Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:BC2645

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
22-01-2008
Datum publicatie
24-01-2008
Zaaknummer
15/700565-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mensenhandel. Straf aanzienlijk hoger dan eis. Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan mensenhandel ten aanzien van twee minderjarige meisjes. De rechtbank neemt ten nadele van verdachte voorts in aanmerking dat hij er op geen enkele wijze blijk van heeft gegeven de onjuistheid van zijn handelen in te zien. Hij geeft alleen een uiterst ongeloofwaardige verklaring voor de in zijn ogen onjuiste beschuldigingen aan zijn adres. Op grond van al het bovenstaande, en met name vanwege de mate van seksuele uitbuiting waaraan verdachte zich jegens de slachtoffers schuldig heeft gemaakt, is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf volstrekt onvoldoende recht doet aan de ernst van het feit en dat derhalve geen andere straf op haar plaats is dan één, die vrijheidsbeneming van na te noemen langere duur dan door de officier van justitie gevorderd met zich brengt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/700565-07

Uitspraakdatum: 22 januari 2008

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 8 januari 2008 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans gedetineerd in PI Midden Holland, HvB Haarlem.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van de maand juli 2004 tot en met de maand september 2004 te Roemenië en/of te Duitsland en/of te Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, één of meer (minderjarige) personen, genaamd [slachtoffer 1] (geboren op 9 mei 1987) en/of [slachtoffer 2] (geboren op 3 augustus 1988), heeft aangeworven, mede genomen en/of heeft ontvoerd met het oogmerk die personen in een ander land, te weten Nederland, ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling,

en/of

tezamen en in vereniging met een ander of anderen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] ertoe heeft/hebben gebracht zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling, dan wel ten aanzien van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] handelingen heeft/hebben ondernomen waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) dan wel redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] zich daardoor tot het verrichten van die handelingen beschikbaar stelde(n), terwijl die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] minderjarig waren, immers

- heeft/hebben hij en/of zijn mededader(s) die (minderjarige) [slachtoffer 1] en/of (minderjarige) [slachtoffer 2] met een auto opgehaald in Duitsland en vervolgens naar Nederland gebracht en/of

- heeft/hebben hij en/of zijn mededader(s) die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] onderdak verleend en/of

- heeft/hebben hij en/of zijn mededader(s) die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] gedwongen tot het verrichten/ondergaan van seksuele handelingen met/door verdachte en/of zijn mededader(s), althans heeft/hebben hij en/of zijn mededader(s) seksuele handelingen met die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] verricht, en/of

- heeft/hebben hij en/of zijn mededader(s) die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] een of meermalen naar een woning in Haarlem gebracht en/of

- heeft/hebben hij en/of zijn mededader(s) die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] naar een bar althans een gelegenheid in Haarlem gebracht van waar uit zij (die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]) tot het verrichten van seksuele handelingen tegen betaling werden gedwongen en/of

- heeft/hebben hij en/of zijn mededader(s) die [slachtoffer 1] naar een woning in Amsterdam gebracht, waar zij (die [slachtoffer 1]) tot het verrichten van seksuele handelingen tegen betaling werd gedwongen.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is en dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak.

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting betoogd dat het openbaar ministerie partieel niet-ontvankelijk is in zijn vervolging nu het specialiteitsbeginsel is geschonden. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat het Europees Aanhoudingsbevel inhoudende het verzoek tot overlevering van verdachte en de beslissing van de Roemeense rechter tot toewijzing van het verzoek tot overlevering van verdachte betrekking hebben op feiten begaan in de periode van 1 juli 2004 tot 1 september 2004. In de tenlastelegging wordt verdachte verweten van 1 juli 2004 tot en met september 2004 deze feiten te hebben begaan. Door ook de maand september 2004 ten laste te leggen handelt de officier van justitie in strijd met het specialiteitsbeginsel.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe het volgende.

Het specialiteitsbeginsel houdt in dat een persoon na diens overlevering niet dan met toestemming van de overleverende Staat mag worden vervolgd voor andere feiten dan waarvoor zijn overlevering is toegestaan.

Het door de officier van justitie te Haarlem uitgevaardigde Europees Arrestatiebevel houdt onder meer in het verzoek verdachte over te leveren aan Nederland met het oog op strafvervolging ter zake van “mensenhandel, in vereniging en meermalen gepleegd in de periode van 1 juli 2004 tot 1 september 2004”, welk feit zou zijn gepleegd ten aanzien van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. De Roemeense rechter heeft dit verzoek toegewezen.

Blijkens de tekst van de tenlastelegging wordt verdachte ook vervolgd ter zake van die verdenking. Dat de tenlastegelegde periode een maand langer is dan de periode waarvoor de overlevering toelaatbaar is verklaard, leidt niet tot het oordeel dat het specialiteitsbeginsel is geschonden. Van schending van dat beginsel is immers sprake als verdachte zou worden vervolgd voor een ander feitencomplex dan waarvoor de overlevering is toegestaan en niet als hij wordt vervolgd voor hetzelfde feitencomplex gedurende een enigszins langere periode, zoals thans het geval is.

De rechtbank heeft vastgesteld dat het openbaar ministerie ook overigens ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen voor schorsing van de vervolging zijn.

3. Bewijs

3.1. Bewijsoverwegingen

3.1.1 Door de raadsman van verdachte is ter terechtzitting betoogd dat de verklaringen van beide aangeefsters niet voor het bewijs gebruikt kunnen worden nu deze verklaringen onbetrouwbaar zijn, omdat zowel voor [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] geldt dat hun verklaringen sterk wisselen, terwijl hun verklaringen bovendien met elkaar in strijd zijn, een en ander als aan de hand van voorbeelden uiteengezet in de door de raadsman overgelegde pleitnota.

Ten aanzien van dit verweer overweegt de rechtbank als volgt:

De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van aangeefsters [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] weliswaar op onderdelen wisselend en niet volledig met elkaar in overeenstemming zijn, maar de rechtbank acht deze verklaringen niettemin geloofwaardig nu deze op hoofdlijnen wel degelijk consequent zijn en slechts ten aanzien van punten van ondergeschikt belang wisselen en niet met elkaar overeenstemmen. Deze inconsistenties laten zich bovendien verklaren door de zeer jeugdige leeftijd van aangeefsters ten tijde van de aangifte (16 en 17 jaar), en het geruime tijdsverloop tussen de aangiftes (oktober en november 2004), verklaringen bij de politie (mei 2006) en de verhoren bij de rechter-commissaris (oktober – december 2007). Bij haar oordeel over de betrouwbaarheid van deze verklaringen betrekt de rechtbank voorts dat deze op relevante punten steun vinden in de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] en in de verklaring van medeverdachte [medeverdachte].

3.1.2 Ten aanzien van de door de raadsman geopperde mogelijkheid dat de verklaringen van aangeefsters uitsluitend zijn ingegeven door de wens om in Nederland te verblijven op grond van de zogenaamde B9-regeling, overweegt de rechtbank dat dit geenszins aannemelijk is geworden.

3.1.3 De verdachte heeft ter terechtzitting betoogd dat de aangifte en de daarop volgende verklaringen van [slachtoffer 1] zijn ingegeven door liefdesverdriet of wrok, omdat hij na een kortstondig avontuurtje dat hij met [slachtoffer 1] heeft gehad, het contact met haar heeft verbroken. Degenen die belastend over hem verklaren, vertellen wat zij van [slachtoffer 1] over hem hebben gehoord.

De rechtbank overweegt dienaangaande dat hiervoor in de stukken van het dossier geen begin van aannemelijkheid te vinden is en passeert deze veronderstelling van verdachte daarom.

3.2. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan, in dier voege dat:

hij in de periode van de maand juli 2004 tot en met 18 augustus 2004 te Roemenië en te Duitsland en te Nederland tezamen en in vereniging met anderen, minderjarige personen, genaamd [slachtoffer 1], geboren op 9 mei 1987, en [slachtoffer 2], geboren op 3 augustus 1988, heeft aangeworven en mede genomen met het oogmerk die personen in Nederland ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling,

en

tezamen en in vereniging met anderen die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ertoe heeft gebracht zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling, terwijl die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] minderjarig waren, immers

- hebben zijn mededaders die minderjarige [slachtoffer 1] en minderjarige [slachtoffer 2] met een auto opgehaald in Duitsland en vervolgens naar Nederland gebracht en

- hebben hij en zijn mededaders die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] onderdak verleend en

- hebben hij en zijn mededaders die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] gedwongen tot het verrichten en ondergaan van seksuele handelingen met verdachte en zijn mededaders, en

- hebben hij en zijn mededaders die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] meermalen naar een woning in Haarlem gebracht en

- hebben hij en zijn mededaders die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] naar een bar in Haarlem gebracht van waar uit zij (die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]) tot het verrichten van seksuele handelingen tegen betaling werden gedwongen en

- hebben hij en zijn mededader die [slachtoffer 1] naar een woning in Amsterdam gebracht waar zij tot het verrichten van seksuele handelingen tegen betaling werd gedwongen.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

3.3 Bewijsmiddelen

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit op grond van de navolgende bewijsmiddelen:

• De verklaring die verdachte ter terechtzitting heeft afgelegd, houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in:

Het klopt dat ik in juli 2004 gedurende een maand met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in een woning in Haarlem heb gewoond.

Ik heb een aantal keren bij [medeverdachte] in de auto gezeten als hij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] naar de bar in Haarlem reed. Als [medeverdachte] zegt dat dat zes keer is gebeurd, dan zal dat zo zijn. Ik ben zelf ook in die bar geweest.

• Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] (dossierpagina 45 – 54) waarin deze onder meer – zakelijk weergegeven – heeft verklaard:

Ik ben geboren op 9 mei 1987.

[slachtoffer 2] is mijn vriendin. [slachtoffer 2] en ik besloten om werk te gaan zoeken in het buitenland. Eigenlijk is dat initiatief van een vriend van mij afgekomen, hij heet [vriend].

Ik denk dat het in juni van dit jaar, 2004, was, het kan ook juli zijn geweest dat ik [vriend] weer sprak. Het was in ieder geval na het einde van de school. [vriend] vertelde me toen dat hij een vriend in Nederland had wonen. En deze vriend zou eventueel wel werk voor [slachtoffer 2] en mij kunnen regelen. Het werk zou uit schoonmaakwerk bestaan.

[vriend] bracht mij in contact met een vriend van hem, genaamd [verdachte]. [verdachte] was die vriend van [vriend] die in Nederland woonde. Daar heb ik alleen telefonisch contact mee gehad. [verdachte] belde mij op het toestel van [vriend] en sprak dan met mij. Hij vertelde dat ik ongeveer 1000,- euro per maand kon verdienen in Nederland met schoonmaakwerkzaamheden. Over waar we zouden gaan wonen in Nederland is niet echt gesproken. Dat zou [verdachte] verzorgen.

Uiteindelijk zijn [slachtoffer 2], ik en [vriend] vertrokken. We gingen met de auto van [vriend] naar de grens. Daar werden we opgehaald met een busje. Met dat busje gingen we naar Duitsland. Onderweg hebben we nog gegeten. [slachtoffer 2] en ik hadden geen geld en we hebben aan de chauffeur gevraagd om ons wat te eten te geven omdat we geen geld hadden. [verdachte] zou dat later betalen. Dat had hij eerder door de telefoon verteld. Ook de reis zou hij regelen en betalen. Hij had verteld dat we dat later terug zouden moeten betalen. In Duitsland werden we opgehaald door een man genaamd [medeverdachte]. Hij vertelde dat hij namens [verdachte] kwam. [slachtoffer 2] en ik zijn vervolgens bij hem in de auto gestapt.

In Den Haag gingen we naar de woning van [medeverdachte]. Daar ontmoetten we [verdachte].

Op een avond spraken [verdachte] en [medeverdachte] samen in het Engels over [slachtoffer 2] en mij. Ze spraken over werk dat wij zouden moeten gaan doen. Ik hoorde ze praten over prostitutiewerk. Dat [slachtoffer 2] en ik dat zouden moeten gaan doen. Ik hoorde dat ze er over spraken dat ze niet wisten hoe ze dat moesten doen omdat [slachtoffer 2] 16 jaar was en ik 17 jaar. Ze dachten erover om ons valse paspoorten te geven. Ik ben naar boven gegaan en heb het [slachtoffer 2] verteld. We waren beiden heel bang. Want dat wilden we echt niet gaan doen. We besloten toen om weg te gaan. Maar het probleem was dat het huis van een alarminstallatie was voorzien. [medeverdachte] had onze paspoorten. Die had hij in zijn jaszak, dus ook die konden we niet pakken.

De volgende ochtend vertelde [medeverdachte] aan [slachtoffer 2] en mij dat we in de prostitutie moesten gaan werken. Ik vertelde dat ik dat niet ging doen. Hierop werd ik geslagen door [medeverdachte]. Hij trapte mij meerdere malen tegen mijn benen. Vervolgens pakte hij mij bij mijn keel met zijn handen en kneep.

[medeverdachte] bracht ons naar McDonald's en daar wachtte een man op ons. [medeverdachte] had ons verteld dat we die man niet mochten vertellen hoe oud we waren. Die man gaf ons te eten in MacDonalds en daarna gingen we met hem mee naar een woning. In die woning legde de man ons uit wat voor werk we moesten gaan doen. Dat was dus prostitutiewerk. Vervolgens vertelden we dat we 16 en 17 jaar oud waren. De man heeft ons naar de woning van [medeverdachte] gebracht en vertelde [medeverdachte] wat wij hem hadden verteld. [medeverdachte] kreeg een woedeaanval en begon mij te slaan en deed zijn handen om mijn keel en kneep hard. [verdachte] was niet meer in de woning en [medeverdachte] belde hem. [verdachte] kwam naar de woning en was kwaad op ons. Hij was kwaad op ons omdat we hadden verteld aan die man bij McDonalds dat we minderjarig waren. Hij zei dat we hier gekomen waren om geld te verdienen. Vervolgens vertelde [verdachte] tegen [medeverdachte] dat hij iemand wist in Haarlem waar we konden werken zodat we geld konden verdienen voor valse paspoorten. [verdachte] heeft ook gedreigd om ons te slaan als we niet zouden doen wat ze zeiden. We waren bang voor zowel [verdachte] als [medeverdachte].

Dezelfde dag werden we door [medeverdachte] en [verdachte] naar Haarlem gebracht. Ze brachten ons naar een Turkse bar, genaamd [bar]. [medeverdachte] en [verdachte] hebben ieder hoofdstuk uitgelegd wat we moesten doen met mannen. Dus de handelingen. [verdachte] vertelde dat we alles moesten doen en legde uit dat we ook anaal en oraal mannen moesten bevredigen. Van [verdachte] kreeg ik condooms. [slachtoffer 2] en ik kregen die dag ieder twee klanten. Er kwam een man het café in en vervolgens moest ik met die man mee naar zijn huis. Vooraf betaalde de man geld aan [verdachte]. Na afloop bracht de klant me weer terug naar het café. Wegrennen was niet mogelijk want [verdachte] hield ons in de gaten en had klanten gewaarschuwd. Ze moesten hem bellen als we weg zouden lopen. We hebben ongeveer een maand vanuit dat café gewerkt. Van het geld dat [slachtoffer 2] en ik verdienden in dat café, heb ik nooit geld gezien.

Na die eerste keer in dat café te hebben gewerkt, kregen we een woning in Haarlem. [slachtoffer 2] en ik woonden samen in de woning. [medeverdachte] en [verdachte] hadden gezegd dat we niet naar buiten mochten. [verdachte] haalde de boodschappen. We zijn niet weggelopen, omdat we steeds werden gecontroleerd. In het café was of [medeverdachte] of [verdachte] of de patroon aanwezig. De klanten brachten ons naar hun woning en na de seks brachten ze ons weer terug naar het café. Als wij in de ochtend het café verlieten, werden wij gebracht door [verdachte], [medeverdachte] of de patroon [patroon]. [slachtoffer 2] en ik gingen de woning in en de deur werd achter ons aan de buitenkant op slot gedraaid aan de buitenkant. Het was een woning op de eerste verdieping. De balkondeur was ook op slot. [medeverdachte] had de sleutel eruit gehaald en meegenomen.

Op donderdag en vrijdag hadden we meestal 3 of 4 klanten en de rest van de week meestal 1 of 2 klanten.

Na ongeveer een maand vertelde [medeverdachte] me dat hij een klant had die een meisje voor een week wilde hebben en die betaalde daar € 3000,- voor. Ik werd door [medeverdachte] naar die man gebracht. Hij heette [klant] (de rechtbank begrijpt: [klant]). Hij wilde in de ochtend en de avond seks met mij.

• Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van aangeefster [slachtoffer 1] (dossierpagina 56- 70) waarin deze onder meer – zakelijk weergegeven – heeft verklaard:

[vriend] is niet eerlijk tegen ons geweest. Hij heeft ons niet de waarheid verteld over wat we in Nederland zouden gaan doen. Indien hij mij in Roemenië had aangeboden om naar Nederland te gaan om in de prostitutie te werken was ik zeker niet gegaan.

Ik ben in juli 2004 naar Nederland gekomen.

[vriend] heeft ons in Roemenie verteld dat [verdachte] een vriend had die [medeverdachte 2] heette. Ik heb hem voor het eerst ontmoet bij het tankstation in Duitsland. Hij was daar samen met [medeverdachte].

De tweede avond, toen wij al in de woning van [medeverdachte] in Amstelveen waren, kwamen [medeverdachte 2] en [medeverdachte] naar onze kamer op zolder.

Zowel [medeverdachte] als [medeverdachte 2] dwongen ons om ieder van hen te pijpen. Wij moesten dit van hen leren om later de klanten te kunnen bedienen. Dit ging gepaard met geweld. Onze kleren werden van onze lijf gerukt. Vervolgens werden wij gedwongen om geslachtsgemeenschap te hebben met zowel [medeverdachte] als [medeverdachte 2]. Ik moest eerst met [medeverdachte] en [slachtoffer 2] met [medeverdachte 2]. Vervolgens moesten wij wisselen en moest ik seks hebben met [medeverdachte 2] en moest [slachtoffer 2] seks hebben met [medeverdachte].

Die avond heb ik dus gedwongen seks gehad met zowel [medeverdachte 2] als met [medeverdachte]. Ik heb gezien dat [slachtoffer 2] seks heeft gehad met [medeverdachte] en ook met [medeverdachte 2]. We waren in dezelfde ruimte.

[medeverdachte] zei dat we naar Haarlem zouden gaan om te werken. Hij vertelde dat [slachtoffer 2] en ik bij een kennis van hem in de prostitutie gingen werken. Hij vertelde dat wij door [medeverdachte 2] en [verdachte] naar een café/bar in Haarlem zouden worden gebracht om daar te werken. Hij zei dat wat wij jullie hebben geleerd, moeten jullie ook met de klanten doen. Ik begreep hieruit dat hij seks bedoelde.

[medeverdachte] heeft ons naar het café gereden. [medeverdachte 2] en [verdachte] reden ook mee. Ik zag dat het café [bar] heette. We kregen in het café de opdracht contact te maken met klanten. Dit vertelde zowel [medeverdachte 2] als [verdachte]. Als we een klant hadden dan moest deze met [medeverdachte 2] of [verdachte] onderhandelen en betalen.

Na het werk gingen we naar een woning in Haarlem in de buurt van de grote kerk. [slachtoffer 2] en ik zijn met [medeverdachte 2] en [verdachte] de woning in gegaan. [medeverdachte 2] en [verdachte] bleven bij ons.

[klant] woont in Amsterdam. Bij [klant] ben ik [getuige 2] en [getuige 1] tegengekomen.

• Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] (dossierpagina 75 – 78) waarin deze onder meer – zakelijk weergegeven – heeft verklaard:

Ik ben geboren op 3 augustus 1988.

Ik heb al heel lang een vriendin [slachtoffer 1] genaamd. Met haar ben ik naar Nederland gekomen.

In de zomer van 2004 leerden wij in Roemenië een man kennen, [man] genaamd.

[man] vertelde ons dat we in Nederland veel geld konden verdienen.

Hij vertelde mij dat ik voor de reis niets hoefde te betalen, maar wanneer wij in Nederland geld zouden hebben verdiend, moesten we 700 euro betalen aan een vriend van hem [verdachte] genaamd. Deze [verdachte] zou ons in Nederland onderdak geven en voor werk zorgen. Het was in juli 2004. We zijn naar Duitsland gereden. In Duitsland zijn we overgestapt in een personenauto. De bestuurder van die personenauto was [medeverdachte]. [medeverdachte] reed ons vanuit Duitsland naar Den Haag. In de woning was ook [verdachte] aanwezig. [verdachte] is een Roemeen.

Toen we in Den Haag waren aangekomen kregen we 1 dag rust. Daarna werd ons gezegd dat we in de prostitutie moesten gaan werken. We huilden en zeiden dat we toch ander werk zouden krijgen. [verdachte] en [medeverdachte] zeiden dat we maar naar de politie moesten gaan. Die zou ons dan oppakken en vastzetten, want we waren minderjarig. Ze zeiden ons dus dat we in de prostitutie moesten gaan werken. Ze vertelden ons wat we moesten doen en hoeveel geld we moesten vragen. Ook zorgden zij voor condooms.

We werden naar Haarlem gebracht naar een club. De eerste dagen bleven [medeverdachte] en [verdachte] ook in de club als wij daar waren. Wij moesten dan met een man mee naar zijn woning. Daar hadden we dan seks. We werden daarna door hen teruggebracht. We hebben daar ongeveer 3 weken gewerkt. In het begin toen [medeverdachte] en [verdachte] nog in de club aanwezig waren als wij werkten, betaalden de klanten het geld aan hen. Later moesten wij ons geld aan [verdachte] en [medeverdachte] afgeven.

Ik heb eenmaal seks gehad met [verdachte] en eenmaal met [medeverdachte].

Ik voelde me als het ware daartoe gedwongen.

• Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van aangeefster [slachtoffer 2] (dossierpagina 79 – 92) waarin deze onder meer – zakelijk weergegeven – heeft verklaard:

Ik was 15 jaar toen ik in Nederland aankwam. In Duitsland werden [slachtoffer 1] en ik bij een benzinestation opgehaald door twee mannen, genaamd [medeverdachte] en [medeverdachte 2]. De chauffeur van het busje waarmee we naar Duitsland zijn gereden gaf de paspoorten aan [medeverdachte 2] en die gaf ze aan [medeverdachte]. We zijn in Nederland naar een flatgebouw gebracht. In de flat hebben we kennis gemaakt met [verdachte].

[medeverdachte 2] is bij mij in bed gekropen en heeft mij gezegd dat ik moest laten zien wat ik kon, want daarvoor was ik naar Nederland gekomen. Ik snapte wel wat hij bedoelde, maar heb hem duidelijk gemaakt dat ik dit niet wilde en dat ik naar de politie zou gaan. Hij pakte mij toen bij mijn keel en zei dat ik nooit meer het woord politie mocht zeggen.

[medeverdachte 2] heeft met geweld mijn kleding uitgetrokken en mij geslagen. Hij heeft me gedwongen seks met hem te hebben. Dat was de eerste keer dat ik geslachtsgemeenschap had. Ik moest hem ook pijpen.

De volgende dag vertelde [verdachte] dat wij moesten gaan werken. [verdachte] vertelde dat wij met mannen moesten gaan slapen voor geld. [verdachte] vertelde dat we naar een club of bar zouden gaan. Hierna begon [verdachte] uit te leggen dat hij condooms had gekocht voor het werk. Dan moest ik pijpen en neuken. De seks moest bij de klanten thuis plaatsvinden. In de avond heeft [medeverdachte] ons met de auto opgehaald. We gingen met z’n vieren naar een café in Haarlem: [medeverdachte], [verdachte], [slachtoffer 1] en ik. [verdachte] zei tegen ons dat we belangstellend moesten zijn zodat we aandacht van mannen zouden krijgen. Ik moest naar de mannen toe stappen of gaan dansen. Er waren mannen die geïnteresseerd in mij waren. Die wilden dan met mij naar bed. De mannen kwamen bij [verdachte] aan zijn tafel. Ik heb gezien dat de mannen bij [verdachte] betaalden. Ze hebben allemaal bij [verdachte] afgerekend. Iedere keer ging ik met de klant naar diens woning. Na deze nacht kwam [medeverdachte] ons ophalen en reed ons terug naar de woning. In de avond kwam [medeverdachte] ons dan weer ophalen en gingen we weer naar de bar. Met ons bedoel ik: [verdachte], [slachtoffer 1] en ik.

[verdachte] inde het geld. Als we zonder geld thuis kwamen kregen we een pak slaag. [verdachte] trok aan mijn haar. Ik kreeg klappen tegen mijn gezicht. [verdachte] zei dat hij met mij naar bed ging omdat ik weigerde met klanten naar bed te gaan. In de woonkamer heeft hij toen gemeenschap met mij gehad.

[medeverdachte] had een klant, genaamd [klant], die [slachtoffer 1] wilde. [slachtoffer 1] is door [medeverdachte] naar [klant] gebracht. Zij is een aantal nachten bij [klant] gebleven. Ik werd naar een plek gebracht waar [slachtoffer 1] was. Volgens mij was dat in Amsterdam. Daar waren nog twee meisjes [getuige 1] en [getuige 2].

• Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van aangeefster [slachtoffer 2] door de rechter-commissaris d.d. 15 oktober 2007 waarin deze – zakelijk weergegeven – heeft verklaard:

Onze paspoorten zijn in Roemenië aan de buschauffeur gegeven door [vriend]. [verdachte] had vanuit Nederland geld gestuurd om paspoorten te maken. [vriend] heeft deze laten maken. Het was de bedoeling dat als wij werkten wij [verdachte] de kosten zouden terugbetalen.

Zij hebben voor ons geen baan in de horeca gezocht maar ons naar een café gebracht om met mannen te slapen. Als wij dat niet wilden kregen wij een klap in ons gezicht van [verdachte]. Dat gebeurde dan thuis en niet in het café. Daarnaast waren er iedere dag bedreigingen met lichamelijk geweld. Dat gebeurde steeds door [verdachte] en ook door [medeverdachte 2] maar die heeft alleen bedreigd.

Met [vriend] is niet besproken dat ons werk in de prostitutie zou zijn.

• Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte] (dossierpagina 161 -168) waarin deze – zakelijk weergegeven – heeft verklaard:

Ik ben in contact gekomen met twee jongens. Zij vroegen mij of ik twee nichtjes wilde ophalen in Duitsland. [naam] is met mij meegereden toen ik die twee meisjes ging ophalen in Stuttgart.

• Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte] (dossierpagina 171-177) waarin deze – zakelijk weergegeven – heeft verklaard:

Voor de keren dat ik eerder de naam [naam] heb gezegd , bedoel ik daar [medeverdachte 2] mee.

• Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte] (dossierpagina 181-186) waarin deze – zakelijk weergegeven – heeft verklaard:

[verdachte] is een van de neven.

Ik heb ongeveer tien keer de meiden weggebracht van de woning in Haarlem naar het café of althans in de buurt. Ongeveer zes keer is [verdachte] meegegaan.

• Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 2] (dossierpagina 117-120) waarin deze – zakelijk weergegeven – heeft verklaard:

[getuige 1] en ik gingen een keer naar [klant] en toen zagen we [slachtoffer 1] bij [klant]. [klant] is [klant], hij woont in Amsterdam Noord. [slachtoffer 1] vroeg om hulp. Ze sprak over [verdachte] die haar in elkaar slaat en dat ze de hoer moest spelen.

• Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor d.d. 11 juni 2006van de getuige [getuige 1] (dossierpagina 123-127) waarin deze – zakelijk weergegeven – heeft verklaard:

Ongeveer twee of drie jaar geleden heb ik [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] leren kennen. Ik heb [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] bij [klant] leren kennen. [klant] woonde in Amsterdam Noord, in de [a-straat].

Inmiddels wist ik dat er bij [klant] wel eens vaker meisjes over de vloer kwamen. Deze meisjes kwamen dan voor de seks. Met [klant].

Af en toe kwamen [medeverdachte] en [verdachte] bij [klant] langs. Zij deden zaken met hem over [slachtoffer 1] en later ook over [slachtoffer 2]. Ik heb [medeverdachte] en [verdachte] een keer bij [klant] thuis gezien. Van [klant] weet ik dat ze vaker bij hem thuis zijn geweest destijds.

[klant] en ik hebben met elkaar gesproken over [slachtoffer 1]. [klant] vertelde mij dat hij [slachtoffer 1] wel wilde "kopen". Hij wilde namelijk dat [slachtoffer 1] haar vrijheid terug kreeg. Hij zou, nadat hij haar gekocht had, haar paspoort krijgen. Haar paspoort was in bezit bij [medeverdachte] en [verdachte]. Maar [klant] moest enorm veel geld betalen aan [verdachte]. Ik weet niet hoeveel maar ik denk dat dit over duizenden euro's ging.

• Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van de getuige D.E.K. Kooistra door de rechter-commissaris d.d. 20 december 2007 waarin deze – zakelijk weergegeven – heeft verklaard:

[slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] werkten in de prostitutie voor [medeverdachte] en [verdachte]. [klant] had mij verteld dat [slachtoffer 1] wel eens bij hem kwam voor betaalde liefde. Hij regelde met [verdachte] de financiën.

• Een schriftelijk stuk, te weten een Nederlandse vertaling van bevindingen van de Roemeense autoriteiten die – zakelijk weergegeven – onder meer inhoudend dat verdachte op 17 maart 2004 het land heeft verlaten en op 18 augustus 2004 is teruggekomen.

Het tot het bewijs gebezigde geschrift wordt slechts tot het bewijs gebezigd in samenhang met de inhoud van de overige bewijsmiddelen.

4. Strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van [slachtoffer 1]:

een persoon aanwerven en medenemen met het oogmerk die persoon in een ander land ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling, gepleegd door twee of meer verenigde personen

en

ten aanzien van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] vanaf het moment dat [slachtoffer 2] de leeftijd van 16 jaren heeft bereikt:

een ander ertoe brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling, terwijl die ander minderjarig is, gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd

en

ten aanzien van [slachtoffer 2]:

een persoon aanwerven en medenemen met het oogmerk die persoon in een ander land ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling, terwijl die ander minderjarig is en de leeftijd van 16 jaren nog niet heeft bereikt, gepleegd door twee of meer verenigde personen;

en

ten aanzien van [slachtoffer 2] in de periode totdat zij de leeftijd van 16 jaren had bereikt:

een ander ertoe brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling, terwijl die ander minderjarig is en de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, gepleegd door twee of meer verenigde personen;

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van sanctie

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten en gevorderd dat verdachte terzake zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis en overleveringsdetentie heeft doorgebracht.

Hoofdstraf

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan mensenhandel ten aanzien van twee minderjarige meisjes. De oudste, [slachtoffer 1], was net 17 jaar en de jongste, [slachtoffer 2], was nog 15 jaar toen ze door verdachte en zijn mededaders vanuit Roemenië naar Nederland werden gehaald. De meisjes dachten dat ze in Nederland met een ‘normale’ baan geld zouden verdienen in de vakantie. In plaats daarvan werden zij door verdachte en zijn mededaders tot prostitutie gedwongen. Hun paspoorten werden ingenomen, ze werden vrijwel continu in de gaten gehouden, beschikten niet over enige financiële middelen en bevonden zich in een voor hen onbekend land waarvan – naar mag worden aangenomen – zij de taal niet beheersten. Hierdoor, maar ook door de bedreigingen en mishandelingen door verdachte en zijn mededaders, als zij lieten blijken dat zij niet wilden doen wat er van hen verlangd werd, zijn zij gedwongen om zich te prostitueren. Gedurende een aantal weken moesten zij vanuit een café in Haarlem met klanten mee naar huis om daar seks te hebben. [slachtoffer 1] is daarna voor een aantal dagen naar een klant in Amsterdam gebracht om met hem op elk door hem gewenst moment van de dag seksuele handelingen te verrichten. Het geld wat hiermee verdiend werd kwam ten goede aan verdachte en zijn mededaders. Omdat de meisjes onvoldoende geld opleverden, wilden verdachte en zijn mededader [medeverdachte] hen zelfs verkopen. Daarnaast hebben verdachte en zijn mededaders de slachtoffers ook gedwongen seksuele handelingen met hen te verrichten, hetzij onder het mom dat zij moesten leren hoe ze klanten moesten bedienen, hetzij als straf omdat zij zich niet wilden prostitueren.

Aldus hebben verdachte en zijn mededaders op mensonterende wijze misbruik gemaakt van twee jonge meisjes door hen op deze schandalige manier uit te buiten. Niet alleen door geld aan hen te willen verdienen door ze te dwingen als prostituee werkzaam te zijn, maar ook door hun eigen lusten op die meisjes bot te vieren. Verdachte en zijn mededaders hebben een zeer ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers. De ervaring heeft geleerd dat de (seksuele) ontwikkeling van dergelijke jonge meisjes hierdoor op nadelige wijze wordt beïnvloed en dat hetgeen hen is overkomen voor de nabije en verdere toekomst een negatief stempel op hun leven zal drukken.

Verdachte heeft binnen dit feitencomplex een wezenlijke rol gespeeld. Hij is vanuit Nederland betrokken geweest bij het organiseren van de reis van de meisjes van Roemenië via Duitsland naar Nederland en heeft de kosten daarvan betaald. Ook was hij aanwezig in het café waar de meisjes klanten moesten werven. De klanten maakten met verdachte afspraken over de prijs en moesten het geld aan hem betalen. Verder verbleef verdachte bij de meisjes in de woning in Haarlem waar hij ze in de gaten hield. Daarnaast heeft hij geprobeerd [slachtoffer 1] te verkopen. Bovendien heeft hij hen allebei gedwongen gemeenschap met hem te hebben.

Door op deze wijze te handelen heeft verdachte voorts een wezenlijke bijdrage geleverd aan het in standhouden van illegale seksinrichtingen en escortbedrijven en de met deze vorm van criminaliteit gepaard gaande illegale activiteiten zoals uitbuiting van mensen, mishandeling, valsheid in geschrifte, belastingontduiking en illegale immigratie.

De rechtbank neemt ten nadele van verdachte voorts in aanmerking dat hij er op geen enkele wijze blijk van heeft gegeven de onjuistheid van zijn handelen in te zien. Hij geeft alleen een uiterst ongeloofwaardige verklaring voor de in zijn ogen onjuiste beschuldigingen aan zijn adres.

Op grond van al het bovenstaande, en met name vanwege de mate van seksuele uitbuiting waaraan verdachte zich jegens de slachtoffers schuldig heeft gemaakt, is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf volstrekt onvoldoende recht doet aan de ernst van het feit en dat derhalve geen andere straf op haar plaats is dan één, die vrijheidsbeneming van na te noemen langere duur dan door de officier van justitie gevorderd met zich brengt.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

Wetboek van Strafrecht: artikelen 57 en 250 (oud).

8. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.2 vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezenverklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens dit feit tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering, voorlopige hechtenis en overleveringsdetentie heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

9. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.H.L.C. Bijvoet, voorzitter,

mr. F.G. Hijink en mr. M.D. Stam, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. A.P. de Klerk,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 22 januari 2008.

Mr. Stam is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.