverzwarende zin bij de strafmaat rekening houden.

De rechtbank overweegt voorts dat cocaïne een voor de gezondheid zeer schadelijke stof is. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. Tevens gaan de verspreiding van en handel in cocaïne gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.

Door de verdediging is aangevoerd dat verdachtes rol gering was en dat medeverdachten er belang bij hebben zijn rol te vergroten. De rechtbank is echter van oordeel dat verdachte, zoals hiervoor reeds is overwogen, een initiërende en organiserende rol heeft vervuld in het kader van de invoer van de verdovende middelen en zal hier dan ook in strafverzwarende zin rekening mee houden.

Dat verdachte en zijn directe familie zwaar getroffen zijn door zijn ontslag en de ontstane financiële situatie is het gevolg van zijn strafbare handelen. De rechtbank ziet dan ook geen aanknopingspunten in de persoonlijke omstandigheden van verdachte die zouden moeten leiden tot strafvermindering.

Waar de rechtbank wel in strafmatigende zin rekening mee zal houden is het feit dat verdachte voor wat betreft Opiumwetdelicten als first offender kan worden gezien.

De aan verdachte op te leggen straf is weliswaar gelijk aan de eis van de officier van justitie, maar rekening houdend met vrijspraak voor twee tenlastegelegde feiten, is deze uiteindelijk hoger dan de eis van de officier van justitie. De reden daarvoor is enerzijds gelegen in de aangegeven strafverzwarende omstandigheden en anderzijds in het feit dat de rechtbank voor de bewezenverklaarde feiten een straf van na te noemen duur passender acht.

6.3 Beslag

6.3.1 Verbeurdverklaring

De rechtbank is van oordeel dat de onder verdachte inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten de nummers 6-10, 12, 18, 22, 23, 34, 37-45, 47, 48, 49 en 51-54 op de beslaglijst, dienen te worden verbeurd verklaard. Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat de bewezenverklaarde feiten met behulp van die voorwerpen die aan verdachte toebehoren, zijn begaan of voorbereid.

6.3.2 Teruggave aan verdachte

De rechtbank is van oordeel dat de onder verdachte inbeslaggenomen voorwerpen, te weten de nummers 35, 36, 46, en 47 op de beslaglijst, dienen te worden teruggegeven aan verdachte.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

Wetboek van Strafrecht: 33, 33a, 47, 57;

Opiumwet: 2, 10.

8. Beslissing

De rechtbank:

Spreekt verdachte vrij van het hem onder 1 en 4 tenlastegelegde feit.

Verklaart bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.1.2 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezenverklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van ACHT (8) jaren.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd:

6. 2.00 STK Kaart

7. 1.00 STK Kaart

8. 2.00 STK Notitie en memo

9. 3.00 STK Notitie en memo

10. 1.00 STK Diverse

12. 4.00 STK Notitie en memo

18. 2.00 STK Notitie en memo

22. 1.00 STK Telefoontoestel

23. 1.00 STK Telefoontoestel Kl:zilver

34. 2.00 STK Papier

37. 1.00 STK Telefoontoestel Kl:zwart

38 1.00 STK Telefoontoestel Kl:grijs

39. 1.00 STK Telefoontoestel

40. 1.00 STK Telefoontoestel Kl:zwart

41. 1.00 STK Telefoontoestel Kl:grijs

42. 1.00 STK Telefoontoestel Kl:grijs

43. 1.00 STK Telefoontoestel Kl:grijs

44. 12.00 STK Papier

45. 1.00 STK Telefoontoestel Kl:roze

49. 1.00 STK Telefoontoestel

51. 1.00 STK Diverse

52. 2.00 STK Papier

53. 1.00 STK Papier

54. 1.00 STK Papier

Gelast de teruggave aan verdachte van:

35. 1.00 STK Horloge Kl:zwart

36. 1.00 STK Horloge Kl:grijs

46. 1.00 STK Computer Kl:grijs

47. 1.00 STK Rekening

9. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. F.F.W. Brouwer, voorzitter,

mrs. E.B. de Vries-Van den Heuvel en A.M. Koolen-Zwijnenburg, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffiers mr. T. Alexander en B.H.E. Zuidam,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 4 februari 2008.

B.H.E. Zuidam is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.