Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BC3143

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
29-01-2008
Datum publicatie
30-01-2008
Zaaknummer
138644-07-2974
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

gezamenlijk gezag voorhuwelijkse kinderen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2008, 61
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Familie- en Jeugdrecht

gezagswijziging

zaak-/rekestnr.: 138644/07-2974

beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken d.d. 29 januari 2008

in de zaak van:

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

hierna mede te noemen: de man,

procureur: mr. M.A. Kanning,

--tegen--

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

hierna mede te noemen: de vrouw.

1 Verloop van de procedure

Voor het verloop van de procedure verwijst de rechtbank naar:

- het op 5 september 2007 ter griffie van deze rechtbank ingekomen verzoekschrift met bijlagen van de man;

- het verhandelde ter terechtzitting op 26 november 2007 in aanwezigheid van de man, bijgestaan door zijn raadsvrouwe, de vrouw en mevrouw [naam] (werkzaam als gezinsvoogdes bij Bureau Jeugdzorg Noord-Holland).

2 De vaststaande feiten

Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het volgende gebleken:

2.1 Partijen hebben enige tijd een relatie gehad. Uit deze relatie is op [geboortedatum] te [geboorteplaats] de minderjarige [kind 1] en op [geboortedatum] de minderjarige [kind 2] geboren. De vader heeft [kind 1] erkend.

3 Het verzoek en de grondslag daarvan

3.1 Het verzoek van de man strekt tot wijziging van het gezag over de minderjarige [kind 1], in die zin dat hij gezamenlijk met de vrouw met het gezag wordt belast.

3.2 De man heeft zijn verzoek gebaseerd op de stelling dat er geen bezwaren bestaan om het gezag over [kind 1] te verkrijgen nu hij reeds samen met de vrouw het gezag heeft over de minderjarige [kind 2].

4 Het verweer

De vrouw heeft het verzoek gemotiveerd bestreden.

5 Beoordeling van het verzoek

5.1 Ter zitting is gebleken dat partijen op [datum huwelijk] met elkaar zijn gehuwd, welk huwelijk is ontbonden door de inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van de echtscheidingsbeschikking van deze rechtbank van [datum]. [kind 2] is tijdens het huwelijk van partijen geboren en partijen zijn na de ontbinding van het huwelijk gezamenlijk met het gezag over hem belast gebleven. [kind 1] is vóór het huwelijk van partijen geboren, waardoor partijen ervan uit zijn gegaan dat alleen de vrouw met het gezag over haar is belast.

5.2 Gelet op het navolgende is de rechtbank echter van oordeel dat beide ouders reeds thans gezamenlijk met het gezag over [kind 1] zijn belast.

Tot 1 april 1998 verkreeg de man die voor het huwelijk met de vrouw een kind had erkend door wettiging van rechtswege het gezamenlijk gezag over dat kind, ondanks het feit dat het kind niet tijdens het huwelijk was geboren. Vanwege het vervallen van de wettiging per 1 april 1998 kan de vraag rijzen of er ten aanzien van [kind 1] door het huwelijk van partijen gezamenlijk gezag van de man en de vrouw is ontstaan. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend. Bij de wet van 6 april 1995, Stb. 240, inzake de nadere regeling van het gezag en van de omgang met minderjarige kinderen, in werking getreden op 2 november 1995, is artikel 1:251 BW in de wet opgenomen, waarin uitdrukkelijk is bepaald dat de ouders het gezag gedurende het huwelijk gezamenlijk uitoefenen. Hierbij wordt gedoeld op kinderen van hen beiden. Er is geen wettelijke bepaling die meebrengt dat deze regel niet geldt in gevallen waarin het huwelijk is gesloten na de geboorte van het kind. Ook uit de parlementaire geschiedenis van voormelde wet (zie o.a. Kamerstukken II 1992/93. 23 012, nr. 3 pagina 23 ) kan worden afgeleid dat de gezamenlijke gezagsuitoefening tijdens huwelijk eveneens geldt voor voorkinderen. Op grond van het bepaalde in het tweede lid van

artikel 1: 251 BW is ten aanzien van [kind 1] het gezamenlijk gezag na de ontbinding van het huwelijk van partijen in stand gebleven.

5.3 Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de man geen belang heeft bij zijn verzoek en zal zij de man niet-ontvankelijk verklaren in zijn verzoek.

6 Beslissing

De rechtbank:

6.1 Verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn verzoek.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.G. Kok, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken ter terechtzitting van 29 januari 2008, in tegenwoordigheid van mr. J.E. Lurvink-Betlem als griffier.