Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BC2895

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
14-01-2008
Datum publicatie
29-01-2008
Zaaknummer
07/1426 tot en met 07/1439 en 07/1441 tot en met 07/1445
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Rekeningenproject. Verlengde navorderingstermijn van 12 jaar niet in strijd met EG-verdrag. Gegevens van rekeningen te laat verstrekt dus geen vrijwillige verbetering. Geen sprake van zelfincriminatie en beroep op bewijsuitsluiting faalt. Boete terecht maar gematigd wegens overschrijding redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2008-0217 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 07/1426 tot en met 07/1439 en 07/1441 tot en met 07/1445

Uitspraakdatum: 14 januari 2008

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

X, wonende te Y, eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst te P, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiser de volgende navorderingsaanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) en vermogensbelasting (hierna: VB) opgelegd:

met dagtekening 30 december 2004: IB/PVV 1992 en VB 1993;

met dagtekening 31 december 2005: IB/PVV 1993 en VB 1994;

met dagtekening 4 mei 2006: IB/PVV 1994, 1995, 1996 en 1997 en VB 1995, 1996, 1997, 1998, 1999 en 2000;

met dagtekening 11 mei 2006: IB/PVV 1998 en 1999;

met dagtekening 10 mei 2006: IB/PVV 2000 en

met dagtekening 9 mei 2006: IB/PVV 2001 en 2002.

De navorderingsaanslagen IB/PVV 1992 tot en met 1997 en de navorderingsaanslagen VB 1993 tot en met 1998 zijn opgelegd met een verhoging van 100 % waarvan verweerder 50 % heeft kwijtgescholden.

Met gelijke dagtekening als de navorderingsaanslagen IB/PVV 1998 tot en met 2002 en de navorderingsaanslagen VB 1999 en 2000 zijn bij afzonderlijke beschikkingen met betrekking tot al deze navorderingsaanslagen vergrijpboetes opgelegd van 50 %.

Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 9 januari 2007 eisers bezwaren tegen voornoemde aanslagen, verhogingen en boetes afgewezen.

Eiser heeft daartegen bij brieven van 19 februari 2007, ontvangen bij de rechtbank op 20 februari 2007, beroep ingesteld.

Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 oktober 2007 te Haarlem. Namens eiser is daar verschenen A, gemachtigde, en namens verweerder B.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1. Verweerder heeft een brief met dagtekening 6 april 2004 aan eiser verzonden met onder meer de volgende inhoud:

“De Belastingdienst is een onderzoek gestart naar Nederlandse ingezetenen die gerechtigd zijn (geweest) tot buitenlandse vermogensbestanddelen, waarbij het vermoeden bestaat dat in aangiften inkomstenbelasting en/of vermogensbelasting en/of vennootschapsbelasting geen opgaaf is gedaan van deze vermogensbestanddelen en de eventuele opbrengsten daaruit.

Uit dit onderzoek is gebleken dat u gerechtigd bent (geweest) tot vermogensbestanddelen in het buitenland. De gegevens hiervan kunnen van belang zijn voor uw belastingheffing over de afgelopen twaalf jaren. Ik verzoek u daarom mij de gegevens en inlichtingen over die jaren te verstrekken welke worden gevraagd op de ingesloten “Opgaaf Buitenlands vermogen”.

(………….)”.

2.2. Eiser heeft de “Opgaaf Buitenlands vermogen” op 9 juni 2004 ingevuld aan verweerder geretourneerd. Hij heeft hierin onder meer aangegeven dat hij gerechtigd was tot twee rekeningen bij Duitse banken, de C Bank en de D Bank. Bij brief van 14 november 2004 heeft eiser op verzoek van verweerder nadere informatie omtrent deze rekeningen verstrekt.

2.3. Bij brieven van 23 december 2004 en 7 december 2005 heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat hij voornemens is navorderingsaanslagen IB/PVV 1992 en VB 1993, respectievelijk IB/PVV 1993 en VB 1994 met boete op te leggen.

Ten aanzien van de boetes is in beide brieven het volgende vermeld:

“Op grond van artikel 18 lid 1 AWR ben ik voornemens over de correcties niet-ordeboeten van 100% op te leggen. Hiervan zal ik 50% kwijtschelden. Deze kwijtschelding is gebaseerd op artikel 18 lid 2 AWR en hoofdstuk IV van het Voorschrift Administratieve Boeten 1993.

Uit het onderzoek door de Belastingdienst zijn de volgende feiten en omstandigheden gebleken op grond waarvan ik voornemens ben deze boete op te leggen:

U heeft bewust nagelaten de genoemde inkomensbestanddelen en vermogensbestanddelen op te geven met het oogmerk belasting te ontduiken, dan wel zich willens en wetens blootgesteld aan de geenszins te verwaarlozen kans dat, door het ten onrechte niet aangeven ervan te weinig belasting zou worden geheven. Dit ondanks dat in de aangifte uitdrukkelijk wordt gevraagd naar deze inkomensbestanddelen en vermogensbestanddelen. Op grond hiervan ben ik van mening dat sprake is van (voorwaardelijk) opzet.

2.4. Bij brief van 24 maart 2006 heeft verweerder meegedeeld voornemens te zijn navorderingsaanslagen IB/PVV en VB 1994 tot en met 2002 met een niet-ordeboete/vergrijpboete op te leggen.

Bij brief van 24 april 2006 heeft verweerder meegedeeld dat de navorderingsaanslagen IB/PVV 1994 tot en met 1997 en VB 1995 tot en met 1998 zullen worden opgelegd.

In deze brief is met betrekking tot de boetes het volgende vermeld:

“Navorderingsaanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1994 tot en met 1997 en Vermogensbelasting 1995 tot en met 1998.

Op grond van artikel 18, lid 1 van de AWR ben ik voornemens over de correcties een niet-ordeboete van 100% op te leggen Hiervan zal ik 50% kwijtschelden. Deze kwijtschelding is gebaseerd op artikel 18, lid 2 van de AWR en paragraaf 15 van de Leidraad Administratieve Boeten 1984 en hoofdstuk IV van het Voorschrift administratieve boeten 1993.

Navorderingaanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen vanaf 1998 en Vermogensbelasting vanaf 1999

(……) Het betreft een vergrijpboete ingevolge artikel 67e AWR en hoofdstuk IV van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998. Deze boete bedraagt 50% van het bedrag van de navorderingsaanslag.

Uit het onderzoek door de Belastingdienst zijn de volgende feiten en omstandigheden gebleken op grond waarvan ik voornemens ben deze boete op te leggen:

Uit het onderzoek door de Belastingdienst is gebleken dat u in aangiftebiljetten geen melding heeft gemaakt van door u aangehouden buitenlands vermogen en de opbrengsten daarvan, terwijl u wel de beschikking had over dergelijk vermogen en opbrengsten. De hierop betrekking hebbende vragen op het aangiftebiljet heeft u niet, dan wel onjuist beantwoord.

Het is algemeen bekend dat het verplicht is van dergelijk inkomen en vermogen melding te maken in fiscale aangiften voor de inkomstenbelasting en de vermogensbelasting.

Ik ben van mening dat u heeft nagelaten genoemde inkomsten op te geven met het oogmerk belasting te ontduiken, dan wel dat u zich willens en wetens blootgesteld heeft aan de geenszins te verwaarlozen kans dat, door het ten onrechte niet aangeven van genoemde inkomstenbestanddelen en\of vermogensbestanddelen, te weinig belasting zou worden geheven. Op grond hiervan ben ik van mening dat sprake is van (voorwaardelijke) opzet.

Omdat u gebruik gemaakt heeft van buitenlandse rekeningen om dit vermogen en de opbrengsten daar uit buiten het zicht te houden van de Nederlandse belastingdienst ben ik van mening dat sprake is van een strafverzwarende omstandigheid welke een boete van 100% zou rechtvaardigen. Aangezien u bij het onderzoek volledige medewerking heeft verleend zal ik de boete echter (voor zover nodig na kwijtschelding) vaststellen op 50%.”

2.5. De berekening van de navorderingsaanslagen, uitgezonderd de hierin begrepen verhogingen, is niet in geschil.

3. Geschil en standpunten van partijen

3.1. In geschil zijn de antwoorden op de volgende vragen:

- is de in artikel 16, vierde lid van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) vermelde verlengde navorderingstermijn van twaalf jaar in strijd met het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (hierna: het EG-verdrag);

- zijn de verhogingen en boetes terecht opgelegd.

3.2. Eiser is van oordeel dat de in artikel 16, vierde lid AWR vermelde navorderingstermijn van twaalf jaar in strijd is met de in het EG-verdrag neergelegde vrijheid van kapitaals- en betalingsverkeer .

Ten aanzien van de verhogingen en boetes heeft hij primair gesteld dat het verstrekken van de gegevens van de buitenlandse bankrekening waarmee verweerder ten tijde van het verstrekken van deze gegevens nog niet bekend was moet worden gelijkgesteld met het vrijwillig verbeteren van de aangifte, zodat de boete niet hoger dan 10% kan zijn.

Subsidiair is eiser van mening dat de opgelegde boete niet in stand kan blijven vanwege het feit dat verweerder in zijn brief van 24 maart 2006 ten onrechte verwijst naar de Leidraad administratieve boeten 1984 (LAB 1984).

Voorts kan de informatie die eiser op grond van artikel 47 AWR heeft verstrekt niet worden gebruikt voor het opleggen van boetes.

Ten slotte kunnen de boetes en verhogingen volgens eiser niet in stand blijven vanwege een wanverhouding tussen de ernst van het feit en de hoogte van de boete.

3.3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de twaalfjaarstermijn niet in strijd is met het EG-verdrag.

Ten aanzien van de opgelegde boetes en verhogingen heeft verweerder gesteld dat eiser de gegevens van de buitenlandse bankrekeningen eerst heeft verstrekt nadat hij er bij brief van 6 april 2004 van op de hoogte is gesteld dat de Belastingdienst op het spoor was van niet aangegeven vermogen en inkomsten. In deze brief wordt niet vermeld over welke gegevens de Belastingdienst beschikte. Van een vrijwillige verbetering van de ingediende aangiften is geen sprake.

Verweerder heeft gesteld dat de verwijzing naar de LAB 1984 in de brief van 24 maart 2006 onjuist is, maar dat in deze brief ook het van toepassing zijnde Voorschrift Administratieve boeten 1993 wordt vermeld, dat de formulering van deze brief nauwkeuriger had gekund, maar dat dit geen vermindering van de boete rechtvaardigt.

Voorts is naar het oordeel van verweerder geen sprake van een wanverhouding tussen de ernst van het feit en de hoogte van de boete.

3.4. Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, primair tot vernietiging van de navorderingsaanslagen en subsidiair tot verdere vermindering van de verhogingen en vermindering van de boetebeschikkingen.

3.5. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Het gerechtshof te Amsterdam heeft in zijn uitspraak van 18 januari 2006 (nummer 03/04509; LJN: AU9845) ter zake van gestelde strijd van de verlengde navorderingstermijn met het EG-verdrag het volgende overwogen en beslist:

“5.13. (..) Belanghebbende heeft – terecht – niet betwist dat het hier gaat om

bestanddelen van het voorwerp van enige belasting die in het buitenland worden gehouden of zijn opgekomen, als bedoeld in artikel 16, lid 4, AWR. Naar uit de wetsgeschiedenis van die bepaling volgt (memorie van toelichting, kamerstukken II 1989/90, nr. 21 423, nr. 3, blz. 2-3) is de rechtvaardigingsgrond voor een verruimde navorderingstermijn voor buitenlandse bestanddelen van vermogen of inkomen dat de controlemiddelen van de Nederlandse fiscus te beperkt zijn en een navorderingstermijn van vijf jaren niet doeltreffend is omdat de fiscus in de praktijk pas veel later op de hoogte komt van verzwegen vermogen of inkomen in het buitenland. Voor een termijn van twaalf jaren is gekozen omdat deze aansluit bij de termijn gedurende welke het misdrijf van belastingontduiking (artikel 68, lid 2, AWR) strafrechtelijk vervolgd kan worden.

Zo al aangenomen wordt dat de verlenging van de navorderingstermijn meebrengt dat sprake is van een in beginsel verboden belemmering van de vrijheid van kapitaalverkeer en/of van de vrijheid van vestiging binnen de EG, dan wordt deze – naar redelijkerwijze niet voor twijfel vatbaar is – in een geval als het onderhavige voldoende gerechtvaardigd doordat die verlenging gericht is op de bestrijding van belastingontduiking waar doeltreffende fiscale controles ontbreken. Een en ander geldt temeer in een situatie als de onderhavige waarin gepoogd is vermogen en inkomen aan het zicht van de Nederlandse fiscus te onttrekken door gebruik te maken van het bankgeheim in een EG-lidstaat.

Een verlenging tot twaalf jaar, aansluitend bij de in het fiscale strafrecht geldende vervolgingstermijn, is in dat licht niet disproportioneel te achten.”

4.2. De rechtbank neemt deze overweging en conclusie over en maakt deze tot de hare.

4.3.1. De rechtbank verwerpt de stelling van eiser dat door het verstrekken van informatie over de bankrekening, waarvan hij veronderstelt dat die bij verweerder ten tijde van die verstrekking niet bekend was, sprake is van een vrijwillige verbetering. Ingevolge het met ingang van 1 januari 1998 geldende artikel 67n van de AWR wordt een vergrijpboete niet opgelegd aan de belastingplichtige die alsnog een volledige aangifte doet, dan wel juiste en volledige inlichtingen, gegevens of aanwijzingen verstrekt vóórdat hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de inspecteur met de onjuistheid of onvolledigheid bekend is of bekend zal worden. De vóór 1998 door verweerder gehanteerde beleidsbepalingen, te weten paragraaf 22, tweede lid van het Voorschrift Administratieve Boeten 1993 (VAB 1993) en paragraaf 11, tweede lid van de LAB 1984 bevatten soortgelijke regelingen bij vrijwillige verbetering. In het onderhavige geval heeft eiser de gegevens van de door hem aangehouden buitenlandse bankrekeningen eerst verstrekt na ontvangst van de brief van 6 april 2004. Op dat moment moest hij redelijkerwijs vermoeden dat de inspecteur met de onjuistheid van de aangifte bekend was. Los van de vraag of verweerder over de gegevens van één of beide door eiser aangehouden bankrekeningen beschikte kan van vrijwillige verbetering van de gedane aangifte dan geen sprake zijn, ook niet van een gedeeltelijke vrijwillige verbetering. Geen rechtsregel verplicht verweerder de hem ten tijde van het vragen van informatie ter beschikking staande gegevens aan eiser te verstrekken.

4.3.2. Eiser heeft in dit kader terecht opgemerkt dat verweerder, door het niet overleggen van de stukken uit het buitenland waarover verweerder destijds beschikte, niet heeft voldaan aan zijn verplichting ex artikel 8:42 van de Awb om de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank te zenden. Artikel 8:31 van de Awb bepaalt dat in een dergelijk geval de rechtbank daaruit de gevolgtrekkingen kan maken die haar geraden voorkomen. De rechtbank acht de nalatigheid van verweerder in de omstandigheden van dit geval echter niet zodanig ernstig dat zij daaraan consequenties verbindt. Het is de rechtbank niet onmogelijk om zonder deze stukken op het onderhavige geding te beschikken, terwijl voorts eiser door deze gang van zaken niet in zijn belangen is geschaad. Eiser betwist immers niet dat hij rekeningen in het buitenland heeft aangehouden, en voor de onderbouwing dan wel de beoordeling van eisers stellingen ten aanzien van de vrijwillige inkeer is de vraag over welke gegevens verweerder precies heeft beschikt, als hiervoor is overwogen, niet relevant.

4.4. Eiser stelt dat verweerder in zijn brief van 24 maart 2006 ten onrechte verwijst naar de LAB 1984. De rechtbank houdt het ervoor dat eiser de brief van 24 april 2006 bedoelt, nu in deze brief, in tegenstelling tot de brief van 24 maart 2006, de verwijzing wordt aangetroffen.

Toegegeven kan worden dat verweerder in deze brief voor de boetes die betrekking hebben op de navorderingsaanslagen IB/PVV 1994 tot en met 1997 en VB 1995 tot en met 1998 ten onrechte verwijst naar de LAB 1984. Nu tevens de wel van toepassing zijnde VAB 1993 wordt vermeld en voorts niet aannemelijk is dat eiser door de onjuiste vermelding zodanig in verwarring is gebracht dat hij de aankondiging niet begreep is deze onjuiste vermelding geen reden om de boete te verminderen.

4.5. De rechtbank verwerpt de stelling van eiser dat verweerder hem niet onverwijld en in bijzonderheden op de hoogte heeft gesteld van het voornemen boetes op te leggen.

Uit de in 2.3 en 2.4. genoemde brieven blijkt dat verweerder gemotiveerd en onder verwijzing naar de van toepassing zijnde bepalingen heeft aangekondigd voornemens te zijn de boetes op te leggen.

4.6.1. Ten aanzien van de opgelegde boetes heeft eiser zich beroepen op bewijsuitsluiting en het verbod van zelfincriminatie, stellend dat dit laatste meebrengt dat naar aanleiding van de brief van 6 april 2004 op grond van artikel 47 AWR verstrekte gegevens en inlichtingen als bewijs voor strafvorderlijke doeleinden moeten worden uitgesloten.

4.6.2. De plicht tot eerbiediging van het recht van de beschuldigde om te zwijgen en van diens recht om zichzelf niet te hoeven incrimineren geldt indien en voor zover er sprake is van een "criminal charge". In artikel 67j AWR is bepaald dat, indien de inspecteur jegens de belastingplichtige een handeling heeft verricht waaraan deze in redelijkheid de gevolgtrekking kan verbinden dat aan hem wegens een bepaalde gedraging een boete zal worden opgelegd, de belastingplichtige niet langer verplicht is ter zake van die gedraging enige verklaring af te leggen voor zover het de boeteoplegging betreft. De rechtbank stelt voorop dat dit zwijgrecht is beperkt tot verklaringen van de belastingplichtige. In het onderhavige geval is eerst sprake van een handeling als bedoeld in artikel 67j AWR vanaf het moment van ontvangst van de brief van verweerder van 23 december 2004. In deze brief is voor het eerst vermeld dat verweerder van plan was een boete op te leggen. Derhalve was eiser vanaf dat moment niet meer gehouden verklaringen af te leggen voor zover het de boeteoplegging betreft. Aan het bestaan van de algemene informatieverplichting op grond van artikel 47 AWR doet dit niet af.

4.6.3. Voor de bepleite bewijsuitsluiting zou aanleiding kunnen zijn indien er sprake zou zijn van gegevens die door verweerder of een derde op een jegens eiser onrechtmatig te achten wijze zijn verkregen. Dit is echter gesteld noch gebleken. Voorts zou hiervoor aanleiding kunnen zijn indien het gebruik door verweerder van de verkregen gegevens strijd met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur zou opleveren. Ook daarvan is de rechtbank niet gebleken. Ten slotte is er geen sprake van het gebruik van enige door eiser ná de ontvangst van de brief van 23 december 2004 op grond van zijn inlichtingenplicht van artikel 47 AWR afgelegde verklaring ter onderbouwing van de oplegging van de verhogingen dan wel de boetes. De stelling van eiser dienaangaande wordt verworpen.

4.7.1. In de omstandigheden van dit geval acht de rechtbank de opgelegde boetes in beginsel passend en geboden. Ter zitting heeft de gemachtigde verklaard dat eiser met een zekere bewustheid onjuiste aangiften heeft gedaan. Voorts is de rechtbank van oordeel dat het van algemene bekendheid is dat banktegoeden en daaruit gegenereerde inkomsten in de aangifte moeten worden vermeld. De rechtbank kan niet anders concluderen dan dat eiser willens en wetens de tegoeden op de twee Duitse bankrekeningen en de hiervan genoten rente gedurende vele jaren buiten de aangiften heeft gehouden.

4.7.2. Ten slotte zal de rechtbank de vraag beantwoorden of in de onderhavige zaak de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, lid 1, Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mensen de fundamentele vrijheden is overschreden. In de onderhavige zaken vangt de termijn voor de beoordeling van de verhogingen die zijn begrepen in de navorderingsaanslagen IB/PVV 1992 en VB 1993 aan op 23 december 2004, de datum waarop verweerder zijn voornemen tot oplegging van de verhogingen kenbaar maakt aan eiser. Nu de rechtbank niet binnen twee jaar na deze datum uitspraak doet en er geen sprake is van een bijzonder gecompliceerde of omvangrijke zaak, is voor deze verhogingen sprake van overschrijding van een redelijke termijn waarbinnen de zaak berecht is. De rechtbank zal de verhogingen die zijn begrepen in genoemde aanslagen daarom (verder) verminderen met 10 %. Ten aanzien van de overige verhogingen en boetes is geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn, zodat deze in stand blijven.

4.8. Gelet op het vorenoverwogene dienen de beroepen die betrekking hebben op de navorderingaanslagen IB/PVV 1992 en VB 1993 gegrond te worden verklaard.

De overige beroepen zullen ongegrond worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet aanleiding voor het vaststellen van een proceskostenveroordeling.

De kosten van het geding aan de zijde van eiser, zijnde de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand, stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 322 x 1 (gewicht van de zaak) x 2 (proceshandelingen) = € 644. De door de gemachtigde van eiser gevraagde vergoeding van de in bezwaar gemaakte proceskosten wijst de rechtbank af. Artikel 7:15, lid 2, van de Awb bepaalt dat voor een vergoeding van die kosten alleen plaats is wanneer een primair besluit – in casu een of meer van de aanslagen en/of de boetebeschikkingen – herroepen moet worden wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Daarvan is hier geen sprake.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen die betrekking hebben op de navorderingsaanslagen IB/PVV 1992 en VB 1993 gegrond;

- vernietigt de bestreden uitspraken met betrekking tot de navorderingsaanslagen IB/PVV 1992 en VB 1993;

- vermindert de aanslagen IB/PVV 1992 en VB 1993 in zoverre dat de verhoging wordt vastgesteld op 40 % van de nagevorderde belasting;

- handhaaft de overige uitspraken op bezwaar;

- gelast dat de Staat het door eiser betaalde griffierecht van € 38,- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 644, onder aanwijzing van de Staat die deze kosten aan eiser dient te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan op 14 januari 2008 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. R.G. Kemmers, voorzitter, mr. J.L. Bruinsma en mr. J.M. van Kempen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B.J.E. Lodder als griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.