Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BC3250

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
02-01-2008
Datum publicatie
31-01-2008
Zaaknummer
131671 - HA ZA 07-94
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Appartementsrechten; geschil over een dakterras. Gedaagden, bewoners van het bovenappartement, hebben sinds jaren een dakterras in gebruik. Eisers, bewoners van het benedenappartement, vorderen een verbod tot gebruik alsmede ontruiming van dit dakterras. Zij beroepen zich op een bepaling in de splitsingsakte, in welke bepaling staat dat het de eigenaar en/of gebruiker van het benedenappartement is verboden zich op het dak van het bovenappartement te begeven. Het dakterras is aangelegd in de tijd dat één en dezelfde persoon eigenaar was van zowel het beneden- als het bovenappartement. Aan de orde komen onder meer de volgende vragen: is de bestemming van het dak tengevolge van een besluit van de vereniging van eigenaars door de vorige eigenaar in de tijd dat hij nog eigenaar was van zowel het beneden- als het bovenappartement gewijzigd in die van dakterras? Kunnen de eigenaren van het bovenappartement jegens de eigenaren van het benedenappartement een beroep doen het feit dat zij hun appartement inclusief dakterras hebben gekocht van de vorige eigenaar? Is er sprake van (verkrijgende of bevrijdende) verjaring? Is er sprake van rechtsverwerking?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 131671 / HA ZA 07-94

Vonnis van 2 januari 2008

in de zaak van

1. [Eiser],

wonende te Haarlem,

2. [Eiseres],

wonende te Haarlem,

eisers in de hoofdzaak,

verweerders in het incident

procureur mr. M. Herens,

tegen

1. [Gedaagde 1],

wonende te Haarlem,

2. [Gedaagde 2],

wonende te Haarlem,

gedaagden in de hoofdzaak,

eisers in het incident

procureur mr. P.A. Montagne-Helmig,

advocaat mr. A. Helmig te Haarlem.

Eisers zullen hierna [eiser] genoemd worden. Gedaagden zullen hierna gezamenlijk [gedaagde] genoemd worden. Gedaagde sub 1 zal [gedaagde 1] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het incidenteel vonnis van 2 mei 2007;

- het proces-verbaal van comparitie, gehouden op 13 september 2007.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Partijen zijn buren van elkaar. [Eiser] bewoont de benedenwoning op het adres [… zwart] te Haarlem en [gedaagde] bewoont de bovenwoning op het adres [… rood] te Haarlem.

2.2. Bij notariële akte van 2 december 1985 (hierna: de splitsingsakte), verleden voor notaris mr. G.D. Smith te Haarlem, is de onroerende zaak aan de [... zwart] en rood te Haarlem gesplitst in twee appartementsrechten. Deze appartementsrechten zullen hierna worden aangeduid als het appartementsrecht [... zwart] respectievelijk het appartementsrecht [... rood]. De ruimten waarop deze appartementsrechten betrekking hebben zullen hierna worden aangeduid als [... zwart] respectievelijk [... rood]. Ten tijde van de splitsing, op 2 december 1985, was de vennootschap onder firma “Marco speelgoed” eigenaar van [... zwart] en rood.

2.3. De splitsingsakte vermeldt, voor zover relevant:

“De comparanten verklaarden:

(…)

dat daartoe bedoelde splitsing is vastgelegd in een tekening van alle bouwlagen, welke tekening aan deze is gehecht;

(…) die tekening (waarop de gedeelten welke bestemd zijn tot afzonderlijk gebruik duidelijk zijn aangegeven en daarop zijn voorzien van arabische cijfers 1 en 2) (…)

dat het perceel zal omvatten de navolgende appartementsrechten:

1. het onverdeelde aandeel ad (…), omvattende de bevoegdheid tot het uitsluitend gebruik van de bedrijfsruimte op de begane grond met verder toebehoren, plaatselijk bekend [... zwart] te Haarlem, kadastraal bekend […];

2. het onverdeelde aandeel ad (…), omvattende de bevoegdheid tot het uitsluitend gebruik van de op de eerste en tweede verdieping gelegen woning met verder toebehoren, plaatselijk bekend [... rood] te Haarlem, kadastraal bekend […];

(…)

Artikel 1. Dit Reglement omvat alle bepalingen, voor zover daarvan bij deze akte niet is afgeweken, welke zijn opgenomen in het modelreglement van de Koninklijke Notariële Broederschap, (…) (hierna vermeld als het reglement), welke bepalingen worden beschouwd als in deze akte woordelijk te zijn opgenomen en als ten deze van toepassing te zijn, met inachtneming van de volgende wijzigingen en aanvullingen:

(…)

Artikel 9. De sub a en b genoemde zaken zijn niet gemeenschappelijk indien deze uitsluitend gebruikt worden en/of bestemd zijn en/of dienstbaar zijn aan een privé gedeelte.

Het is de eigenaar en/of gebruiker van het appartementsrecht [... rood] verboden zich op het dak van het appartementsrecht [... zwart] te begeven.

Artikel 16. De privé-gedeelten zijn bestemd tot het uitsluitend gebruik door de tot dat gebruik gerechtigde(n) met bestemming als hiervoor bij de omschrijving der appartementsrechten is vermeld.

(…)

Artikel 37. lid 2. Dit lid wordt vervangen door:

“2. Bij staking van stemmen zal een derde op verzoek van de beide partijen bij wijze van bindend advies over het betreffende geschilpunt beslissen binnen een maand nadat dat verzoek hem heeft bereikt en na de beide eigenaars te hebben gehoord.

Mochten de eigenaars niet in onderling overleg tot aanwijzing van die derde komen dan zal de heer Kantonrechter te Haarlem op verzoek van de meest gerede partij het geschilpunt beslissen in hoogste ressort.”

Het van de splitsingsakte deel uitmakende Modelreglement bij splitsing in appartementsrechten (versie november 1983) (hierna: het modelreglement) vermeldt, voor zover relevant:

“A. Definities

Artikel 1

In het reglement wordt verstaan onder:

(…)

d. ‘gemeenschappelijke gedeelten’: die gedeelten van het gebouw alsmede de daarbij behorende grond die blijkens de akte niet bestemd zijn of worden om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt;

(…)

f. ‘privé gedeelte’: het gedeelte of de gedeelten van het gebouw en de daarbij behorende grond dat/die blijkens de akte bestemd is/zijn of wordt/worden om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt;

(…)

F Gebruik, beheer en onderhoud van de gemeenschappelijke gedeelten en de gemeenschappelijke zaken

Artikel 9

1. Tot de gemeenschappelijke gedeelten en zaken worden ondermeer gerekend voor zover aanwezig:

a. (…) de daken (…)

(…)

Artikel 11

Iedere eigenaar en gebruiker heeft het gebruik van de gemeenschappelijke gedeelten en/of gemeenschappelijke zaken volgens de bestemming daarvan.

Hij moet daarbij inachtnemen het reglement (…) en hij mag geen inbreuk maken op het recht van medegebruik van de andere eigenaars en gebruikers.

Artikel 12

1. iedere eigenaar en gebruiker is verplicht zich te onthouden van luidruchtigheid, het onnodig verblijf in de gemeenschappelijke gedeelten, voor zover deze niet voor verblijf voor korte of lange tijd bestemd zijn (…)

3. De vergadering kan tot de in het eerste en tweede lid genoemde handelingen toestemming verlenen, en een reeds verleende toestemming intrekken.

Artikel 13

1. iedere op-, aan- of onderbouw zonder toestemming van de vergadering is verboden.

(…)

G gebruik, beheer en onderhoud van de privé gedeelten

Artikel 16

1. Iedere eigenaar en gebruiker heeft het recht op uitsluitend gebuik van zijn privé gedeelte, mits zij aan de andere eigenaars en gebruikers geen onredelijke hinder toebrengt.

(…)

4. Iedere eigenaar en gebruiker is verplicht het privé gedeelte te gebruiken overeenkomstig de daaraan nader in de akte gegeven bestemming. Een gebruik dat afwijkt van deze bestemming is slechts geoorloofd met toestemming van de vergadering. (…)

2.4. In 1989 heeft [eerdere verkrijger] het appartementsrecht [... zwart] verkregen. In 1992 heeft [eerdere verkrijger] het appartementsrecht [... rood] verkregen. In 1992 heeft [eerdere verkrijger] op het dak van [... zwart] een dakterras (hierna: het dakterras) aangelegd. Dit dakterras is alleen bereikbaar via [... rood].

2.5. Nadat [eerdere verkrijger] op 10 juni 1994 de economische eigendom van het appartementsrecht [... rood] aan [gedaagde 1] had overgedragen, heeft [eerdere verkrijger] op 29 mei 1996 het appartementsrecht [... rood] aan [gedaagde 1] (juridisch) geleverd. [gedaagde] heeft de woning in 1994 betrokken en gebruikt sindsdien ook het dakterras.

2.6. Op 26 juli 2005 heeft [eerdere verkrijger] aan [eiser] verkocht en op 2 november 2005 heeft [eerdere verkrijger] aan [eiser] geleverd het appartementsrecht [... zwart]. [Eiser] heeft de als woning ingerichte ruimte in januari 2006 betrokken. In de door de makelaar van [eerdere verkrijger] opgestelde verkoopbrochure is geen melding gemaakt van (een recht van gebruik van) het dakterras.

2.7. Op 11 juli 2005 is op de laatste bladzijde van een kopie van de splitsingsakte door de makelaar van [eerdere verkrijger] met de hand de volgende tekst geschreven:

“Er bestaan geen rechtsgeldige afspraken tussen de eigenaars van de appartementen 1) en 2), behalve die welke hierboven zijn beschreven.”

Deze tekst is door [eerdere verkrijger] ondertekend.

2.8. Bij brief van 28 maart 2006 heeft [eiser] [gedaagde] onder meer het volgende bericht:

“In artikel 9 van de splitsingsakte van […] staat dat (…)

Op grond van ons eigendomsrecht geven wij geen toestemming om, op geen enkele wijze, gebruik te maken van het dak en de belendingen van het pand [... zwart].”

2.9. Bij brief van 7 juni 2006 heeft mr. Helmig, in hoedanigheid van notaris, namens [gedaagde 1] inhoudelijk gereageerd op de onder 2.8 bedoelde brief.

2.10. Bij brief van 7 december 2006 heeft mr. Herens [gedaagde 1] namens [eiser] onder meer het volgende bericht:

“Cliënten hebben u en uw echtgenote meerdere malen verzocht het dak van cliënten niet meer te betreden daar het u op grond van de splitsingsakte artikel 9 verboden is om u op het dak van cliënten te begeven. Tot op heden heeft u hier geen gehoor aan gegeven.

Onder voorbehoud van al hun rechten en weren verzoeken en voor zover nodig sommeren cliënten u en uw echtgenote hierbij om ondergetekende binnen 7 dagen na dagtekening van deze brief schriftelijk te bevestigen dat u beiden per direct het betreden van het dak van cliënten zal staken en gestaakt zal houden. Cliënten sommeren u tevens om binnen voornoemde termijn alle zaken die zich op voornoemd dak bevinden waaronder houten banken, een tafel en bloempotten te verwijderen.”

2.11. Bij brief van 31 augustus 2006 heeft [eerdere verkrijger] [gedaagde] het volgende geschreven:

“Bij deze verklaar ik nogmaals dat ik de woning […] te Haarlem aan jullie verkocht heb inclusief het dakterras.”

3. Het geschil

3.1. De vorderingen, die betrekking hebben op het door [gedaagde] gebruikte dakterras, zijn weergegeven onder 2.1 van het incidenteel vonnis van 2 mei 2007.

3.2. De door [gedaagde] in het kader van het incident opgeworpen excepties zullen tegelijk met de vordering in de hoofdzaak worden behandeld.

4. De verdere beoordeling in het incident en in de hoofdzaak

4.1. [Eiser] baseert zijn vorderingen - samengevat - op het verbod opgenomen in artikel 9 van de splitsingsakte, inhoudende dat het de eigenaar van het appartementsrecht [... rood] verboden is zich op het dak van [... zwart] te begeven.

4.2. De rechtbank begrijpt de verweren van [gedaagde] als nader toegelicht door mr. Helmig ter gelegenheid van de comparitie van partijen als volgt. Primair beroept [gedaagde] zich op een besluit van de vereniging van eigenaars (hierna: de VvE), genomen door [eerdere verkrijger] in de tijd dat hij nog eigenaar was van zowel appartementsrecht [... zwart] als appartementsrecht [... rood]. Op grond van dit besluit is de bestemming van het dak gewijzigd in die van dakterras. Hiermee is het vorderingsrecht tot het (doen) verwijderen van het dakterras verdwenen. Voor het geval de rechtbank van oordeel is dat er geen sprake is van een besluit van de VvE tot wijziging van de bestemming van het dak in die van dakterras voert [gedaagde] aan dat [eerdere verkrijger] het appartementsrecht [... rood] met dakterras aan [gedaagde 1] heeft verkocht. Voorts voert [gedaagde], eveneens voor het geval de rechtbank van oordeel is dat er geen sprake is van een besluit van de VvE tot wijziging van de bestemming van het dak in die van dakterras, aan dat [gedaagde] door verkrijgende verjaring eigenaar is geworden van het dakterras en dat het vorderingsrecht van [eiser] is verjaard en/of verwerkt. Verder voert [gedaagde] aan dat de vorderingen van [eiser] uiterst onredelijk zijn, omdat ze er uitsluitend toe strekken dat [eiser] het dakterras “voor nop” van [gedaagde] wil afpakken, terwijl het gebruik van het dakterras door [... zwart] niet in de verkoop aan [eiser] was inbegrepen. Tot slot voert [gedaagde] ten verwere aan dat hij niet op het dak loopt omdat de liggers, waarop de planken van het dakterras liggen, op de zijmuren rusten en niet op het dak zelf.

besluit VvE

4.3. De rechtbank overweegt naar aanleiding van het primaire verweer als volgt. De vraag of de VvE een besluit heeft genomen tot wijziging van de bestemming van het dak van [... zwart] in die van dakterras kan in het midden blijven. Gesteld noch gebleken is immers dat een dergelijk besluit stond ingeschreven in de openbare registers op het moment dat [eiser] appartementsrecht [... zwart] verkreeg. Voorts is gesteld noch gebleken dat [eiser] dit besluit kende. Bovendien is tussen partijen niet in geschil dat artikel 9 van de splitsingsakte niet is aangepast naar aanleiding van dit (vermeende) besluit. Op grond van artikel 3:24 BW kan een dergelijk besluit van de VvE - wat er zij van de vraag of het besluit geldig is genomen - daarom niet aan [eiser] worden tegengeworpen.

4.4. Dat de feitelijke situatie aldus is dat het dakterras wordt gebruikt door [gedaagde] en dat [gedaagde] en [eerdere verkrijger] het niet nodig achtten de splitsingsakte - meer bijzonder het daarin opgenomen splitsingsreglement - aan te passen omdat dit veel kosten met zich mee zou brengen en omdat het tussen hen duidelijk was hoe een en ander geregeld was, doet aan het bovenstaande niet af. [Eiser] mocht er als verkrijger van het registergoed - mede in het licht van de onder 2.7 bedoelde schriftelijke opmerking van [eerdere verkrijger] onderaan de splitsingsakte en bij gebreke van andersluidende mededelingen - van uit gaan dat de registers juist en volledig waren. De brief van [eerdere verkrijger] aan [gedaagde] van 31 augustus 2006 doet niet aan af aan het bovenstaande nu gesteld noch gebleken is dat [eerdere verkrijger] ten tijde van de verkoop van het appartementsrecht 40 zwart aan [eiser] andere mededelingen over eventuele rechten van [gedaagde] op het dakterras heeft gedaan dan bedoelde schriftelijke opmerking van [eerdere verkrijger] onderaan de splitsingsakte.

appartementsrecht met dakterras aan [gedaagde 1] verkocht

4.5. Met betrekking tot het subsidiaire verweer van [gedaagde] dat [eerdere verkrijger] het appartementsrecht [... rood] met dakterras aan [gedaagde 1] heeft verkocht overweegt de rechtbank als volgt. Voor zover [gedaagde] in dit verweer met dakterras doelt op een recht van opstal faalt dit verweer nu gesteld noch gebleken is dat een dergelijk recht, bij notariële akte, is gevestigd. Voor zover [gedaagde] in dit verweer het oog heeft op een door [eerdere verkrijger] aan [gedaagde] verleend recht van gebruik van het dakterras faalt dit verweer ook. Een dergelijk gebruiksrecht geldt immers alleen jegens [eerdere verkrijger] (en niet jegens [eiser]) en heeft, indien het niet is ingeschreven in de openbare registers, geen zakelijke werking jegens derden zoals in dit geval [eiser] Dat [eerdere verkrijger] het dakterras heeft meeverkocht aan [gedaagde] betreft daarom een kwestie tussen [eerdere verkrijger] en [gedaagde] Ook indien [gedaagde] met dit verweer zou doelen op de zaken waaruit het dakterras is opgebouwd en waarmee het dakterras is ingericht kan dit verweer hem niet baten. Niet valt immers in te zien hoe verkoop van deze zaken in de omstandigheden van dit geval af kan doen aan het bepaalde in de splitsingsakte.

verjaring

4.6. Met betrekking tot het beroep van [gedaagde] op verkrijgende verjaring overweegt de rechtbank als volgt. [gedaagde] heeft zich op verkrijgende verjaring in de zin van artikel 3:99 BW beroepen. Zoals beide partijen terecht veronderstellen is op grond van artikel 3:99 lid 1 BW voor verkrijgende verjaring van (het recht tot gebruik van) het dakterras vereist dat er sprake is van een onafgebroken bezit van dit dakterras te goeder trouw gedurende tien jaren. [gedaagde] voert aan dat er op het moment dat [eiser] zijn acties richting [gedaagde] begon reeds sprake was van een onafgebroken bezit te goeder trouw van het dakterras van meer dan tien jaar.

4.7. Met [eiser] is de rechtbank van oordeel dat dit beroep op verjaring faalt omdat [gedaagde] op grond van artikel 3:23 BW niet is te beschouwen als een bezitter te goeder trouw nu hij het verbod van artikel 9 van de splitsingsakte door raadpleging van de registers kon kennen. Daarom kan van verkrijgende verjaring in dit geval geen sprake zijn, terwijl de verjaringstermijn van de rechtsvordering van [eiser] tot beëindiging van de (eventueel) onrechtmatige toestand twintig jaren bedraagt. Aangezien [eerdere verkrijger] het dakterras in 1992 heeft aangelegd, kan er - ook indien men de periode van bezit en gebruik van [eerdere verkrijger] meerekent - nog geen sprake zijn van een onafgebroken bezit of gebruik van twintig jaren. De vordering van [eiser] is dus nog niet verjaard. Dat [gedaagde] wist dat [eerdere verkrijger] enig eigenaar van beide appartementsrechten was en dat [gedaagde 1] in 1994 een woning met dakterras kocht welke woning en dakterras aan hem werden geleverd blijkens notariële akte doet - anders dan [gedaagde] veronderstelt - aan het bovenstaande niet af. Het gaat in dit verband immers om de geobjectiveerde goede trouw als bedoeld in artikel 3:23 BW. Hiervoor is hetgeen zich tussen [eerdere verkrijger] en [gedaagde] heeft afgespeeld niet relevant.

rechtsverwerking / vordering onredelijk

4.8. Verder heeft [gedaagde] ten verwere aangevoerd dat [eiser] zijn recht om een beroep te doen op artikel 9 van de splitsingsakte heeft verwerkt en dat de vorderingen van [eiser] uiterst onredelijk zijn, omdat ze er uitsluitend toe strekken het dakterras “voor nop” van [gedaagde] af te pakken. In dit verband heeft [gedaagde] aangevoerd dat de makelaar van [eerdere verkrijger] niet tegen [eiser] heeft gezegd dat het dakterras bij [... zwart] hoort, dat in de verkoopfolder van deze makelaar niets staat over een dakterras en dat het voor [eiser] ten tijde van de bezichtigingen duidelijk moet zijn geweest dat het dakterras bij [... rood] hoort. Ook heeft [gedaagde] aangevoerd dat [eiser] voorafgaand aan de koop van [... zwart] tegen [gedaagde] niets heeft gezegd over zijn vermeende aanspraken op het dakterras en zelfs het dakterras heeft geïnspecteerd op inkijk van boven naar beneden, in verband met de door hem gewenste privacy.

4.9. De rechtbank verwerpt ook dit verweer. Dat de feitelijke situatie aldus is dat het dakterras naar verkeersopvattingen bij [... rood] lijkt te horen en dat in de verkoopfolder niets staat over een dakterras brengt niet met zich mee dat [eiser] enig recht heeft verwerkt. Ook indien de makelaar van [eerdere verkrijger] voorafgaand aan de verkoop aan [eiser] niet heeft gezegd dat het dakterras bij [... zwart] hoort - hetgeen [eiser] heeft betwist - brengt dit, noch op zichzelf noch in combinatie met de overige omstandigheden van dit geval, met zich mee dat [eiser] enig recht heeft verwerkt. [Eiser] mocht - zoals hiervoor reeds is overwogen - als koper van een registergoed immers afgaan op de openbare registers en op de onder 2.7 bedoelde door [eerdere verkrijger] ondertekende mededeling. Voorts heeft [gedaagde] uit het enkele feit dat [eiser] voorafgaand aan de koop niets heeft gezegd over de door hem gepretendeerde rechten met betrekking tot het dakterras, in de gegeven omstandigheden niet redelijkerwijs kunnen afleiden dat [eiser] afstand deed van enig recht.

4.10. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat [eiser] zich jegens [gedaagde] kan beroepen op artikel 9 van de splitsingsakte, zodat het gevorderde verbod om het dak te betreden toewijsbaar is. In dit verband acht de rechtbank mede van belang dat noch in het geval het dakterras behoort tot het privé-gedeelte van [eiser], zoals [eiser] aanvoert, noch in het geval het dakterras behoort tot de gemeenschappelijke gedeelten, zoals [gedaagde] aanvoert, in deze procedure door [gedaagde] respectievelijk [eiser] voldoende is onderbouwd dat [gedaagde] respectievelijk [eiser] op grond van de huidige tekst van de splitsingsakte en het modelreglement een recht van gebruik van het dakterras kan doen gelden. Een dergelijke onderbouwing was in het licht van de tekst van de splitsingsakte en het modelreglement en gezien hetgeen partijen over en weer in dit verband hebben gesteld wel vereist. Een verbod als door [eiser] gevorderd impliceert gezien het bovenstaande geen gebruiksrecht van [eiser] [Eiser] kan dan ook niet, enkel door toewijzing van het verbod, het dakterras “voor nop” van [gedaagde] afpakken.

onderkant dakterras

4.11. Of het dakterras is gebouwd op liggers welke op de zijmuren rusten, hetgeen [gedaagde] stelt en [eiser] betwist, kan in het midden blijven. Ook indien de stelling van [gedaagde] juist is, is het dakterras immers, op grond van artikel 5:4 BW, een bestanddeel van het dak. Het verbod om het dak te betreden strekt zich dus mede uit tot het dakterras.

Conclusie

4.12. Het bovenstaande leidt tot de slotsom dat het gevorderde verbod het dak te betreden zal worden toegewezen. De gevorderde dwangsom zal worden beperkt als vermeld in de beslissing.

4.13. De vordering tot het uitspreken van een verklaring voor recht zal worden afgewezen, nu [eiser] naar het oordeel van de rechtbank geen belang heeft bij dit deel van het gevorderde naast het bovenbedoelde verbod. Ook de vordering strekkende tot een gebod aan [gedaagde] om alle zaken welke zich op het dakterras bevinden te verwijderen zal worden afgewezen. Artikel 9 van de splitsingsakte bevat immers uitsluitend een verbod om zich op het dak te begeven. Bovendien heeft [eiser] zoals hiervoor reeds is overwogen noch voor het geval het dakterras behoort tot het privé-gedeelte van [eiser] noch voor het geval het dakterras behoort tot de gemeenschappelijke gedeelten voldoende onderbouwd dat hij een recht van gebruik van het dakterras heeft, terwijl een dergelijke onderbouwing wel op de weg van [eiser] had gelegen.

4.14. Gezien het bovenstaande kan de vraag of het dak(terras) al of niet gemeenschappelijk is in deze procedure in het midden blijven. Verwijzing naar de sector kanton van deze rechtbank zal dan ook achterwege blijven.

4.15. [gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding EUR 84,31

- vast recht 248,00

- salaris procureur 1.356,00 (3,0 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 1.688,31

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. verbiedt [gedaagde] om na 48 uur na betekening van dit vonnis het dak te betreden van het appartementsrecht, kadastraal bekend […], plaatselijk bekend [... zwart], 2011 JD Haarlem,

5.2. bepaalt dat [gedaagde] voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij in strijd handelt met het onder 5.1 bepaalde, aan [eiser] een dwangsom verbeurt van EUR 250,00, tot een maximum van EUR 50.000,00,

5.3. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op EUR 1.688,31,

5.4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.P.J. Ruijpers, mr. P.M. Wamsteker en mr. W.S.J. Thijs en in het openbaar uitgesproken op 2 januari 2008.?