Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BC3153

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
30-01-2008
Datum publicatie
30-01-2008
Zaaknummer
15/700819-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Medeplegen van poging tot opzettelijk brandstichten in een moskee in aanbouw. Moskeebrand. Zie ook BC3148, BC 3150 en BC3151.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/700819-07

Uitspraakdatum: 30 januari 2008

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 16 januari 2008 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats] ,

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Midden Holland, Huis van Bewaring te Haarlem.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1. primair

hij op of omstreeks 22 juli 2007 te Haarlem ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk brand te stichten in en/of aan de Selimiye moskee (gevestigd aan de Minaretstraat 1-3), met dat opzet met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen,

drie molotovcocktail(s) heeft/hebben aangestoken,

in elk geval, met dat opzet drie maal (open) vuur in aanraking heeft/hebben gebracht met een stuk stof en/of een lont, terwijl die stukken stof en/of lonten in drie flessen gevuld met benzine, in elk geval met een brandbare stof, (zogenaamde molotovcocktails) zaten en die stukken stof en/of lonten in aanraking waren gebracht met benzine, in elk geval met brandbare stof,

en vervolgens die molotovcocktails tegen, naar en/of in de richting van die

moskee heeft/hebben gegooid,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor zich in die moskee bevindende goederen en/of zich in de onmiddellijke nabijheid van die moskee bevindende gebouwen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

1. subsidiair

hij op of omstreeks 22 juli 2007 te Haarlem met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, het Reinaldapark, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen de Selimiye moskee (gevestigd aan de Minaretstraat 1-3),

welk geweld bestond uit het tegen, naar en/of in de richting van die moskee gooien van drie aangestoken molotovcocktails,

in elk geval het gooien van drie flessen gevuld met benzine, in elk geval met een brandbare stof, met daarin een stuk stof en/of een lont (zogenaamde molotovcocktails), terwijl die stukken stof en/of lonten waren aangestoken;

2. primair (parketnummer 15/666318-07)

hij op een tijdstip gelegen in de periode van 1 juni 2007 tot en met 25 juni 2007 te Haarlem met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een mountainbike (van het merk Trek), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

2. subsidiair (parketnummer 15/666318-07)

hij op een tijdstip gelegen in de periode van 21 juni 2007 tot en met omstreeks 25 juni 2007 te Haarlem opzettelijk en wederrechtelijk een mountainbike (van het merk Trek), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft weggemaakt en/of onbruikbaar gemaakt, immers heeft

hij, verdachte, die mountainbike (uit een schuur) gepakt en/of (vervolgens) met een slot aan een lantaarnpaal vastgemaakt.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Oordeel van de rechtbank

3.1 Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde feiten heeft begaan, in dier voege dat:

1. primair

op 22 juli 2007 te Haarlem ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk brand te stichten in en/of aan de Selimiye moskee, gevestigd aan de Minaretstraat 1-3, hij, verdachte en een of meer van zijn mededader(s),

met dat opzet drie maal open vuur in aanraking hebben gebracht met stukken stof, terwijl die stukken stof in drie flessen gevuld met benzine (zogenaamde molotovcocktails) zaten en die stukken stof in aanraking waren gebracht met benzine, en vervolgens die molotovcocktails tegen, naar en/of in de richting van die moskee hebben gegooid, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2. primair (parketnummer 15/666318-07)

hij in de periode van 21 juni 2007 tot en met 25 juni 2007 te Haarlem met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een mountainbike, van het merk Trek, toebehorende aan [slachtoffer].

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte onder 1 primair en 2 primair meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

3.2 Bewijsverweren

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting - kort gezegd - betoogd dat het bedoelde gebouw gelegen aan de Minaretstraat 1-3 niet kan worden aangemerkt als zijnde een ‘moskee’, nu bedoeld gebouw op 22 juli 2007 nog in aanbouw was en elke vorm van elektra ontbrak. Verdachte dient om die reden voor het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde te worden vrijgesproken.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw en overweegt daartoe het volgende.

In de tenlastelegging is ‘moskee’ niet een bestanddeel van het strafbare feit, maar een onderdeel van de plaatsaanduiding waar het feit is gepleegd. ‘Een pand aan de Minaretstraat 1 tot 3 in Haarlem’ zou daartoe voldoende zijn geweest, maar wellicht was dan niet voor een ieder duidelijk welk gebouw daarmee bedoeld is. Door het woord ‘moskee’ te gebruiken kan hierover geen misverstand ontstaan, met name ook niet bij verdachte en zijn mededaders, die in hun verklaringen steeds spreken over het gaan naar de moskee in Parkwijk, waarmee zij dan allemaal weten waar ze heen gaan, namelijk naar de in aanbouw zijnde moskee in de Minaretstraat te Haarlem. Verdachte wist dus, mede gelet op zijn verklaring ter terechtzitting waar hij spreekt over ‘het pogen de moskee in brand te steken’, waartegen hij zich diende te verweren. Dat de moskee in kwestie nog geen voltooid gebedshuis is, maar een dat in aanbouw is, maakt dit oordeel niet anders en laat hoe dan ook onverlet dat de door verdachte en zijn mededaders gepleegde feitelijke handelingen gekwalificeerd kunnen worden als een poging tot brandstichting waarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was.

Daarnaast heeft de raadsvrouw betoogd dat sprake was van een (absoluut) ondeugdelijke poging tot brandstichting, nu weliswaar drie molotovcocktails naar de moskee zijn gegooid en in de omgeving daarvan zijn aangetroffen, maar dat in het geheel niet duidelijk is of de muur van de moskee door een (van de) molotovcocktail(s) is geraakt en dat niet afdoende is onderzocht of deze molotovcocktails een deugdelijk middel waren om brand in of aan de moskee te stichten.

De rechtbank verwerpt ook dit verweer van de raadsvrouw en overweegt het volgende.

De verschillende feitelijke handelingen zoals die door verdachte en zijn mededaders zijn verricht, zijn te duiden als een begin van uitvoering waardoor hun voornemen brand te stichten in of aan de moskee is geopenbaard. Twee van de gegooide molotovcocktails zijn op respectievelijk vijftig centimeter en twee meter afstand van de muur van de moskee aangetroffen, terwijl de begroeiing aldaar geschroeid was. De buitenzijde van de in aanbouw zijnde moskee is met hout bekleed en van ramen voorzien, zodat het gebouw, eenmaal in aanraking met een brandende molotovcocktail, naar mag worden aangenomen zeer wel vlam had kunnen vatten. Dit betekent dat geen sprake is van een middel dat in geen geval tot succes kan leiden of dat verdachte en zijn mededaders anderszins nooit in hun streven hadden kunnen slagen. De rechtbank is derhalve van oordeel dat geen sprake is van een (absoluut) ondeugdelijke poging, maar van een strafbare poging tot brandstichting.

Met betrekking tot het door de raadsvrouw gevoerde verweer dat verdachte van de hem onder feit 2 tenlastegelegde diefstal van een fiets, subsidiair tenlastegelegd als het wegmaken van die fiets, dient te worden vrijgesproken, omdat verdachte niet het oogmerk had zich deze fiets toe te eigenen, overweegt de rechtbank dat ook dit verweer niet opgaat. Uit de gedragingen van verdachte, met name het ongevraagd uit de schuur pakken en gebruiken van de fiets van zijn huisgenoot en het vastzetten van die fiets aan een lantaarnpaal met een eigen fietsslot, leidt de rechtbank het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening van de fiets af.

3.3 Bewijsmiddelen

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten 1 primair en 2 primair op grond van de navolgende bewijsmiddelen. Elk bewijsmiddel wordt slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop het blijkens de inhoud in het bijzonder betrekking heeft.

1. De verklaring van verdachte, ter terechtzitting d.d. 16 januari 2008 afgelegd, houdt ten aanzien van feit 1 onder meer in dat hij erbij is geweest toen op 22 juli 2007 met flessen en benzine de molotovcocktails zijn gemaakt en dat hij vervolgens samen met anderen conform de gemaakte afspraak naar de zogenoemde Parkwijk moskee in Haarlem is gegaan, alwaar ze drie molotovcocktails hebben aangestoken en naar of in de richting van die moskee hebben gegooid. Ten aanzien van feit 2 heeft verdachte onder meer verklaard dat hij de fiets van zijn huisgenoot uit de schuur heeft gepakt en met een eigen fietsslot aan een lantaarnpaal heeft vastgezet.

2. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 1] bij de politie d.d. 8 oktober 2007 (dossierpagina 150 e.v.), waarin hij onder meer heeft verklaard dat er drie cocktails zijn gemaakt en gegooid met de bedoeling dat de moskee in brand zou raken.

3. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van brandonderzoek, gesloten op 7 september 2007 (dossierpagina 37 e.v.), inhoudende onder meer dat onderzoek is ingesteld bij perceel Minaretstraat 1-3 te Haarlem, betreffende de Selimiye Moskee en dat vlak naast de achtergevel en op ongeveer twee meter van de achtergevel de begroeiing was geschroeid. Dat in totaal drie wijnflessen met daarin deels geschroeide stoffen doeken zijn aangetroffen, en dat de wijnflessen nabij de moskee en in de sloot vlak naast de achtergevel van de moskee zijn aangetroffen. Bij dit proces-verbaal zijn foto’s gevoegd van de situatie ter plaatse, waarop onder meer de houten betimmering alsmede de ramen aan de achtergevel van de moskee zichtbaar zijn.

4. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer], d.d. 25 juni 2007, inhoudende onder meer dat hij eigenaar is van een mountainbike van het merk Trek, dat hij op 21 juni 2007 verdachte op zijn fiets zag fietsen, dat hij op 25 juni 2007 zijn fiets terugvond aan een lantaarnpaal met een voor aangever vreemd slot eromheen en dat verdachte in het bezit bleek te zijn van de sleutel van voornoemd slot.

4. Strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

1. primair: medeplegen van poging tot opzettelijk brandstichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is

2. primair: diefstal

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van de sancties

6.1De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde feiten en gevorderd dat verdachte ter zake zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met aftrek van het voorarrest en een proeftijd van 2 jaren, onder de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich gedurende deze proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen, hem te geven door of namens de Brijder Verslavingsreclassering, ook als dat inhoudt dat verdachte moet deelnemen aan urinecontroles en een behandeling bij de Waag dient te ondergaan.

6.2 Hoofdstraf

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede door de persoon van verdachte zoals van een en ander is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting en uit de bespreking aldaar van het vanwege de Reclassering Nederland, Regio Alkmaar-Haarlem, Unit Haarlem uitgebrachte rapport van 14 januari 2008.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Naast het feit dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de diefstal van een fiets van een van zijn huisgenoten, heeft hij samen met anderen drie molotovcocktails tegen, in ieder geval in de richting van, een moskee in Haarlem gegooid. Deze molotovcocktails waren kort daarvoor gemaakt op een pleintje waar verdachte samen met een groep anderen bijeengekomen was. Het plan om de moskee in brand te steken was al eerder gemaakt en op dit pleintje is dat plan verder uitgewerkt. Verdachte is daarna samen met zijn mededaders en in het bezit van de molotovcocktails naar de moskee gegaan. Vervolgens hebben zij deze molotovcocktails aangestoken en in de richting van de moskee gegooid.

De rechtbank merkt hierbij op dat nu verdachte zal worden veroordeeld voor het medeplegen van poging tot brandstichting, overigens niet van belang is wie de molotovcocktails nu daadwerkelijk heeft of hebben gegooid.

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat deze gedraging een duidelijk discriminatoir karakter heeft en dat dit strafverhogend werkt. Dit discriminatoire karakter leidt de rechtbank in het bijzonder af uit de bewuste keuze van verdachte en zijn mededaders tot het stichten van brand in of aan een moskee, alsmede uit de door verdachte ten overstaan van de rechter-commissaris afgelegde verklaring, waarin hij onder meer heeft opgemerkt: “[medeverdachte 2] had mij gebeld. Ze gingen de buitenlanders pakken. We zijn met z’n allen naar de moskee gegaan.” en de verklaring van verdachte bij de politie: “Hoe ik over buitenlanders denk? Er zitten echt wel aardige tussen, maar als er een wat tegen mij, mijn vrienden of vriendin zegt, kan ik garanderen dat zijn bek over straat ligt.”

Brandstichting is een ernstig feit dat bij veel mensen gevoelens van angst en onveiligheid teweegbrengt. De omstandigheid dat het hier een moskee betreft maakt deze brandstichting, mede gezien de achterliggende motieven van verdachte en zijn mededaders nog ernstiger en onacceptabel in de Nederlandse samenleving.

Bij de ernst van een dergelijk feit past een gevangenisstraf van aanmerkelijke duur.

De rechtbank houdt echter rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Uit de rapportage die omtrent de persoon van verdachte is opgemaakt komt naar voren dat de kans op recidive gemiddeld is. Belangrijke criminogene factoren zijn onder meer het harddruggebruik van verdachte, de mate van beïnvloedbaarheid door kennissen en het gebrek aan een stabiele huisvesting- en werksituatie. Teneinde de kans op recidive te verminderen is, naast deelname aan de Equip-training bij De Waag in Haarlem, begeleiding door de Brijder Verslavingsreclassering geïndiceerd.

Anders dan de raadsvrouw van verdachte heeft betoogd, vindt de rechtbank in de persoonlijkheid van verdachte of de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan geen grond om het sanctierecht voor jeugdigen toe te passen. Wel houdt de rechtbank bij de bepaling van de straf, meer dan de officier van justitie bij de door haar geëiste straf, rekening met de nog jeugdige leeftijd van verdachte. Bovendien ziet de rechtbank onder meer in het feit dat aan verdachte niet eerder een vrijheidsbenemende straf is opgelegd, aanleiding de aan verdachte op te leggen straf voor een deel in de vorm van een werkstraf op te leggen.

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van na te noemen duur passend en geboden is. Een gedeelte daarvan behoeft vooralsnog niet ten uitvoer te worden gelegd om verdachte er van te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te begaan. Daarnaast acht de rechtbank verplichte begeleiding door de Brijder Verslavingszorg noodzakelijk, om recidive bij verdachte in de toekomst te voorkomen, ook als zulks inhoudt dat verdachte dient mee te werken aan urinecontroles en behandeling bij De Waag. Beide verplichtingen zullen als bijzondere voorwaarde aan het voorwaardelijke deel van de op te leggen straf worden verbonden. Tot slot acht de rechtbank een taakstraf in de vorm van een werkstraf van na te noemen duur geboden.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 45, 47, 57, 157, 310 van het Wetboek van Strafrecht.

8. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.1 vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 primair en 2 primair meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezenverklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens bovengenoemde bewezen verklaarde feiten tot een gevangenisstraf voor de duur van TIEN (10) MAANDEN.

Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot VIJF (5) MAANDEN, niet ten uitvoer zal worden gelegd. De rechtbank stelt daarbij een proeftijd vast van TWEE (2) JAAR.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging van dit voorwaardelijke gedeelte kan worden gelast indien verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit, dan wel niet naleeft de bijzondere voorwaarde, dat:

- hij zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen hem te geven door of namens de Brijder Verslavingsreclassering, zolang die instelling dit nodig acht, ook als dit inhoudt deelname aan urinecontroles en een behandeling bij De Waag.

Bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Legt verdachte een taakstraf op bestaande uit een werkstraf voor de duur van 120 UREN en beveelt dat voor het geval de verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 DAGEN.

Beveelt de opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van die voorlopige hechtenis gelijk wordt aan de duur van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf.

9. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door mr. E.C.M. van Mierlo, voorzitter,

H.M. van Dam en mr. Chr.Th.P.M. Zandhuis, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.A.M. Brok,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 30 januari 2008.