Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BC2990

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
23-01-2008
Datum publicatie
29-01-2008
Zaaknummer
361558/CV EXPL 07-9475
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Consumentenkoop met betrekking tot badkamermeubel voor de prijs van €5.634,00. Bij de aflevering zijn fouten gemaakt. Om het geschil op te lossen hebben partijen een vaststellingsovereenkomst gesloten, waarbij de leverancier nog eenmaal de gelegenheid kreeg het meubel goed op te leveren. Het betrof nog slechts één gebrekkig deurtje. De vaststellingsovereenkomst hield in dat als het badkamermeubel op bepaalde datum niet zou zijn afgeleverd en goedgekeurd de koper in het geheel niets verschuldigd zou zijn. Gelet op alle omstandigheden, vooral het feit dat het nog slechts gaat om de levering van één deurtje van het gehele badkamermeubel en ongedaanmaking (te weten: sloop van het badkamermeubel) van de geleverde prestatie geen juridisch relevante optie is, is de kantonrechter evenwel van oordeel dat de tussen partijen als gevolg van de overeenkomst geldende regel in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Immers, koper heeft de beschikking over een, nu het tegendeel is gesteld noch gebleken, goed functionerend badkamermeubel waaraan slechts één deugdelijk deurtje ontbreekt. Het gevolg van de afspraak tussen partijen zou zijn dat koper dat badkamermeubel geheel voor niets in zijn bezit zou krijgen, terwijl de leverancier de inkomsten uit zijn geleverde prestatie volledig moet missen.

De kantonrechter is op grond van het vorenstaande van oordeel dat op grond van het bepaalde bij artikel 6:248 lid 2 BW de bedoelde als gevolg van de overeenkomst geldende regel thans niet van toepassing is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector kanton

Locatie Haarlem

zaak/rolnr.: 361558/CV EXPL 07-9475

datum uitspraak: 23 januari 2008

VONNIS VAN DE KANTONRECHTER

inzake

[eiser]

te [woonplaats]

eisende partij in conventie

verwerende partij in voorwaardelijke reconventie

hierna te noemen [eiser]

gemachtigde mr. J.C.A. Froon

tegen

[gedaagde]

te [woonplaats]

gedaagde partij in conventie

eisende partij in voorwaardelijke reconventie

hierna te noemen [gedaagde]

gemachtigde C.H. Boeder

In conventie en in reconventie

De procedure

Voor de loop van het geding verwijst de kantonrechter naar de volgende stuk¬ken, waarvan de inhoud als hier ingevoegd is te beschouwen:

- de dagvaarding van 5 oktober 2007, met producties,

- de conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in voorwaardelijke reconventie, met producties,

- het door de kantonrechter tussen partijen gewe¬zen en op 14 november 2007 uitgesproken tussenvonnis,

- de aantekeningen van de griffier van de ingevolge dat vonnis op 20 december 2007 gehouden comparitie van partijen en de bij die gelegenheid door de gemachtigde van [eiser] overgelegde aantekeningen ter comparitie.

De feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende betwist en/of op grond van de onweerspro¬ken inhoud van de overgelegde producties, staat tussen partij¬en het volgende vast:

a. Partijen hebben een overeenkomst gesloten met betrekking tot een door [eiser] te leveren en te plaatsen badkamermeubel in de woning van [gedaagde].

b. Op de dag van oplevering van het badkamermeubel, te weten: 14 juli 2006, bleek dat de verkeerde deurtjes waren geleverd.

c. De door [eiser] opnieuw bestelde deurtjes konden pas op 15 december 2006 geleverd en geplaatst worden. Op 15 december 2006 bleek echter dat één deurtje te weinig was besteld.

d. Bij brief van 18 december 2006 heeft [gedaagde] aan [eiser] medegedeeld over te gaan tot ontbinding van de overeenkomst.

e. Partijen hebben naar aanleiding van die brief van [gedaagde] nader overleg gevoerd.

f. Bij brief van 28 december 2006 heeft [gedaagde] aan [eiser] onder meer het volgende geschreven:

“Middels deze de bevestiging van de gemaakte afspraken tijdens onze bespreking d.d. 19 december 2006.

Ter oplossing van de gerezen problemen hebben we het volgende afgesproken:

(…)

U. bestelt, levert en monteert de ontbrekende deurtjes van het meubel. Het deurtje met het kleurverschil wordt ook vervangen. De afstelling van alle deurtjes wordt bekeken en eventueel opnieuw gedaan.

We zijn overeengekomen dat deze herstelwerkzaamheden uiterlijk 28 februari 2007 geheel opgeleverd en geheel goedgekeurd dienen te worden, bij gebreke waarvan de nog niet geschreven factuur voor het badkamermeubel komt te vervallen.

Ik ga er van uit hiermee onze afspraken correct te hebben weergegeven. Mocht dat niet zo zijn dan verneem ik dat graag per omgaande.”

g. Per e-mail bericht van 4 januari 2007 heeft [eiser] aan [gedaagde] bevestigd dat in de brief van 28 december 2006 exact staat wat partijen hebben afgesproken.

h. Nadat [eiser] de goede deurtjes had ontvangen, heeft hij één van de deurtjes laten vallen en heeft hij ervoor gekozen een eerder afgekeurd deurtje te repareren door de boorgaten te dichten en dit deurtje aan het badkamermeubel te monteren.

i. Nadat [gedaagde] deze reparatie en montage had ontdekt heeft bij e-mail van 27 februari 2007 het volgende aan [eiser] geschreven:

“Na afloop van de herstelwerkzaamheden (…) hebben wij het meubel dit weekeinde schoongemaakt. Daarbij zij we er achter gekomen dat het vierde deurtje van links (…) niet is vernieuwd. Er is overduidelijk een (…) poging gedaan om de verkeerd geboorde gaatjes te dichten en te maskeren. Die poging is niet gelukt.

(...)

Je begrijpt dat we dit niet kunnen accepteren, sterker nog, het is voor ons reden om (…) alle vertrouwen in je op te zeggen. (…)

In het kader van onze nadere afspraken van december 2006 heb je nog steeds de gelegenheid om alsnog het betreffende deurtje te vervangen door een nieuw deurtje. Dat nieuwe deurtje dient dan uiterlijk morgen, woensdag 28 februari 2007, geleverd en afgemonteerd te worden.

(…)”

j. Voor de levering en plaatsing heeft [eiser] aan [gedaagde] factuur, gedateerd 27 februari 2007, gestuurd voor een bedrag van €5.634,00.

k. [gedaagde] heeft die factuur tot op heden onbetaald gelaten.

l. Het thans nog ontbrekende deurtje van het badkamermeubel is reeds in het bezit van [eiser] en kan door deze alsnog geleverd en gemonteerd worden.

In conventie

De vordering

[eiser] vordert dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] zal veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] €5.000,00 te betalen, vermeerderd met de proceskosten.

[eiser] heeft het volgende aan zijn vordering ten grond¬slag gelegd:

De tekortkoming aan de zijde van [eiser] was niet van dien aard dat ontbinding van de gehele overeenkomst gerechtvaardigd zou zijn. Het badkamermeubel kon en kan nog steeds deugdelijk worden opgeleverd. Het thans nog gebrekkige deurtje kan nog steeds vervangen worden, aangezien [eiser] over een goed exemplaar beschikt.

Op grond van de afspraak die partijen op 19 december 2006 hebben gemaakt, diende [eiser] uiterlijk op 28 februari 2007 de overeengekomen herstelwerkzaamheden geheel goedgekeurd te hebben opgeleverd. [eiser] heeft die herstelwerkzaamheden uitgevoerd en opgeleverd voor 28 februari 2007.

[gedaagde] heeft het aanbod van [eiser] om het betreffende deurtje zo spoedig mogelijk alsnog te leveren afgeslagen.

Het feit dat [eiser] een deurtje heeft laten vallen en toen een verkeerd besteld deurtje heeft gerepareerd en gemonteerd is niet een zodanig tekortkoming dat daarvoor een schadevergoeding van €5.634,00 in rekening gebracht kan worden. Het laten vallen van het deurtje is een ongeluk geweest en kan geschaard worden onder overmacht. Het ligt in de risicosfeer van [eiser], maar zoiets kan gebeuren. Het lag niet in de macht van [eiser] om binnen één dag na de sommatie van [gedaagde] voor een nieuw deurtje te zorgen en [gedaagde] was hiervan op de hoogte.

[gedaagde] is al geruime tijd in het bezit van het badkamermeubel. Het feit dat vanaf 27 februari 2007 één van de deurtjes is hersteld in plaats van vervangen, doet het gebruiksgenot van het meubel niet teniet.

Mocht geoordeeld worden dat [gedaagde] de factuur voor het badkamermeubel niet behoeft te betalen, dan beroept [eiser] zich op de ongerechtvaardigde verrijking van [gedaagde] voor de periode dat het badkamermeubel in het bezit van [gedaagde] is geweest en [gedaagde] hiervan gebruik maakt.

Omdat [eiser] er veel aan gelegen is om tevreden klanten te hebben en [eiser] begrip heeft voor het feit dat [gedaagde] niet tevreden was met de late oplevering van het badkamermeubel, waaraan een klein gebrek kleefde, wil [eiser] [gedaagde] tegemoetkomen en aan hem een gedeelte van de vordering kwijtschelden. Daarom stelt en maximeert [eiser] zijn gehele vordering op een totaalbedrag van €5.000,00.

Het verweer

[gedaagde] heeft de vordering gemotiveerd weersproken. Op het verweer zal, voor zover relevant, bij de beoordeling van het geschil nader worden ingegaan.

In voorwaardelijke reconventie:

De vordering

Voor zover in conventie niet mocht komen vast te staan dat de rechtsverhouding tussen partijen is vastgesteld met de overeenkomst vervat in het schrijven van 28 december 2006 en voorts dat het schrijven van 18 december 2006 niet is te beschouwen als een buitengerechtelijke ontbinding, dan wel dat [gedaagde] destijds niet gerechtigd was tot ontbinding van de overeenkomst, vordert [gedaagde] dat de kantonrechter primair voor recht zal verklaren dat de koopovereenkomst is ontbonden, subsidiair de overeenkomst zal ontbinden, alles met veroordeling van [eiser] in de kosten rechtens.

Het verweer

[eiser] heeft de vordering gemotiveerd weersproken. Op het verweer zal, voor zover relevant, bij de beoordeling van het geschil nader worden ingegaan.

De beoordeling van het geschil

In conventie

[gedaagde] beroept zich er allereerst op dat tussen partijen op 19 december 2006 een vaststellingsovereenkomst is gesloten, op grond waarvan [gedaagde], nu [eiser] niet uiterlijk op 28 februari 2007 het laatste deurtje heeft geleverd en gemonteerd, niets meer verschuldigd is aan [eiser].

Met [gedaagde] is de kantonrechter van oordeel dat de afspraken die tussen partijen op 19 december 2006 zijn gemaakt, beschouwd moeten worden als een vaststellingsovereenkomst. [eiser] heeft immers bevestigd dat de afspraken door [gedaagde] in diens brief van 19 december 2006 correct waren vermeld. In beginsel is [eiser] daaraan gebonden.

Tussen partijen staat vast dat het laatste ontbrekende deurtje niet uiterlijk op 28 februari 2007 door [eiser] is geleverd en gemonteerd, zodat [gedaagde] volgens de afspraken van 19 december 2006 in beginsel niets meer verschuldigd zou zijn aan [eiser].

Gelet op alle omstandigheden, vooral het feit dat het nog slechts gaat om de levering van één deurtje van het gehele badkamermeubel en ongedaanmaking (te weten: sloop van het badkamermeubel) van de geleverde prestatie van [eiser] geen juridisch relevante optie is, is de kantonrechter evenwel van oordeel dat de tussen partijen als gevolg van de overeenkomst geldende regel in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Immers, [gedaagde] heeft de beschikking over een, nu het tegendeel is gesteld noch gebleken, goed functionerend badkamermeubel waaraan slechts één deugdelijk deurtje ontbreekt. Het gevolg van de afspraak tussen partijen zou zijn dat [gedaagde] dat badkamermeubel geheel voor niets in zijn bezit zou krijgen, terwijl [eiser] de inkomsten uit zijn geleverde prestatie volledig moet missen.

De kantonrechter is op grond van het vorenstaande van oordeel dat op grond van het bepaalde bij artikel 6:248 lid 2 BW de bedoelde als gevolg van de overeenkomst geldende regel thans niet van toepassing is.

Dat leidt ertoe dat [gedaagde], ondanks het feit dat niet uiterlijk op 28 februari 2007 het laatste deurtje is geleverd en geplaatst, aan [eiser] nog enig bedrag dient te betalen voor het badkamermeubel.

Gelet op de fouten die door [eiser] zijn gemaakt, te weten: het laten vallen van het deurtje en het repareren van een eerder afgekeurd deurtje zonder [gedaagde] daarvan op de hoogte te stellen, is de kantonrechter van oordeel dat naar de maatstaven van redelijkheid en billijkheid [gedaagde] ter zake van het badkamermeubel €4.500,00 aan [eiser] dient te betalen. Indien [gedaagde] dat wenst dan kan [eiser] daar tegenover alsnog het beschikbare goede deurtje leveren en desgewenst monteren.

[gedaagde] geldt als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, zodat hij de proceskosten dient te dragen.

In voorwaardelijke reconventie

Nu de kantonrechter in conventie van oordeel is dat de afspraken van 19 december 2006, zoals verwoord in het schrijven van 28 december 2006 van [gedaagde], als vaststellingsovereenkomst moeten worden gezien en dat de rechtsverhouding tussen partijen met die overeenkomst is vastgesteld, is de voorwaarde waaronder de reconventionele vordering is ingesteld niet vervuld, zodat de kantonrechter met die vaststelling volstaat.

Beslissing

De kantonrechter:

In conventie:

Veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwij¬ting aan [eiser] te betalen €4.500,00.

Veroordeelt [gedaagde] in de kosten van deze procedure, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op €269,85 aan verschotten en €400,00 aan salaris voor de gemachtigde.

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voor¬raad.

Wijst af het meer of anders gevorderde.

In voorwaardelijke reconventie:

Verstaat dat deze vordering niet is ingesteld.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.J.P. Veenhof en uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum.