Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BK1661

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
24-08-2007
Datum publicatie
09-11-2009
Zaaknummer
06/11635
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Eiser heeft recht op de forfaitare afrek voor kleding en beddengoed in verband met het eczeem van zijn kinderen. De geclaimde aftrek wegens tandartskosten en kosten reisverzekering is terecht niet toegestaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2009, 2535

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/11635

Uitspraakdatum: 24 augustus 2007

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

X te Z, eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst P, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2004 een aanslag inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 27.168.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 31 oktober 2006 de aanslag gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen bij brief van 9 november 2006, ontvangen bij de rechtbank op 10 november 2006, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweer¬schrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 augustus 2007 te Haarlem.

Eiser is daar in persoon verschenen, tezamen met zijn echtgenote X-Y en bijgestaan door zijn gemachtigde B. Namens verweerder zijn verschenen C en D.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Eiser en zijn partner X-Y hebben 2 kinderen, AX geboren op 5 augustus 1998 en BX geboren op 11 februari 2002.

2.2. Eiser heeft van februari 1997 tot mei 2002 tezamen met X-Y een onderneming gedre¬ven onder de naam v.o.f. E.

2.3. Eiser heeft bezwaar aangetekend tegen de aanslag gemeentelijke belastingen 2002. Met dagtekening 6 februari 2004 wordt bij uitspraak op bezwaar de aanslag gedeeltelijk verminderd; het dan openstaande bedrag is € 247,20.

2.4. Eiser heeft aangifte IB/PVV 2004 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 23.308. Daarbij heeft hij een bedrag van € 1.937 aan nagekomen verlies uit onderneming aangegeven en een bedrag van € 1.587 aan persoonsgebonden aftrek alsmede een bedrag van € 336 aan kosten kinderopvang in aftrek gebracht.

2.5. Verweerder heeft een aanslag IB/PVV 2004 opgelegd berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 27.168. De correcties betreffen het in niet aanmerking nemen van het opgegeven nagekomen verlies uit onderneming van € 1.937 en het niet in aftrek toelaten van de persoonsgebonden aftrek alsmede de kosten kinderopvang.

3. Geschil en standpunten van partijen

In geschil is het antwoord op de vraag of de gemeentelijke belasting 2002 ten bedrage van

€ 248 aangemerkt kan worden als nagekomen kosten in 2004. Voorts houdt partijen verdeeld of en tot welk bedrag eiser recht heeft op persoonsgebonden aftrek.

4. Beoordeling van het geschil

Gemeentelijke belastingen

4.1. Ten aanzien van het in aftrek gebrachte bedrag van € 248 aan gemeentelijke belastingen heeft verweerder ter zitting verklaard dat uit de Winst en Verliesrekening over 2002 blijkt dat in dat jaar een bedrag van € 75 aan huisvestingskosten in aanmerking is genomen en dat zij derhalve akkoord gaat met een ter zake aftrekbaar bedrag van € 173 (te weten € 248 -/- € 75). De rechtbank zal verweerder hierin volgen.

Persoonsgebonden aftrek

4.2. Eiser stelt in beroep recht te hebben op een bedrag aan persoongebonden aftrek wegens buitengewone uitgaven aan ziektekosten van € 2.345. Dit bedrag bestaat uit tandartskosten van eiser, de kosten van een verzekeringspremie, een forfaitair bedrag wegens extra kosten in verband met eczeem bij beide kinderen en een forfaitair bedrag wegens aftrek chronische ziekte.

4.3. Artikel 6.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet IB 2001) luidt - voor zo¬ver van belang - als volgt:

”1. Persoonsgebonden aftrek is het gezamenlijke bedrag van:

a. de in het kalenderjaar op de belastingplichtige drukkende aftrekposten (…)

2. Persoonsgebonden aftrekposten zijn de:

(…) d. buitengewone uitgaven; (…)

3. Uitgaven als bedoeld in het tweede lid, onderdelen c, d en e worden in aanmerking genomen voor zover de belastingplichtige zich redelijkerwijs gedrongen heeft kunnen voelen tot het doen van die uitgaven.”

Artikel 6.16 van de Wet IB 2001 luidt - voor zo¬ver van belang - als volgt:

“Buitengewone uitgaven zijnde uitgaven wegens:

a. ziekte, invaliditeit en bevalling van de belastingplichtige, zijn partner, zijn jonger dan 27-jarige kinderen en tot zijn huishouden behorende ernstig gehandicapte personen van 27 jaar of ouder. (…)”

Op grond van artikel 6.17, eerste lid, onder a, van de Wet IB 2001 worden als uitgaven wegens ziekte, invaliditeit en bevalling onder meer aangemerkt de daarmee verband houden¬de uitgaven voor genees,- heel- en verloskundige hulp, met inbegrip van farmaceutische en andere hulpmiddelen en vervoer.

Tandartskosten

4.4. Vooropgesteld dient te worden dat op eiser de bewijslast rust om aannemelijk dat maken dat hij de betreffende kosten heeft gemaakt. Hiertoe heeft hij een aantal facturen van de tandarts overgelegd doch hieruit kan niet worden afgeleid of en tot welk bedrag deze kosten door de verzekering zijn vergoed. Ondanks verzoek van verweerder heeft eiser niets overgelegd – bijvoorbeeld een polis of een declaratieformulier – waaruit dit zou kunnen blijken. De rechtbank oordeelt derhalve dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij de in aftrek gebrachte kosten ook daadwerkelijk ten zijnen laste zijn gebleven. Dit betekent dat verweerder deze kosten terecht niet in aanmerking heeft genomen.

De rechtbank merkt ten overvloede nog op dat verweerder ter zitting heeft aangegeven bereid te zijn om de aanslag ambtshalve op dit punt aan te passen als eiser alsnog met een polis kan laten zien dat tandartskosten in het jaar 2004 niet werden vergoed.

Reisverzekering

4.5. Eiser heeft 50 % van de premie betaald voor een reisverzekering, als ziektekosten in aftrek gebracht. Nu een reisverzekering in het algemeen geen component voor ziektekosten bevat, en eiser ook geen stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat sprake was van een aanvullende dekking voor ziektekosten, overweegt de rechtbank dat eiser geen recht heeft op aftrek van een deel van de premie als ziektekosten.

Kleding en beddengoed

4.6. Ingevolge artikel 6.17, eerste lid, aanhef en onder d van de Wet IB 2001 worden als uitgaven wegens ziekte ook verstaan extra uitgaven voor kleding en beddengoed, volgens bij ministeriële regeling te stellen regels. Dit is nader geregeld in artikel 38 van de Uitvoeringsregeling IB 2001, welk artikel bepaalt dat indien sprake is van extra uitgaven voor kleding en beddengoed, deze worden vergoed tot een forfaitair bedrag van € 320.

De belastingplichtige dient derhalve aannemelijk te maken dat hij meer geld aan kleding en beddengoed moet besteden dan die belastingplichtigen die de betreffende ziekte niet hebben, doch in dezelfde financiële en gezinsomstandigheden verkeren.

Eisers partner heeft ter zitting verklaard dat beide kinderen dagelijks met zalf moeten worden ingesmeerd zodat elke dag beddengoed en pyjama’s moeten worden verschoond. De recht¬bank acht aannemelijk dat eiseres als gevolg hiervan meer bewassingskosten heeft. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat in het dossier een verklaring van de huisarts zit inhoudende dat beide kinderen vanaf de geboorte last hebben van eczeem en hiervoor worden behandeld door de huisarts en een dermatoloog.

De rechtbank oordeelt dat aldus voldoende aannemelijk is gemaakt dat sprake is van extra kosten voor kleding en beddengoed. Dit betekent dat eiser ten aanzien van beide kinderen recht heeft op aftrek van het forfaitaire bedrag van € 320.

Uitgaven wegens chronische ziekte van een kind

4.7. In artikel 6.22 van de Wet IB 2001 is bepaald dat een forfaitair bedrag aan uitgaven wegens chronische ziekte van een kind in aanmerking kunnen worden genomen indien de belastingplichtige in het betreffende jaar voor meer dan € 307 (bedrag geldend in 2004) aan uitgaven heeft gedaan voor kleding en beddengoed als bedoeld in artikel 6.17 sub d van de Wet IB 2001. De rechtbank is van oordeel dat eiser met enkel de ter zitting afgelegde verklaringen, zonder een verdere onderbouwing met stukken, niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij voor ieder kind in het onderhavige jaar meer dan € 307 extra heeft besteed aan kleding en beddengoed. Eiser komt derhalve niet in aanmerking voor de in artikel 6.22 van de Wet IB 2001 bedoelde aftrek.

4.8. Het belastbaar inkomen uit werk en woning - vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek - bedraagt thans € 26.995 (€ 27.160 -/- € 173). Dit betekent dat het drempelbedrag waarboven buitengewone uitgaven in aanmerking worden genomen op grond van artikel 6.24, tweede lid, sub b, van de Wet IB 2001 € 3.023,44 bedraagt (te weten 11,2 % van € 26.995). Het door eiser in aftrek te brengen bedrag aan buitengewone uitgaven is lager dan het drempelbedrag, zodat eiser geen recht heeft op de persoons¬gebonden aftrek.

5. Proceskosten

Nu het beroep gegrond is, acht de rechtbank termen aanwezig voor een veroordeling van verweerder in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb. Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht stelt de rechtbank de vergoeding vast op (2 [voor proceshandelingen] x € 322 x 1[voor het gewicht van de zaak] =) € 644.

Voorts komen voor vergoeding in aanmerking de reiskosten per tweede klasse van het openbaar vervoer die eiser heeft moeten maken om de zitting te kunnen bijwonen, te stellen op € 18. De totale vergoeding bedraagt hiermee € 662.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden uitspraak;

- vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 26.995;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een beloop van

€ 662 en wijst de Staat aan dit bedrag aan eiser te voldoen, en

- gelast de Staat het door eiser betaalde griffierecht ad € 38 aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan op 24 augustus 2007 en op dezelfde dag in het openbaar uitge¬sproken door mr. G.W.J. Harten, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M.C. Anema, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimi¬seerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.