Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BI1703

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
07-08-2007
Datum publicatie
21-04-2009
Zaaknummer
06/11762, 06/11763, 06/11764 en 06/11765
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij betalingen aan de ex-echtgenote heeft gedaan die aangemerkt zouden moeten worden als in rechte vorderbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen die berusten op een dringende morele verplichting tot voorziening in het levensonderhoud.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2009/1036

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/11762/11763/11764/11765

Uitspraakdatum: 7 augustus 2007

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

X, wonende te Z (Frankrijk), eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst te P, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Met dagtekening 24 april 2004 heeft verweerder aan eiser voor de jaren 1998 tot en met 2001 navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd.

Met brieven van 2 juni 2004, die op dezelfde dag door verweerder zijn ontvangen, is namens eiser bezwaar gemaakt tegen de navorderingsaanslagen.

Bij uitspraak van 2 oktober 2006 heeft verweerder de bezwaren afgewezen.

Tegen deze uitspraak is namens eiser een op 9 november 2006 gedagtekend beroepschrift ingediend dat de rechtbank op 13 november 2006 heeft ontvangen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juni 2007 te Haarlem alwaar eiser in persoon is verschenen tezamen met zijn gemachtigden, A en B. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door C en D.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Eiser en diens ex-echtgenote zijn in 1994 gescheiden.

2.2. Na de echtscheiding is de ex-echtgenote naar Frankrijk vertrokken terwijl eiser zijn hoofdverblijf in Nederland behield. In 1994 is er een alimentatie overeengekomen van ƒ 45.000 per jaar. Op 27 december 1994 hebben eiser en de ex-echtgenote een echtscheidingsconvenant gesloten waarin is overeengekomen dat eiser de alimentatieverplichting aan zijn ex-echtgenote afkoopt voor een bedrag van ƒ 395.375. In de bijlage bij het echtscheidingsconvenant is bepaald dat het netto huwelijksvermogen

ƒ 430.861 bedraagt en dat zowel eiser als de ex-echtgenote hierin ieder voor ƒ 215.431 is gerechtigd.

2.3. Uit de bijlage bij het echtscheidingsconvenant blijkt dat het huwelijksvermogen als volgt is verdeeld. Het woonhuis in Z (waarde ƒ 305.000), antiquiteiten (waarde: ƒ 125.000) en weduwenpensioenrechten (waarde: ƒ 102.261) zijn toegescheiden aan de ex-echtgenote. Alle overige activa en passiva zijn toegescheiden aan eiser. De overbedeling van de ex-echtgenote in het huwelijksvermogen bedroeg derhalve ƒ 316.830 (ƒ 532.261 – ƒ 215.431). Eiser is een bedrag van ƒ 78.544 (ƒ 395.375 – ƒ 316.831) schuldig gebleven. Voorts blijkt uit de bijlage bij het echtscheidingsconvenant dat eiser de hypothecaire geldlening op het woonhuis te Z voor zijn rekening neemt.

2.4. In 1997 is voor dat betreffende jaar een aanvullend alimentatiebedrag overeengekomen van ƒ 20.000 en voor de jaren 1998 tot en met 2000 een bedrag van ƒ 15.000. In de aanvullende overeenkomst met betrekking tot de aanvullende alimentatiebedragen heeft eiser het voorbehoud gemaakt dat hij vrij is om de overeengekomen bedragen aan te passen. Voorts is in 2001 een aanvullende overeenkomst gesloten tussen eiser en de ex-echtgenote waarbij voor het jaar 2001 een aanvullend alimentatiebedrag is overeengekomen van

€ 9.089, voor het jaar 2002 een bedrag van € 10.645 en voor het jaar 2003 een bedrag van € 11.000.

2.5. Op 24 februari 2003 heeft een boekenonderzoek plaatsgevonden bij E BV en F BV. Eiser heeft alle aandelen van voornoemde vennootschappen. Met dagtekening 29 maart 2004 is van dit onderzoek een rapport opgemaakt.

2.6. Naar aanleiding van dit boekenonderzoek heeft verweerder in een intern memo onder meer het volgende opgenomen.“Veel duidt erop dat er nog steeds sprake is van samenleving en dat er slechts een aftrekpost is gecreeerd.” Verweerder noemt als aanwijzingen die wijzen op samenleving – zakelijk weergegeven – de volgende:

- Eiser verblijft, indien hij niet in Nederland werkzaam is voor zijn onderneming, bij zijn ex-echtgenote in Frankrijk;

- De ex-echtgenote heeft de volledige beschikkingsbevoegdheid over zijn banktegoeden en die van de ondernemingen;

- De ex-echtgenote noemt zich nog steeds mevrouw Z;

- Bankafschriften worden geadresseerd aan het woonadres van de ex-echtgenote in Frankrijk;

- Er is eerder gesproken over verplaatsing van de onderneming naar Frankrijk;

- De bij echtscheiding door overbedeling ontstane schuld van eiser aan zijn ex-echtgenote is sinds 1994 onveranderd gebleven;

- De ex-echtgenote verblijft regelmatig op eisers adres in Nederland;

- Eiser betaalt de ziektekostenverzekering van de ex-echtgenote;

- De ex-echtgenote rijdt een Chrysler Voyager van meer dan ƒ 100.000 die op naam staat van eiser.

2.7. Sinds het najaar van 2005 wonen eiser en de ex-echtgenote samen in Frankrijk.

3. Geschil

3.1. In geschil is of eiser voor de jaren 1998 tot en met 2000 recht heeft op aftrek in verband met persoonlijke verplichtingen als bedoeld in artikel 30, eerste lid onderdeel c, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: Wet IB 1964). Voorts is in geschil of eiser voor het jaar 2001 recht heeft op aftrek in verband met onderhoudsverplichtingen als bedoeld in artikel 6.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001).

3.2. Eiser heeft – samengevat en zakelijk weergegeven – aangevoerd dat hij en zijn ex-echtgenote in 1994 feitelijk zijn gescheiden en vanaf dat moment ieder hun eigen leven zijn gaan leiden. Voorts stelt eiser dat hij en zijn ex-echtgenote na de scheiding nog wel contact hadden via de kinderen, dat hij zijn hoofdverblijf, werk en leven in de jaren 1998 tot en met 2001 in Nederland had, dat de ex-echtgenote geen beschikkingsbevoegdheid en/of een pinpas had van de bankrekeningen van eiser of de ondernemingen, dat er weliswaar een en/of-rekening was waarbij ook de naam van de ex-echtgenote was vermeld, maar dat de ex-echtgenote niet over het saldo kon beschikken, dat het niet ongebruikelijk is dat een ex-echtgenote zich na 40 jaar huwelijk nog wel eens haar mans naam gebruikt, dat de bankafschriften van eiser of de ondernemingen niet aan het adres in Frankrijk geadresseerd waren, maar dat eiser gedurende de periode van half 2000 tot en met 2001 wel beschikte over een postbus in Frankrijk, dat nooit over een eventuele verplaatsing van de onderneming naar Frankrijk is gesproken, gedacht of geschreven, dat de ex-echtgenote niet regelmatig op het adres van eiser in Nederland verbleef, maar dat zij wel enige malen in Nederland bij de kinderen is verbleven in verband met procedures voor de rechtbank en het gerechtshof, dat eiser de ziektekostenverzekeringspremie van de ex-echtgenote als alimentatie betaalt, dat de Chrysler Voyager voor een lager bedrag is aangeschaft en dat de ex-echtgenote daar niet in rijdt. Tevens stelt eiser dat hij wel eens in Frankrijk was, met name om te klussen aan het huis waar de kinderen in 1997 eigenaar van waren geworden, maar dat het niet zo was dat hij in Frankrijk verbleef wanneer hij in Nederland niet hoefde te werken. Verder stelt eiser dat hij zich moreel verplicht voelde, naast de overbedelingsschuld, een onderhoudsverplichting als natuurlijke verbintenis na te komen omdat het overgedragen antiek minder waard bleek dan aanvankelijk getaxeerd. Eiser stelt dat hij geen vaste maandelijkse bancaire betalingen aan de ex-echtgenote in Frankrijk heeft gedaan vanwege de kosten van grensoverschrijdende betalingen. In plaats daarvan heeft eiser de bedragen in contanten gegeven. In het najaar van 2005 heeft hij zich met zijn ex-echtgenote verzoend en wonen zij samen in het huis in Frankrijk.Ten slotte stelt eiser dat hij ten onrechte niet is gehoord. Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de belastingaanslagen.

3.3. Verweerder stelt zich – samengevat en zakelijk weergegeven – op het standpunt dat de samenleving tussen eiser en de ex-echtgenote niet verbroken is geweest, dat er geen dringende morele verplichting voor eiser was om in het levensonderhoud van de ex-echtgenote te voorzien omdat er nog een overbedelingsschuld was die uitgewonnen had kunnen worden en dat eiser niet kan aantonen dat de alimentatiebedragen daadwerkelijk betaald zijn. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Voor de jaren 1998 tot en met 2000 bepaalde artikel 30, eerste lid onderdeel c, van de Wet IB 1964 het volgende:

“Inkomsten in de vorm van bepaalde periodieke uitkeringen en verstrekkingen zijn de niet als winst uit onderneming, als winst uit aanmerkelijk belang of als inkomsten uit arbeid aan te merken periodieke uitkeringen en verstrekkingen welke anderszins in rechte vorderbaar zijn - niet zijnde de als inkomsten uit vermogen te beschouwen periodieke uitkeringen en verstrekkingen die de tegenwaarde voor een prestatie vormen - tenzij de genieter bloed- of aanverwant in de rechte lijn of in de tweede graad van de zijlijn dan wel pleegkind is van de schuldenaar of behoort tot het huishouden van de schuldenaar.”

4.2. Ingevolge artikel 45, eerste lid, aanhef en onderdeel d, van de Wet IB 1964 (versie 1998-2000) zijn persoonlijke verplichtingen periodieke uitkeringen en verstrekkingen als zijn bedoeld in artikel 30, eerste lid, onderdeel c, die berusten op een wettelijke verplichting tot vergoeding van schade door het derven van levensonderhoud dan wel op een dringende morele verplichting tot voorziening in het levensonderhoud. Daarbij geldt als voorwaarde voor aftrekbaarheid dat partijen de tussen hen bestaande natuurlijke verbintenis hebben versterkt tot een in rechte afdwingbare verbintenis (MvT bij de Wet van 30 december 1983, Stb. 689, Kamerstukken II 1980/81, nr. 3, p. 17).

4.3. Artikel 6.3, eerste lid onderdeel f, van de Wet IB 2001 luidde in het jaar 2001 als volgt:

“Onderhoudsverplichtingen zijn in rechte vorderbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen die berusten op een dringende morele verplichting tot voorziening in het levensonderhoud.”

4.4. Het in artikel 30, eerste lid, letter c, in verbinding met artikel 45, eerste lid, aanhef en onderdeel d, van de Wet IB 1964 en in artikel 6.3, eerste lid onderdeel f, juncto artikel 6.4, eerste lid onderdeel b, van de Wet IB 2001 voor de aftrek van periodieke uitkeringen gestelde vereiste dat degene aan wie deze uitkeringen worden verstrekt niet tot het huishouden van de belastingplichtige behoort (duurzaam gescheiden van hem leeft) dient volgens vaste jurisprudentie aldus te worden verstaan dat van duurzaam gescheiden eerst kan worden gesproken op het tijdstip waarop de toestand is ingetreden dat beide echtgenoten ieder hun eigen leven leiden als waren zij niet gehuwd, terwijl die situatie door hen beiden, althans één van hen, als bestendig is bedoeld (vgl. Hoge Raad 10 februari 1960, BNB 1960/80). Conform vaste jurisprudentie is de feitelijke situatie beslissend voor de vraag of de toestand van duurzaam gescheiden leven aanwezig is.

4.5. De bewijslast dat sprake is van in rechte vorderbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen die berusten op een dringende morele verplichting tot voorziening in het levensonderhoud rust op eiser evenals de bewijslast dat daadwerkelijk betalingen zijn verricht. De bewijslast dat de samenleving tussen eiser en de ex-echtgenote niet verbroken is geweest rust op verweerder.

4.6. Het in art. 45, eerste lid, onderdeel d, van de Wet IB 1964 en thans in artikel 6.3, eerste lid, onderdeel f, van de Wet IB 2001 gebruikte begrip “dringende morele verplichting” is blijkens de wetsgeschiedenis op te vatten als natuurlijke verbintenis als bedoeld in art. 6:3, tweede lid, onderdeel b, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).

4.7. Artikel 6:3 BW luidt als volgt:

“1. Een natuurlijke verbintenis is een rechtens niet- afdwingbare verbintenis.

2. Een natuurlijke verbintenis bestaat:

a. wanneer de wet of een rechtshandeling aan een verbintenis de afdwingbaarheid onthoudt;

b. wanneer iemand jegens een ander een dringende morele verplichting heeft van zodanige aard dat naleving daarvan, ofschoon rechtens niet afdwingbaar, naar maatschappelijke opvattingen als voldoening van een aan die ander toekomende prestatie moet worden aangemerkt.”

4.8. Eiser beroept zich op onderdeel b van het tweede lid. Volgens vaste rechtspraak moet de vraag of van een morele verplichting als bedoeld in artikel 6:3 BW sprake is, worden beantwoord naar objectieve maatstaven en niet naar subjectief inzicht (vgl. Hoge Raad 15 september 1995, nr. 15768, NJ 1996, 616).

4.9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser met hetgeen hij heeft gesteld niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een morele verplichting als bedoeld in artikel 6:3 BW. Wellicht voelde eiser zich persoonlijk gedrongen de bedragen ten behoeve van de ex-echtgenote te schenken nu het antiek van de ex-echtgenote minder waard bleek dan waar zij vanuit was gegaan. Een morele verplichting van zodanige aard dat naleving daarvan naar maatschappelijke opvattingen als voldoening van een aan de ex-echtgenote toekomende prestatie is aan te merken, acht de rechtbank evenwel niet aanwezig. Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat uit het echtscheidingsconvenant blijkt dat de ex-echtgenote uit het huwelijksvermogen goederen zou ontvangen met een totale waarde van ƒ 532.261 en dat zij daarnaast nog een substantiële vordering op eiser had die zij had kunnen opeisen. Gelet op de waarde van de goederen waarover de ex-echtgenote kon beschikken, maar vooral gezien de substantiële vordering die zij nog op eiser had, is de rechtbank van oordeel dat van een naar objectieve maatstaven te beoordelen reële behoefte aan ondersteuning geen sprake is dan wel – vanuit het standpunt van eiser bezien – dat van een dringende verplichting in het levensonderhoud van de ex-echtgenote te voorzien niet kan worden gesproken.

4.10. Maar ook als, in afwijking van het vorenoverwogene, zou moeten worden geoordeeld dat eisers betalingen wel op een dringende morele verplichting tot voorziening in het levensonderhoud van de ex-echtgenote berustten, is de rechtbank van oordeel dat eiser onvoldoende heeft aannemelijk heeft gemaakt dat een dergelijke natuurlijke verbintenis door de ex-echtgenote rechtens afdwingbaar was. Eiser heeft weliswaar gesteld dat de ex-echtgenote de door eiser toegezegde betalingen kon afdwingen, maar nu de juistheid van eisers stelling niet uit de gedingstukken blijkt en verweerder eisers stelling gemotiveerd betwist heeft, had het op de weg van eiser gelegen zijn stelling ter zitting of anderszins nader te onderbouwen. Nu eiser dit niet heeft gedaan, gaat de rechtbank aan deze (blote) stelling van eiser voorbij.

4.11. Evenmin acht de rechtbank eiser geslaagd in de op hem rustende bewijslast dat de door hem als aanvullende alimentatie aangemerkte bedragen daadwerkelijk aan de ex-echtgenote zijn betaald. Tot de gedingstukken behoren weliswaar een lijst waarop data van geldopnamen zijn vermeld, een verklaring van ontvangst bedragen 1998-2001 van de ex-echtgenote alsmede een aangifte inkomstenbelasting van de ex-echtgenote, maar deze stukken tonen geenszins overtuigend aan dat eiser ook daadwerkelijk de door hem opgevoerde bedragen aan de ex-echtgenote heeft betaald.

4.12. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij betalingen aan de ex-echtgenote heeft gedaan die aangemerkt zouden moeten worden als in rechte vorderbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen die berusten op een dringende morele verplichting tot voorziening in het levensonderhoud. De vermeende betalingen van eiser aan zijn ex-echtgenote komen dan ook niet in aanmerking voor aftrek als persoonlijke verplichting in de zin van de Wet IB 1964 of als onderhoudsverplichting in de zin van de Wet IB 2001. De rechtbank komt daarom thans niet meer toe aan het antwoord op de vraag of eiser en de ex-echtgenote duurzaam gescheiden leefden als bedoeld in artikel 30, eerste lid, letter c, in verbinding met artikel 45, eerste lid, aanhef en onderdeel d, van de Wet IB 1964 dan wel artikel 6.3, eerste lid onderdeel f, juncto artikel 6.4, eerste lid onderdeel b, van de Wet IB 2001.

4.13. Tot slot kan de rechtbank eiser niet volgen in zijn, eerst ter zitting ingenomen, stelling dat hij niet gehoord is. Op grond van artikel 25, vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen juncto artikel 7:2 van de Awb, kan een belanghebbende op zijn verzoek worden gehoord. Uit de gedingstukken blijkt dat eiser tezamen met zijn toenmalige gemachtigde, G, op 1 december 2004 gehoord is door verweerder en daar zijn argumenten naar voren heeft gebracht. Van dit hoorgesprek is een verslag opgemaakt. Nu dit hoorgesprek heeft plaatsgevonden nadat eiser een bezwaarschrift had ingediend en vóórdat op het bezwaar is beslist, is de rechtbank van oordeel dat de hoorplicht, als bedoeld in artikel 7:2 van de Awb, niet geschonden is. Uit het verslag van het hoorgesprek blijkt weliswaar dat eiser graag een vervolggesprek wilde waarbij ook de vennootschapsbelasting zou worden betrokken, maar er is geen rechtsregel die verweerder verplicht eiser wederom te horen. Dat neemt echter niet weg dat de rechtbank zich kan voorstellen dat eiser zich over het niet doorgaan van het tweede hoorgesprek beklaagt en dat dit bij hem wrevel heeft opgeroepen.

Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 7 augustus 2007 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. H.A.M. Röell-Mulder, rechter, in tegenwoordigheid van mr. P.T. van Arnhem, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.