Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2008:1136

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
09-06-2008
Datum publicatie
21-08-2017
Zaaknummer
AWB-06_5215
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De zinsnede ‘het in het eerste lid bedoelde feit wordt geconstateerd’

in artikel 76, tweede lid, van de Wet MRB ziet op het tijdstip waarop daadwerkelijk, bijvoorbeeld naar

aanleiding van een fysieke controle of een boekenonderzoek, wordt geconstateerd dat de vrijstelling

ten onrechte is verleend dan wel aan de voor een vrijstelling gestelde voorwaarden niet wordt voldaan. Aan die eis wordt hier niet voldaan.

Wetsverwijzingen
Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 72
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/5214 en AWB 06/5215

Uitspraakdatum: 9 juni 2008

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[X] , wonende te [Z] , eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale Administratie, verweerder.

06/5214

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Met dagtekening 2 december 2004 heeft verweerder aan eiser een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting (MRB) opgelegd voor het tijdvak 31 juli 1999 tot en met 29 juli 2000 ter hoogte van € 1.088, alsmede bij beschikking een boete van € 1.088.

1.2. Met dagtekening 2 december 2004 heeft verweerder aan eiser een naheffingsaanslag MRB opgelegd voor het tijdvak 31 juli 2000 tot en met 29 juli 2001 ter hoogte van € 1.086, alsmede bij beschikking een boete van € 1.086.

1.3. Verweerder heeft bij voor de aanslagen van beide tijdvakken bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 10 maart 2006 de naheffingsaanslagen gehandhaafd en de opgelegde boeten verminderd tot € 544 (tijdvak 1999-2000) en tot € 543 (tijdvak 2000-2001).

1.4. Bij brieven van 19 april 2006, ontvangen bij de rechtbank op 20 april 2006, heeft eiser hiertegen beroep ingesteld. De gronden van de beroepen zijn bij brief van 18 juli 2006 aangevuld.

1.5. Verweerder heeft op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.6. Het onderzoek ter zitting heeft, gelijktijdig met het onderzoek in de zaken met nummers 06/6186 tot en met 06/6192, plaatsgevonden op 27 maart 2008. Eiser is daar in persoon verschenen, bijgestaan door drs. [A] . Namens verweerder zijn verschenen mr. M.C.M. van Zon en F. de Boer.

2 Tussen partijen vaststaande feiten

2.1.

Eiser was in de periode van 31 juli 1999 tot en met 30 juli 2001 werkzaam als taxichauffeur. Zijn werkzaamheden verrichtte hij in het verband van een vennootschap onder firma (V.O.F. [A BEDRIJF] ), waarvan hij één van de vennoten was. Binnen deze taxionderneming maakte eiser in genoemde periode gebruik van een personenauto, merk [A MERK] , met kenteken [A KENTEKEN] (hierna: de auto). Het kenteken van de auto stond op naam van eiser. De auto werd gebruikt voor het verrichten van taxivervoer in de zin van de Wet personenvervoer 2000. De cataloguswaarde van de auto was ƒ 56.765 (€ 25.762).

2.2.

Per 5 juni 2000 is [B] toegetreden tot de V.O.F. [A BEDRIJF] . Vanaf 1 juli 2000 maakten eiser en [B] beiden (afwisselend en in gelijke mate) gebruik van de auto voor taxivervoer.

2.3.

Op verzoek van eiser is met toepassing van artikel 72, eerste lid, aanhef en onder n., van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: Wet MRB) vrijstelling van motorrijtuigenbelasting verleend.

2.4.

De in geding zijnde naheffingsaanslagen zijn vastgesteld aan de hand van de resultaten van een bij eiser ingesteld boekenonderzoek. De eerste dag van het onderzoek was 13 mei 2004. De dagtekening van het rapport is 14 juli 2004.

3 Geschil en standpunten van partijen

3.1.

In geschil is of de naheffingsaanslagen terecht zijn opgelegd en of daarbij terecht en tot de juiste bedragen boetes zijn opgelegd. De hoogte van de naheffingsaanslagen is tussen partijen niet in geschil.

3.2.

Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

In artikel 1, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet MRB is bepaald dat onder de naam ‘motorrijtuigenbelasting’ een belasting wordt geheven ter zake van het houden van - onder meer - een personenauto.

Artikel 6 Wet MRB houdt in dat de belasting voor een personenauto wordt geheven van degene die bij de aanvang van een tijdvak het motorrijtuig houdt. Blijkens artikel 7, eerste lid, aanhef en onderdeel a, Wet MRB wordt een motorrijtuig gehouden door degene op wiens naam het voor het motorrijtuig opgegeven kenteken is gesteld in het kentekenregister als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel i, van de Wegenverkeerswet 1994.

4.2.

Artikel 72, eerste lid, aanhef en onderdeel n, van de Wet MRB houdt in dat, onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en beperkingen, vrijstelling van belasting wordt verleend voor motorrijtuigen die blijkens een ingevolge de Wet personenvervoer afgegeven vergunning, dan wel voor zover afgegeven een vergunningbewijs, zijn bestemd om daarmee als personenauto openbaar vervoer of taxivervoer te verrichten en daarvoor geheel of nagenoeg geheel worden gebruikt. De hiervoor genoemde voorwaarden en beperkingen zijn gesteld in het Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: het Besluit).

In artikel 23, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van het Besluit is bepaald dat vrijstelling van belasting wordt verleend voor motorrijtuigen die blijkens een ingevolge de Wet personenvervoer afgegeven vergunning, dan wel voor zover afgegeven een vergunningbewijs, zijn bestemd om daarmee als personenauto openbaar vervoer of taxivervoer te verrichten en daarvoor geheel of nagenoeg geheel worden gebruikt, indien een verklaring wordt overgelegd van de exploitant van het motorrijtuig dat het motorrijtuig geheel of nagenoeg geheel wordt gebruikt voor het verrichten van openbaar vervoer of taxivervoer in de zin van de Wet personenvervoer.

4.3.

Vooropgesteld moet worden dat de algemene bevoegdheid van verweerder om te weinig geheven motorrijtuigenbelasting na te heffen, berust op artikel 20 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR). Voor een aantal specifieke situaties zijn ten dele van artikel 20 van de AWR afwijkende regels gegeven.

Artikel 76, eerste lid, van de Wet MRB bepaalt dat bij constatering van het feit dat met betrekking tot een motorrijtuig ten onrechte een vrijstelling van belasting is verleend dan wel niet wordt voldaan aan de voor een vrijstelling gestelde voorwaarden, de belasting kan worden nageheven. Artikel 76, tweede lid, van de Wet MRB bepaalt dat de na te heffen belasting wordt berekend over een tijdsduur van vier aaneensluitende tijdvakken van drie maanden met als laatste tijdvak dat waarin het in het eerste lid bedoelde feit wordt geconstateerd.

Een vergelijkbare afwijking van artikel 20 van de AWR kwam voor in artikel 16 van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1966. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van die wet (Kamerstukken II 1965/66, 8445, nr. 3, blz. 7) is af te leiden dat de strekking van deze afwijking was een praktische regeling te treffen voor de bewijsmoeilijkheden waarvoor verweerder zich ziet gesteld indien hij wil naheffen in situaties waarin op enig moment wordt geconstateerd dat in verband met de aard of het gebruik van een motorrijtuig geen of te weinig belasting is betaald, zonder dat kan worden vastgesteld sinds wanneer dat het geval is. Aangenomen moet worden dat dit ook de strekking is van de in de Wet MRB opgenomen afwijkingen van artikel 20 van de AWR, zoals artikel 76, tweede lid, van de Wet MRB (HR 5 oktober 2001, nr. 36.493, BNB 2001/420).

4.4.

De rechtbank is van oordeel dat de zinsnede ‘het in het eerste lid bedoelde feit wordt geconstateerd’ in artikel 76, tweede lid, van de Wet MRB ziet op het tijdstip waarop daadwerkelijk, bijvoorbeeld naar aanleiding van een fysieke controle of een boekenonderzoek, wordt geconstateerd dat de vrijstelling ten onrechte is verleend dan wel aan de voor een vrijstelling gestelde voorwaarden niet wordt voldaan. Dit tijdstip is gelegen in het laatste tijdvak waarover ingevolge artikel 76, tweede lid, van de Wet MRB kan worden nageheven en is bepalend voor de totale periode waarover op grond van laatstgenoemde bepaling kan worden nageheven. In de jurisprudentie over artikel 69 van de Wet MRB wordt een belangrijke rol toegekend aan de controle waarbij het feit wordt geconstateerd (HR 15 juli 1997, nr. 32.454, BNB 1997/315 en HR 14 december 2001, nr. 36.575, BNB 2002/69). Met de constatering van het in artikel 76, eerste lid, van de Wet MRB bedoelde feit kan niets anders zijn bedoeld dan de gewaarwording tijdens een dergelijke controle. Hierbij neemt de rechtbank in overweging dat de rechten van de belastingplichtige uitsluitend zijn gewaarborgd indien hem bekend wordt gemaakt wanneer de constatering precies heeft plaatsgevonden, zodat hij kan controleren of de naheffingsaanslag over de juiste periode is opgelegd.

4.5.

Gelet op het hiervoor overwogene kan aan de constatering van een in het eerste lid bedoeld feit, anders dan verweerder stelt, geen terugwerkende kracht worden verleend in die zin dat die constatering wordt toegerekend aan tijdvakken die zijn gelegen vóór de termijn van twaalf maanden voorafgaand aan het tijdstip van de controle. Dat in het onderhavige geval aan de hand van de administratie van eiser wel vastgesteld had kunnen worden sinds wanneer te weinig motorrijtuigenbelasting zou zijn betaald, doet hier, gelet op de duidelijke bewoordingen van artikel 76, tweede lid, van de Wet MRB, niet aan af. Indien de wetgever een andersluidende opvatting had gehuldigd, had hij de vrijstelling van artikel 72, eerste lid, onderdeel n, van de Wet MRB kunnen uitsluiten van de werking van artikel 76, tweede lid, van de Wet MRB en aldus kunnen aanknopen bij artikel 20 van de AWR of een alternatieve regeling hieromtrent in de Wet MRB kunnen opnemen.

4.6.

De rechtbank stelt vast dat verweerder het relevante feit bij de vaststelling van de uitkomst van het boekenonderzoek, dus in juli 2004, de datum van het controlerapport, heeft geconstateerd. Op dat moment maakte verweerder het bij hem gerezen vermoeden bekend dat niet aan de voorwaarden voor de vrijstelling zou zijn voldaan en verstrekte hij alle informatie waarop dit vermoeden was gebaseerd. Het aanmerken van het tijdstip van bekendmaking van het controlerapport als tijdstip van de constatering van het feit bevordert ook de rechtszekerheid, omdat een andersluidende opvatting, gelet op het tijdsverloop van het boekenonderzoek, de belastingplichtige over dit tijdstip in het ongewisse zou laten. Het zou dan voor hem niet mogelijk zijn om te controleren of de naheffingsaanslag is opgelegd in overeenstemming met artikel 76, tweede lid, van de Wet MRB. Gelet op het tijdstip van de constatering, juli 2004, had verweerder de bevoegdheid na te heffen over vier voorafgaande tijdvakken van drie maanden, waarvan het laatste eindigde in juli 2004. Hieruit volgt dat de onderhavige naheffingsaanslagen in strijd met artikel 76, tweede lid, van de Wet MRB zijn opgelegd.

4.7.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, dienen de beroepen gegrond te worden verklaard.

5 Proceskosten

5.1.

Een toekenning van proceskosten heeft reeds plaatsgevonden bij de uitspraak op het met deze zaken samenhangende beroep van eiser met nummer AWB 06/6186, zodat voor een afzonderlijke kostenvergoeding in deze zaak geen plaats is.

5.2.

Nu aan eiser in deze zaak (vanwege de samenhang met het onder nummer 06/6192 geregistreerde beroep van eiser) geen griffierecht in rekening is gebracht, vindt het bepaalde in artikel 8:74, eerste lid, Awb in dit geval geen toepassing.

6 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroepen gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar, alsmede de naheffingsaanslagen en boetebeschikkingen.

Deze uitspraak is gedaan op 9 juni 2008 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr.E. Jochem, in tegenwoordigheid van mr.J.H.R. Massmann, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.