Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BC3377

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
17-01-2008
Datum publicatie
04-02-2008
Zaaknummer
AWB 07-7595 en 07-7866
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Artikelen 6 en 7 Monumentenverordening Noord-Holland 2005; opheffing van de opschortende werking monumentenvergunning voor het fort aan de Nekkerweg, gemeente Beemster.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummers: AWB 07 - 7595 en AWB 07 - 7866

uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 januari 2008

in de zaken van:

[verzoekster],

gevestigd te Middenbeemster,

verzoekster,

tegen:

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder,

derde partijen:

[X],

wonende te Westbeemster,

en

de Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging Afdeling Hoorn/West-Friesland, (hierna:) de Vereniging voor Veldbiologie,

gevestigd te Hoorn.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 april 2007 heeft verweerder aan verzoekster op basis van artikel 6 Monumentenverordening Noord-Holland 2005 vergunning verleend voor verbouwing van het fort aan de Nekkerweg te Middenbeemster.

Aangezien tegen dit besluit door de derde partijen bezwaar is gemaakt is de werking van de vergunning ingevolge artikel 7 Monumentenverordening Noord-Holland 2005 opgeschort.

Bij besluiten van 17 augustus 2007 heeft verweerder de bezwaren van de derde partijen niet-ontvankelijk verklaard. Tegen deze besluiten hebben de derde partijen beroep ingesteld bij de rechtbank (zaaknummers AWB 07 - 6633 en 07 - 6568). Ten aanzien van deze beroepen heeft verzoekster zich als derde partij gesteld.

Bij brieven van 5 respectievelijk 21 november 2007 heeft verzoekster verzocht om opheffing van de aan de vergunning verbonden opschortende werking.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 10 januari 2008, alwaar voor verzoekster aanwezig waren haar directeur [a] en [b], werkzaam bij verzoekster. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. S.J.P.A.M. van Herpen en A. van Goor, beiden werkzaam bij de provincie Noord-Holland. Voorts zijn verschenen [X] en M. Kleij, voorzitter van de Vereniging voor Veldbiologie.

2. Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Daarbij gaat het om een afweging van belangen van de verzoekende partij bij een onverwijlde voorziening tegen het belang dat is gemoeid met onmiddellijke uitvoering van het besluit.

Voor zover deze toetsing een beoordeling van de hoofdzaak meebrengt, is dat oordeel voorlopig van aard.

2.2 Ingevolge artikel 8:81, tweede lid, Awb, kan, indien bij de rechtbank beroep is ingesteld, een verzoek om voorlopige voorziening worden gedaan door een partij in de hoofdzaak.

2.3 Verzoekster heeft bij wijze van voorlopige voorziening verzocht om opheffing van de ingevolge artikel 7 van de Monumentenverordening Noord-Holland 2005 aan de haar verleende vergunning verbonden opschortende werking.

2.4 De voorzieningenrechter ziet aanleiding deze voorziening toe te wijzen. Daarbij is het volgende van belang.

2.5 Naar dezerzijds voorlopig oordeel zal het beroep van [X] tegen de niet-ontvankelijkheidverklaring van haar bezwaarschrift geen doel treffen.

Verweerder doet deze niet-ontvankelijkheidverklaring stoelen op de overweging dat betrokken niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, Awb is te beschouwen, aangezien zij woont op een afstand van circa 10 kilometer van het monument. Deze overweging komt de voorzieningenrechter vooralsnog, gelet op het in de jurisprudentie ontwikkelde zichtcriterium, als juist voor. Het enkele feit dat betrokkene, naar zij ter zitting heeft aangevoerd, in de gelegenheid had willen zijn gesteld om het fort aan te kopen, is niet een omstandigheid die haar tot belanghebbende maakt in een zaak, die uitsluitend betreft de vraag of een vergunning, als bedoeld in artikel 6 van de Monumentenverordening Noord-Holland 2005, al dan niet terecht is afgegeven.

2.6 Aangaande het beroep van de Vereniging voor Veldbiologie is het volgende van belang.

Verweerder heeft bij de niet-ontvankelijkheidverklaring overwogen dat niet is voldaan aan het belanghebbendenbegrip, als bedoeld in artikel 1:2, derde lid, Awb, omdat de doelstelling van de vereniging niet ziet op de bescherming van cultuurhistorische belangen, zoals die bij de onderhavige vergunning betrokken zijn. Vastgesteld moet evenwel worden dat de aangevoerde bezwaren natuur- en landschapsbescherming betreffen en dat deze zijn terug te voeren op de doelstelling van de vereniging, verwoord in artikel 2, onderdeel c, van haar statuten. Dit zo zijnde had verweerder niet tot niet-ontvankelijkheid kunnen besluiten.

Dit is evenwel geen reden om de voorlopige voorziening niet toe te wijzen. Daarbij is van belang dat mogelijke aantasting van natuurwaarden, zoals door de vereniging naar voren is gebracht, niet kan worden betrokken bij de beslissing omtrent het al dan niet verlenen van een vergunning ex artikel 7 Monumentenverordening Noord-Holland 2005. Bij deze beslissing zijn uitsluitend belangen betrokken, die samenhangen met de bescherming van het monument. Verweerder heeft dit ook onderkend, blijkens het integraal overnemen van het advies van de Hoor- en adviescommissie, waar deze overweegt dat het bij de Monumentenverordening Noord-Holland 2005 gaat om cultuurhistorische belangen. De door de vereniging naar voren gebrachte bezwaren kunnen eventueel bij het verlenen van bouwvergunning - namelijk indien er sprake is van het verlenen van een vrijstelling - aan de orde worden gesteld.

2.7 Gelet op het vorenstaande en gelet op de spoedeisende belangen van verzoekster bij de opheffing van de opschortende werking, waardoor zij gebruik zal kunnen maken van de verleende vergunning, zal het verzoek om voorlopige voorziening op de hierna volgende wijze worden toegewezen.

2.8 Voor een proceskostenveroordeling zijn geen termen aanwezig.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst de verzoeken om voorlopige voorziening, inhoudende opheffing van de opschortende werking, toe.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Ludwig, voorzieningenrechter, en op 17 januari 2008 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. M. Hekelaar, griffier.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.