Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BJ5596

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
04-01-2007
Datum publicatie
08-09-2009
Zaaknummer
06/5358
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2011:BU5025, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Taxi. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat auto geheel of nagenoeg geheel voor het verrichten van taxivervoer is gebruikt.

Naheffingsaanslag terecht opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/5358

Uitspraakdatum: 4 januari 2007

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

X, wonende te Z, eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst te P , verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Verweerder heeft aan eiser over het tijdvak 1 januari 1998 tot en met 4 december 1998 een naheffingsaanslag (aanslagnummer 0000.00.000.Y.8.90001) motorrijtuigenbelasting opgelegd, ten bedrage van € 1.102,--, alsmede bij beschikking een boete van € 1.102,--.

1.2. Eiser heeft tegen voormelde naheffingsaanslag en boetebeschikking een bezwaarschrift ingediend. Verweerder heeft in de bestreden uitspraak van 5 april 2006 zowel de naheffingsaanslag als de boete verminderd tot € 894,--.

1.3. Eiser is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank bij brief van 19 april 2006, ontvangen op 20 april 2006. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend en naderhand nog een tweetal aanvullingen ingezonden. Ten tijde van het opstellen van het verweerschrift heeft verweerder ambtshalve de opgelegde boete verminderd tot 50% van het nageheven bedrag, € 447,--.

Op 23 november 2006 heeft verweerder de rechtbank medegedeeld dat een eerder gedaan getuigenaanbod wordt ingetrokken.

1.4. Bij het onderzoek ter zitting van 7 december 2006 te Haarlem zijn verschenen en gehoord eiser en zijn gemachtigde A alsmede B namens verweerder, tot bijstand vergezeld van C en D. Gemachtigde heeft ter zitting een pleitnota (voorzien van een bijlage) voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij. De inhoud van deze pleitnota moet als hier ingelast worden aangemerkt. De bijlage bij de pleitnota wordt met toestemming van verweerder tot de stukken van het geding gerekend.

2. Feiten

2.1. Eiser is taxichauffeur te Q. De onderneming wordt uitgeoefend binnen een vennootschap onder firma, de medevennoot is in het onderhavige jaar E. Voor zijn onderneming beschikt eiser over een Mercedes E290 turbodiesel personenauto met kenteken XX-YY-00 (hierna: de auto). De auto heeft van 5 september 1997 tot 18 oktober 2000 op de naam van eiser gestaan. In het kader van de werkzaamheden als taxichauffeur is aan de vennootschap onder firma het taxinummer 001 toegekend.

2.2. Bij eiser is in het najaar van 2002 een boekenonderzoek ingesteld. In het naar aanleiding van dit onderzoek uitgebrachte rapport (toegevoegd als bijlage 11 bij het beroepschrift) is, voor zover hier van belang, onder punt 3.2 vermeld:

“Uit aan de Belastingdienst ter beschikking staande gegevens is gebleken dat in de auto met het kenteken XX-YY-00 een kilometertelleronderbreker is ingebouwd. Als de kilometertelleronderbreker tijdens het rijden is ingeschakeld blijven de kilometerteller, de snelheidsmeter en de dagteller normaal doorlopen. Pas na afloop van het gebruik van de onderbreker springt de kilometerstand terug naar de beginstand bij het inschakelen van de onderbreker. (…)”

Op basis van de bevindingen tijdens het boekenonderzoek heeft verweerder een naheffingsaanslag inkomstenbelasting opgelegd.

2.3. Eiser heeft kort na aanschaf van de auto op 9 september 1997 bij F (hierna: F) een taxameter en een mobilofoon in de auto laten inbouwen.

Tot de gedingstukken behoort een kopie van een bladzijde uit de bedrijfsagenda van F. Op de bladzijde van 9 september 1997 is vermeld (voor zover hier van belang):

“001 Merc E 290 inbouw meter en mob”

Tot de gedingstukken behoort voorts een factuur van F met dagtekening 9 september 1997, op naam gesteld van ‘001 Taxi G’ met als adres het woonadres van eiser, waarop het inbouwen van de taxameter en de mobilofoon in rekening wordt gebracht.

2.4. Tot de gedingstukken behoort voorts een kopie van de bladzijde van 18 september 1997 van de bedrijfsagenda van F, waarop in de visie van verweerder is vermeld (voor zover hier van belang):

“001 Diversen”

In de visie van eiser, zo heeft hij ter zitting verklaard, is het getal onduidelijk in die zin dat het tweede cijfer een 0 kan zijn maar even zo goed een ander cijfer.

2.5. Tot de gedingstukken behoren tevens twee kopieën van de bladzijden van 18 en 19 oktober 2000 van de bedrijfsagenda van F.

Op de bladzijde van 18 oktober is in de visie van verweerder vermeld (voor zover hier van belang):

“UITB DIV 001”

In de visie van eiser, zo heeft hij ter zitting verklaard, is het laatste getal onduidelijk in die zin dat het derde cijfer een 1 kan zijn maar even zo goed het cijfer 7.

Op de bladzijde van 19 oktober is in de visie van verweerder vermeld (voor zover hier van belang):

“UITBouw METER/MOB

001 Stinger H”

Zowel eiser als de eigenaar van F hebben de voornaam H. De aanduiding ‘Stinger’ ziet op de door eiser in zijn auto aangebrachte verklikker voor snelheidscontroles.

In de visie van eiser, zo heeft hij ter zitting verklaard, is onduidelijk of de aantekening moet worden gelezen als INBouw dan wel als UITBouw. Het is naar zijn mening evenzeer mogelijk dat de afspraak ziet op het inbouwen van een taxameter, mobilifoon en Stinger in de nieuwe personenauto die rond deze datum door hem is aangeschaft ter vervanging van de onder 2.1 bedoelde auto.

2.6. In diverse door verweerder overgelegde processen-verbaal van de Rijksverkeersinspectie wordt door taxichauffeurs verklaard dat een kilometertelleronderbreker (hierna: kto) in hun taxi is ingebouwd en dat dit bij 90 % van de taxi’s in Q het geval is.

2.7. In als bijlage 8 bij het verweerschrift overgelegde processen-verbaal van FIOD Vestiging Q en regiopolitie Q in verband met onderzoek naar mogelijke fraude binnen de taxibranche is door de eigenaar en medewerkers van het bedrijf dat zich bezighield met het inbouwen van taxameters onder meer verklaard:

“De omzet van de kilometertelleronderbrekers staat vaak geboekt onder balieverkoop of

diversen of handzenders, dit omdat degene die de kilometertelleronderbrekers kochten zich

niet bekend wilde maken of wilde worden... (...)

Door (...) werden er in de jaren 1997, 1998 en 1999 gemiddeld zo’n zeven kilometeronderbrekers per week ingebouwd. Zeker weten doe ik dit niet. Het kunnen er ook meer geweest zijn. In ieder geval minder dan zeven zullen het er in ieder geval niet geweest zijn.” (…)

Uit het onderzoek ingesteld naar de administratie, zoals afsprakenagenda’s en facturen, van

(---) over de jaren 1999 en 2000 is naar voren gekomen dat een afspraak voor de inbouw van een kilometertelleronderbreker in de afsprakenagenda van (---) werd geboekt onder de term “diverse”. In een later stadium werd de inbouw van kilometertelleronderbrekers veelal met geel gearceerd. Omdat men bang was dat dit op zou vallen, zijn er na verloop van tijd ook andere afspraken met geel gearceerd. (…)

(---)verklaart op 5 december 2000 over het boeken van afspraken met betrekking tot de inbouw van kilometertelleronderbrekers (pv-code V04/01): “Dit gebeurde onder andere onder de post diversen..”

en op 23 februari 2001 verklaart (---) hieromtrent (pv-code V04/04): “De omzet van de kilometerteller-onderbrekers staat vaak geboekt onder balieverkoop of diversen of handzenders, dit omdat degene die de kilometeronderbrekers kochten zich niet bekend wilde maken of wilde worden...” en: “Uit de door u getoonde agenda’s is heel moeilijk vast te stellen wat betrekking heeft op de verzwegen omzet. Dit zou dan moeten gebeuren aan de hand van de uitgeschreven bonnen. Zoals al eerder heb verklaard is de omzet alleen te halen uit de administratie vermeld onder het hoofd Diversen...”

3. Geschil

3.1. In geschil is het antwoord op de vraag aannemelijk is gemaakt dat de auto geheel of nagenoeg geheel voor het verrichten van taxivervoer is gebruikt. Voorts is in geschil of de boete terecht is opgelegd.

3.2. Voor de standpunten van partijen verwijst de rechtbank naar de stukken van het geding.

Ter zitting heeft verweerder nader het standpunt ingenomen dat het bezwaar van eiser gegrond had moeten worden verklaard voor zover dat zag op de opgelegde boete. Nu de boete eerst na het doen van de bestreden uitspraak is teruggebracht tot 50% van het nageheven bedrag is het beroep van eiser in zover gegrond en dient in de visie van verweerder het griffierecht te worden vergoed alsmede een proceskostenvergoeding te worden toegekend.

3.4. Ter zitting heeft gemachtigde, na de toezegging van verweerder dat hij de desbetreffende naheffingsaanslagen op overeenkomstige wijze ambtshalve zal verminderen indien eiser ten aanzien van de onderhavige naheffingsaanslag - in laatste ressort - geheel of gedeeltelijk in het gelijk zal worden gesteld, de volgende beroepen ingetrokken:

- motorrijtuigenbelasting met rolnummer 06/5360

- motorrijtuigenbelasting met rolnummer 06/5363

4. Beoordeling van het geschil

4.1. In artikel 1, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet MRB is bepaald dat onder de naam ‘motorrijtuigenbelasting’ een belasting wordt geheven ter zake van het houden van - onder meer - een personenauto.

Artikel 6 Wet MRB houdt in dat de belasting voor een personenauto wordt geheven van degene die bij de aanvang van een tijdvak het motorrijtuig houdt. Blijkens artikel 7, eerste lid, aanhef en onderdeel a, Wet MRB wordt een motorrijtuig gehouden door degene op wiens naam het voor het motorrijtuig opgegeven kenteken is gesteld in het kentekenregister als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel i, van de Wegenverkeerswet.

4.2. Artikel 72, eerste lid, aanhef en onderdeel n, van de Wet MRB (tekst tot en met 2000) houdt in dat vrijstelling van belasting, onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en beperkingen, wordt verleend voor motorrijtuigen die blijkens een ingevolge de Wet personenvervoer afgegeven vergunning, dan wel voor zover afgegeven een vergun¬ningbewijs, zijn bestemd om daarmee als personenauto openbaar vervoer of taxivervoer te verrichten en daarvoor geheel of nagenoeg geheel worden gebruikt. De hiervoor genoemde voorwaarden en beperkingen zijn gesteld in het Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: het Besluit).

In artikel 23, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van het Besluit is bepaald dat vrijstelling van belasting wordt verleend voor motorrijtuigen die blijkens een ingevolge de Wet personen¬vervoer afgegeven vergunning, dan wel voor zover afgegeven een vergunningbewijs, zijn bestemd om daarmee als personenauto openbaar vervoer of taxivervoer te verrichten en daarvoor geheel of nagenoeg geheel worden gebruikt, indien een verklaring wordt overge¬legd van de exploitant van het motorrijtuig dat het motorrijtuig geheel of nagenoeg geheel wordt gebruikt voor het verrichten van openbaar vervoer of taxivervoer in de zin van de Wet personenvervoer.

4.3. Eiser, die zich op het standpunt stelt dat de auto niet in privé is gebruikt, dient aannemelijk te maken dat de auto geheel of nagenoeg geheel, dat wil zeggen voor ten minste 90 procent, voor het verrichten van taxivervoer is gebruikt. Eiser ontkent hij dat een kto is ingebouwd.

4.4. Verweerder heeft de kilometeradministratie van eiser verworpen, er van uitgaande dat in de auto een kto is aangebracht. De bewijslast ten aanzien van de aanwezigheid van een kto in de auto rust, tegenover de ontkenning door eiser, op verweerder.

4.5. Na afweging van de verklaring van eiser tegen het door verweerder ingebrachte bewijs is de rechtbank tot de conclusie gekomen dat het aan de stukken te ontlenen sterke vermoeden dat een kto is ingebouwd, door eiser onvoldoende gemotiveerd is weersproken.

De omstandigheden - op zich en in onderlinge samenhang bezien - die tot dit oordeel hebben geleid zijn de volgende:

- Zoals onder 2.6 beschreven hebben taxichauffeurs verklaard dat in en omstreeks 1998 op ruime schaal kto’s zijn ingebouwd in taxi’s.

- Uit de onder 2.7 vermelde door de eigenaar en medewerkers van het taxameterinbouwbedrijf afgelegde verklaringen blijkt dat het vanaf 1997 tot de gebruikelijke werkzaamheden van F behoorde om naast taxameters kto’s in te bouwen, en deze werkzaamheden in de afsprakenagenda werden omschreven als ‘diversen’.

- De vermeldingen in de agenda van F, zoals onder 2.3 tot en met 2.5 weergegeven, van te verrichten werkzaamheden.

Tussen partijen is niet in geschil dat de aantekening in de agenda van 9 september 1997 ziet op uit te voeren reguliere werkzaamheden aan de auto van eiser, zoals het inbouwen van de mobilofoon en taxameter, waarvoor vervolgens bij factuur met dezelfde datum de kosten in rekening worden gebracht.

De rechtbank is voorts van oordeel dat de aantekening in de agenda van 18 september 1997 moet worden gelezen als “001 Diversen”, overeenkomstig het standpunt van verweerder. Aan eiser kan worden toegegeven dat het tweede cijfer wat minder duidelijk is maar niet zo onduidelijk dat er geen 0 in kan worden gelezen terwijl er geen ander cijfer is dat redelijkerwijs in de aantekening kan worden gelezen.

De rechtbank gaat er daarbij van uit, mede gelet op de afgelegde verklaringen van eigenaar en medewerkers van F, dat de gebruikte afkorting ‘Diversen’ ziet op het aanbrengen van een kto in de auto.

4.6. Het oordeel van de rechtbank vindt bevestiging in de twee kopieën van de bladzijden van 18 en 19 okto¬ber 2000 van de bedrijfsagenda van F.

Anders dan eiser is de rechtbank van oordeel dat de aantekening op 19 oktober moet worden gelezen als “UITBouw METER/MOB 001 Stinger H” waarbij de aantekening ziet op een afspraak om de taxameter en de mobilofoon te laten uitbouwen om op een later moment te laten inbouwen in de nieuw aangeschafte personenauto. Eiser heeft voor zijn vermoeden dat de aantekening ziet op de inbouw van de taxameter, mobilofoon en Stinger in de door hem nieuw aangeschafte personenauto, geen begin van bewijs aangedragen terwijl hij beschikt over de administratie waarin toch de factuur van F voor deze werkzaamheden aanwezig moet zijn.

Voorts is de rechtbank, wederom anders dan eiser, van oordeel dat de aantekening op 18 oktober moet worden gelezen als “UITB DIV 001” waarbij ‘DIV’ in dit geval ziet op het uitbouwen van een eerder aangebrachte kto in de auto in verband met de verkoop van de auto. Niet valt in te zien dat de aantekening ziet, zoals door eiser gesteld, op andersoortige werkzaamheden die in de agenda eenvoudigheidshalve of kortheidshalve als diverse werkzaamheden worden aangeduid. Eiser heeft op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat als er al sprake zou zijn geweest van diverse werkzaamheden, anders dan het uitbouwen van een kto, dit niet op praktische wijze gelijktijdig met de werkzaamheden op 19 oktober konden worden uitgevoerd.

De rechtbank volgt, mede gelet op de verklaringen van de eigenaar en medewerkers van F, de visie van verweerder dat het bij werkzaamheden aan de kto om gespecialiseerde activiteiten gaat (uit te voeren door een aparte freelance-medewerker) die niet goed gecombineerd kunnen worden met de reguliere werkzaamheden zoals het uitbouwen van een taxameter en mobilofoon (uit te voeren door het reguliere werkplaatspersoneel) zodat voor beide activiteiten een aparte afspraak gemaakt diende te worden.

4.7. De rechtbank acht - gelet op het inbouwen van een kto en de met deze inbouw gepaard gaande kosten, kort na aankoop van de onderhavige auto en ingebruikname als taxi - het voorts aannemelijk en gaat er van uit dat de kto na inbouw is gebruikt om een deel van de door de auto verreden kilometers niet door de kilometerteller te laten registreren.

4.8. Eiser heeft zijn omzet verantwoord op basis van de door ingevulde rittenkaarten waarop vermeld de omzet van de diverse tijdens een dienst verreden ritten. De rittenkaarten zijn ingevuld aan de hand van de aanwezige taxameter, die steeds na afloop van de dienst handmatig op nul werd gezet. Eiser stelt dat vervolgens het totaal van de per dag verreden kilometers werd opgeteld bij de beginstand op de kaart, tevens de eindstand van de vorige dienst.

Een dergelijke wijze van administreren aan de hand van een geijkte taxameter is in beginsel aanvaardbaar indien de aldus verreden en op de rittenkaarten genoteerde kilometers zijn aan te sluiten op de stand van de in de auto aanwezige kilometerteller en voorts de kilometerstand objectief controleerbaar is door aansluiting op door derden, zoals garagebedrijven, vastgelegde kilometertellerstanden.

Nu aan de stand van aanwezige kilometerteller, zoals hierboven overwogen, geen waarde kan worden gehecht kan de door eiser gevoerde administratie niet dienen als bewijs dat de auto op jaarbasis voor minder dan 10% voor privé-doeleinden wordt gebruikt, nog daargelaten dat de op basis van de taxameter bijgehouden kilometeradministratie ten opzichte van de door de garage genoteerde standen niet afdoende verklaarde verschillen vertoont.

4.9. Aangezien geen ander bewijs met betrekking tot het gebruik van de auto aanwezig is, leidt dit tot de conclusie dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de auto geheel of nagenoeg geheel voor het verrichten van taxivervoer is gebruikt.

Op grond van hetgeen is bepaald in artikel 76 van de Wet MRB heeft verweerder de in het geding zijnde naheffingsaanslagen derhalve terecht vastgesteld.

4.10. Artikel 77 van de Wet MRB bepaalt dat in het geval van artikel 76 van de Wet MRB artikel 37 van die wet van overeenkomstige toepassing is. Nu in voormeld artikel 37 onder meer is bepaald dat artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) van toepassing is. Op grond van laatstgenoemd artikel is in een geval als het onderhavige sprake van een verzuim ter zake waarvan verweerder eiser een boete van ten hoogste € 4.537,-- kan opleggen.

Verweerder heeft de boete uiteindelijk verminderd tot 50% van het nageheven bedrag en heeft hij aldus rekening gehouden met het repeterende karakter daarvan in diverse met de onderhavige naheffingsaanslag samenhangende zaken. De rechtbank acht de resterende boete van 50% van de na te heffen belasting onder de gegeven omstandigheden passend en geboden.

4.11. Het beroep van eiser is in zoverre gegrond dat, overeenkomstig het ter zitting nader door verweerder ingenomen standpunt, de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven nu de boete daarin de nog niet is verminderd tot 50% van het nageheven bedrag.

5. Proceskosten

Voor een vergoeding voor een afzonderlijke proceskostenveroordeling is in deze zaak geen plaats, gelet op de in de samenhangende zaak met nummer 05/1514 toegekende veroordeling van verweerder in de proceskosten.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond voor zover gericht tegen de boete;

- vernietigt in zoverre de uitspraak van verweerder en verlaagt de opgelegde boete tot 50% van het nagevorderde bedrag, voor zover dat al niet door verweerder ambtshalve is gedaan.

- gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiser betaalde griffierecht van € 38,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 4 januari 2007 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door dr. mr. A.M. van Amsterdam, in tegenwoordigheid van mr. C.J. Loggen - ten Hoopen, griffier.

Afschrift

verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam, dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast in acht te worden genomen dat bij het beroepschrift een schriftelijke verklaring van de wederpartij wordt gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank.