Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BC3227

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
31-01-2008
Datum publicatie
31-01-2008
Zaaknummer
141839-07-4308
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De vader komt in beroep tegen de afwijzende beslissing van de Stichting op het verzoek van de vader af te zien van een krachtens de machtiging toegestane wijziging van de verblijfplaats van de minderjarige, namelijk de thuisplaatsing bij de moeder.

Ter zitting is eveneens gebleken dat de gezinsvoogdes inmiddels heeft bepaald dat [naam minderjarige] op een basisschool bij de moeder zal worden geplaatst. Ter voorbereiding op deze plaatsing met ingang van 8 januari 2008 is besloten [naam minderjarige] alvast bij de moeder te laten wennen aan de nieuwe situatie, zodat voor hem inmiddels duidelijk moet zijn dat hij definitief terug is geplaatst bij zijn moeder. Voor de noodzaak om [naam minderjarige] reeds op 8 januari 2008 op een nieuwe basisschool te plaatsen, zijn door de gezinsvoogdes geen argumenten aangevoerd.

De kinderrechter voelt zich voor een voldongen feit geplaatst door deze beslissing van de gezinsvoogdes maar zij acht het niet in het belang van [naam minderjarige] dat hij wederom geconfronteerd met een wijziging in zijn verblijfplaats, temeer nu uit het dossier blijkt dat [naam minderjarige] belang heeft bij duidelijkheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Familie- en Jeugdrecht

geschil ex artikel 1:263 lid 4 BW

zaak-/rekestnr.: 141839/07-4308

beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken d.d. 31 januari 2008

in de zaak van:

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

hierna mede te noemen: de vader,

procureur mr. M.B. Meindersma,

advocaat mr. L.J.P. Mentink,

--tegen--

Stichting Bureau Jeugdzorg [naam Stichting],

gevestigd te [vestigingsplaats],

hierna mede te noemen: de Stichting.

1 Verloop van de procedure

Voor het verloop van de procedure verwijst de rechtbank naar de volgende stukken:

- het op 21 december 2007 ter griffie van deze rechtbank ontvangen verzoekschrift met bijlagen van de vader;

- de op 28 december 2007 ter griffie van deze rechtbank ontvangen aanvullende stukken van de moeder, [naam moeder].

- het op 2 januari 2008 ter griffie van deze rechtbank ontvangen verweerschrift met bijlagen van de Stichting;

en het verhandelde ter terechtzitting op 3 januari 2008 in aanwezigheid van:

- de vader, bijgestaan door zijn raadsman;

- de moeder, bijgestaan door haar raadsvrouwe mr. J.I. Vervest;

- de Stichting, vertegenwoordigd door [naam gezinsvoogdes].

2 De vaststaande feiten

2.1 Bij beschikking van 26 april 2007 is de minderjarige [naam minderjarige] onder toezicht gesteld, welke ondertoezichtstelling thans nog voortduurt tot 26 april 2008.

2.2 Bij beschikking van 16 augustus 2007 is machtiging verleend de minderjarige uit huis te plaatsen bij de niet met het gezag belaste vader, welke machtiging eindigt op 26 april 2008.

2.3 Bij brief van 4 december 2007 heeft de Stichting de ouders schriftelijk haar voornemen kenbaar gemaakt [naam minderjarige] omstreeks januari 2008 thuis te plaatsen bij de met het gezag belaste moeder.

3 Het verzoek en de grondslag daarvan

3.1 De vader komt in beroep tegen de afwijzende beslissing van de Stichting op het verzoek van de vader af te zien van een krachtens de machtiging toegestane wijziging van de verblijfplaats van de minderjarige, namelijk de thuisplaatsing bij de moeder.

3.2 De vader heeft hieraan ten grondslag gelegd dat [naam minderjarige] onder toezicht is gesteld en uit huis is geplaatst bij zijn vader vanwege huiselijk geweld in de gezinssituatie van de moeder en de stiefvader. De moeder was onvoldoende in staat [naam minderjarige] een veilige en stabiele opvoedingssituatie te bieden. Nu wordt door de Stichting voorgesteld [naam minderjarige] weer bij zijn moeder te plaatsen, omdat het kennelijk beter zou gaan in haar gezin. De vader is echter van mening dat de gezinssituatie op dit moment nog niet als stabiel kan worden aangemerkt. Hoewel de relatie tussen de moeder en de stiefvader volgens de Stichting zou zijn beëindigd, is de moeder kort geleden bevallen van hun gezamenlijke kind. Daarnaast heeft de moeder psychische dan wel psychiatrische problemen. Gelet hierop is de vader van mening dat de uithuisplaatsing bij hem voorlopig dient te worden gecontinueerd.

4 Het verweer

De Stichting heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

5 Beoordeling

5.1 In de halfjaarlijkse rapportage van de Stichting leest de kinderrechter dat de situatie van de moeder inmiddels voldoet aan de door de Stichting gestelde bodemeisen op basis waarvan [naam minderjarige] volgens de gezinsvoogdes kan worden teruggeplaatst. De stichting gaat er daarbij vanuit dat de moeder ervoor zorg zal dragen dat [naam minderjarige] niet weer wordt blootgesteld aan huiselijk geweld. Zij heeft ervoor gekozen van de stiefvader te gaan scheiden en elders te gaan wonen. Daarnaast hebben zowel Bureau Jeugdzorg als de Stichting KRAM haar begeleid in het waarborgen van de veiligheid van de kinderen en in het stellen van grenzen naar de stiefvader toe. En hoewel de Stichting KRAM de moeder en de stiefvader omschrijft als kwetsbare, zeer stressgevoelige en hulpverlening behoevende mensen, ziet de Stichting de aanwezigheid van de stiefvader in het gezin van de moeder niet als onoverkomelijk voor de thuisplaatsing van [naam minderjarige]. De stiefvader heeft een eigen woonplek waar hij zich op elk gewenst moment kan terugtrekken. Desgevraagd heeft de gezinsvoogdes ter zitting toegevoegd dat de stiefvader en [naam minderjarige] op gezette tijden samen bij de moeder verblijven en dat zij het goed met elkaar lijken te kunnen vinden.

De rechtbank is van oordeel dat de geschetste gewijzigde omstandigheden nog broos zijn. Met name de geringe belastbaarheid van de moeder en de omvang van haar gezin, waaronder een pasgeboren baby, zijn reden tot zorg. De gezinsvoogdes heeft naar het oordeel van de kinderrechter het verloop van de recent ingezette ontwikkelingen onvoldoende in ogenschouw genomen, terwijl daartoe – gelet op de duur van de geldende machtiging uithuisplaatsing tot 26 april 2008 – voldoende gelegenheid voor was.

Om na te noemen reden zal de rechtbank hieraan echter niet de beslissing verbinden dat het beroepschrift gegrond dient te worden verklaard.

5.2 Ter zitting is eveneens gebleken dat de gezinsvoogdes inmiddels heeft bepaald dat [naam minderjarige] op een basisschool bij de moeder zal worden geplaatst. Ter voorbereiding op deze plaatsing met ingang van 8 januari 2008 is besloten [naam minderjarige] alvast bij de moeder te laten wennen aan de nieuwe situatie, zodat voor hem inmiddels duidelijk moet zijn dat hij definitief terug is geplaatst bij zijn moeder. Voor de noodzaak om [naam minderjarige] reeds op 8 januari 2008 op een nieuwe basisschool te plaatsen, zijn door de gezinsvoogdes geen argumenten aangevoerd.

De kinderrechter voelt zich voor een voldongen feit geplaatst door deze beslissing van de gezinsvoogdes maar zij acht het niet in het belang van [naam minderjarige] dat hij wederom geconfronteerd met een wijziging in zijn verblijfplaats, temeer nu uit het dossier blijkt dat [naam minderjarige] belang heeft bij duidelijkheid.

5.3 Het risico blijft dat indien de moeder en de stiefvader zich onvoldoende houden aan de gestelde bodemeisen – waarbij de kinderrechter het terugkerende huiselijk geweld voor ogen heeft – de situatie wederom onveilig kan worden voor [naam minderjarige]. In dat geval gaat de kinderrechter ervan uit dat voortvarend zal worden gehandeld en [naam minderjarige] onmiddellijk daarvan zal worden gevrijwaard. Gelet op het bovenstaande zal de kinderrechter het beroep van de vader tegen de afwijzende beslissing van de Stichting ongegrond verklaren. Daarnaast zal de kinderrechter een basis omgangsregeling tussen de vader en de minderjarige vaststellen, met dien verstande dat het partijen uiteraard vrij staat deze regeling in onderling overleg uit te breiden.

Gelet op het feit dat de moeder in het verleden het belang van [naam minderjarige] uit het oog heeft verloren, acht de kinderrechter het raadzaam dat (juridische) stappen worden ondernomen om in de toekomst het gezag over [naam minderjarige] door beide ouders gezamenlijk te laten uitoefenen.

6 Beslissing

De kinderrechter:

6.1 Verklaart het beroep van de vader ongegrond.

6.2 Stelt de volgende regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast waarbij dat de vader en de minderjarige gerechtigd zijn omgang met elkaar de hebben:

- eenmaal per veertien dagen een weekend;

- de helft van de vakanties en feestdagen, in onderling overleg te bepalen.

6.3 Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.A. Otter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken ter terechtzitting van 31 januari 2008, in tegenwoordigheid van mr. J.E. Lurvink-Betlem als griffier.