Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BI1690

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
05-07-2007
Datum publicatie
11-05-2009
Zaaknummer
07/0119
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkstelling: de beschikking tot aansprakelijkstelling voldoet aan de daarvoor gestelde

vereisten. Eiser is op goede gronden aansprakelijk gesteld voor de naheffingsaanslag omzetbelasting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2009, 1151

Uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 07/0119

Uitspraakdatum: 5 juli 2007

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

X te Z, eiser,

en

de ontvanger van de Belastingdienst te P, verweerder.

07/119

Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft eiser bij beschikking met dagtekening 11 augustus 2006 aansprakelijk gesteld voor de door de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid A B.V. over het vierde kwartaal van 2001 verschuldigde omzetbelasting, vermeerderd met kosten en boeten, ten bedrage van in totaal € 57.915.

Bij uitspraak op bezwaar van 17 november 2006 heeft verweerder de aansprakelijkstelling gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen bij brief van 11 december 2006, ontvangen bij de rechtbank op diezelfde datum, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft, na daartoe door de rechtbank in de gelegenheid te zijn gesteld, schriftelijk gerepliceerd, waarna verweerder schriftelijk heeft gedupliceerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juni 2007 te Haarlem. Eiser is daar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde B. Namens verweerder is verschenen C.

Tussen partijen vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1. Eiser is directeur van de besloten vennootschap D B.V. (verder te noemen: de holding). De holding is directeur-enig aandeelhouder van A B.V. (verder te noemen: de vennootschap).

2.2. Aan de vennootschap is over het vierde kwartaal van 2001 met dagtekening 27 februari 2002 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd (aanslagnummer 000) wegens niet (volledige) betaling op aangifte ten bedrage van ƒ 4.187 (€ 1.900), met een verhoging van ƒ 41 (€ 19) (totaal ƒ 4.228 (€ 1.919)).

2.3. Namens de vennootschap is op een formulier "Aangifte Omzetbelasting" met dagtekening 14 maart 2002 opgave gedaan van de over het vierde kwartaal 2001 verschuldigde omzetbelasting ten bedrage van ƒ 126.346. Op het formulier is voorgedrukt: "Aangifte en betaling moeten uiterlijk binnen zijn op 31 januari 2002". Dit bedrag is niet door de vennootschap voldaan.

2.4. Zowel de holding als de vennootschap zijn bij rechterlijk vonnis van 19 maart 2002 in staat van faillissement verklaard. De ondernemingsactiviteiten zijn per die datum gestaakt.

2.5. In het dossier bevindt zich een brief van eiser van 14 maart 2002, waarin hij ter zake van aanslagnummer 000 betalingsonmacht meldt.

2.6. In het dossier bevindt zich voorts een brief van eiser van - naar de rechtbank begrijpt - 18 maart 2002 aan de Belastingdienst Ondernemingen te Q, waarin ter zake van de aangegeven omzetbelasting over het vierde kwartaal van 2001 (aangiftenummer 000) melding van betalingsonmacht wordt gedaan.

2.7. Verweerder heeft eiser bij brief van 19 maart 2002 meegedeeld dat de op diezelfde datum ontvangen melding van 14 maart 2002 niet rechtsgeldig is, omdat deze niet binnen de gestelde termijn van 14 dagen na de dag waarop op grond van artikel 19 Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) de verschuldigde belasting behoorde te zijn afgedragen of voldaan, is ontvangen.

2.8. Naar aanleiding van de onder 2.3 genoemde opgave van 14 maart 2002 heeft verweerder met dagtekening 24 april 2002 aan de vennootschap een tweede naheffingsaanslag omzetbelasting over het vierde kwartaal van 2001 opgelegd (aanslagnummer 8094.39.451.F011301) wegens niet (volledige) betaling op aangifte, ditmaal ten bedrage van ƒ 122.159 (€ 55.433), met een verhoging van ƒ 1.221 (€ 554) (totaal: ƒ 123.380 (€ 55.987)). De verhoging betreft een verzuimboete wegens te late indiening van de aangifte. Het betreft een eerste verzuim.

2.9. Bij beschikking van 11 augustus 2006 heeft verweerder eiser als middellijk bestuurder van de vennootschap aansprakelijk gesteld voor beide hiervoor genoemde, onbetaald gebleven aanslagen, alsmede de in de aanslagen begrepen heffingsrente en de boete, en de met de aanslagen verband houdende kosten en invorderingsrente, deze laatste vanaf de vervaldag van de aanslagen tot de dag waarop (geheel) zal zijn betaald, een en ander in totaal een bedrag van € 57.915 (€ 1.919 + € 9 aan kosten + € 55.987). Een nadere specificatie van dit bedrag is als bijlage bij de aansprakelijkstelling gevoegd.

2.10. Het faillissement van de vennootschap is bij vonnis van 26 september 2006 opgeheven wegens gebrek aan baten.

2.11. Voor zover voor de beoordeling van deze zaak verder van belang heeft eiser ter zitting van 7 juni 2007 nog het volgende - zakelijk weergegeven - verklaard:

De betalingsonmacht is pas ontstaan op 14 maart 2002. Toen is ook direct gemeld. Daarvoor was er altijd voldoende geld op de bankrekening. Mijn vader had een administratiekantoor en verzorgde de aangiften en betalingen van onder meer de verschuldigde belastingen van de vennootschap. Hij deed het financiële/administratieve werk van de onderneming. Ik hield me meer met de onderneming zelf bezig. Ik kan geen antwoord geven op de vraag waarom er niet tijdig aangifte is gedaan en/of betaald en ik wil daar eigenlijk ook niet op ingaan. Daarvoor moet u bij mijn vader zijn.

Geschil

3.1. Partijen verschillen van mening over de vraag of de beschikking tot aansprakelijkstelling aan de daarvoor geldende formele vereisten voldoet. Wat de omvang van de aansprakelijkstelling betreft zijn partijen het er over eens dat eiser aansprakelijk is voor de naheffingsaanslag met verhoging met dagtekening 27 februari 2002. Zij verschillen van mening over de vraag of eiser tevens al dan niet op goede gronden aansprakelijk is gesteld voor de tweede naheffingsaanslag met dagtekening 24 april 2002, met verhoging en kosten.

3.2.1. Eiser concludeert primair tot gegrondverklaring van het beroep en vernietiging van de uitspraak op bezwaar en de primaire beschikking. Hij stelt dat de aansprakelijkstelling niet aangetekend aan hem is verzonden, terwijl de wet dat wel voorschrijft, en dat daarin geen adres van de belastingschuldige is vermeld. Vanwege deze gebreken kan de aansprakelijkstelling niet in stand blijven.

3.2.2. Subsidiair wijst eiser er op dat het verzuim van het niet indienen van een aangifte niet meer kan worden goedgemaakt als eenmaal ambtshalve een aanslag is opgelegd. Eiser restte dus niets anders dan het indienen van een bezwaarschrift tegen de ambtshalve aanslag. Als zodanig moet dan ook de alsnog ingediende aangifte worden aangemerkt. Gelijktijdig met het bezwaarschrift is er ter zake van de aangifte betalingsonmacht gemeld: eiser meent dat dat in die omstandigheden tijdig is gedaan.

3.2.3. Eiser stelt voorts dat de termijn van artikel 7, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Invorderingswet 1990 (verder te noemen: het Uitvoeringsbesluit) hier niet aan de orde is, aangezien niet is voldaan aan de voorwaarde van artikel 19 AWR dat betaald had moeten worden overeenkomstig de ingediende aangifte. Er is immers geen aangifte ingediend. De tweede naheffingsaanslag is vervolgens opgelegd naar aanleiding van het door eiser ingediende bezwaarschrift. Dit kan daarom ook als een verzoek tot het opleggen van een naheffingsaanslag worden gezien, dus als suppletie-aangifte. Zou eiser dat niet hebben gedaan, dan was het bij het eerste bedrag van ƒ 4.228 gebleven. Een boete is bij een suppletie-aangifte niet aan de orde. Eiser meent verder, uitgaande van de vervaldag van de tweede naheffingsaanslag van 8 mei 2002, dat in beginsel nog tot 14 dagen daarna kon worden gemeld. De melding van 14 maart 2002 was dus op tijd. De meldingsverplichting is vervolgens door het faillissement van de vennootschap op 19 maart 2002 vanaf die datum komen te vervallen.

3.2.4. Eiser stelt zich verder op het standpunt dat hij ten aanzien van de tweede naheffingsaanslag niets meer kon ondernemen, aangezien hij door het faillissement niet langer bestuurder van de vennootschap was en de aanslag hem overigens ook niet door de curator is toegezonden. Evenmin is hij ten aanzien van deze schuld op enig moment in gebreke gesteld. Een ingebrekestelling van de vennootschap ontbreekt ook. Verder stond er genoeg op de faillissementsrekening om de openstaande belastingschuld te betalen, dus staat niet vast dat de aanslag niet betaald zou worden of dat de vennootschap op enig moment in gebreke was met het voldoen van de aanslag. Bovendien heeft eiser de curator al afgekocht voor € 15.000 ter zake van bestuurdersaansprakelijkheid. Eiser mocht er daarom van uit gaan dat hij niet alsnog door de fiscus zou worden aangesproken.

3.2.5. Eiser meent op grond van een en ander subsidiair dat de aansprakelijkstelling dient te worden teruggebracht tot het bedrag van de naheffingsaanslag van ƒ 4.228.

3.3.1. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep. Op grond van het ter zake in de wet bepaalde moest de vennootschap binnen één maand na het einde van het vierde kwartaal van 2001 - dus uiterlijk op 31 januari 2002 - aangifte hebben gedaan van de over dat kwartaal verschuldigd geworden omzetbelasting en overeenkomstig die aangifte hebben betaald. Dat is niet gebeurd.

3.3.2. De Hoge Raad heeft reeds bepaald dat een belastingplichtige vennootschap in het systeem van de wet slechts twee wegen openstaan ter zake van een opgelegde belastingaanslag: betalen of betalingsonmacht melden. Betalingsonmacht had binnen twee weken na het verstrijken van de aangiftetermijn moeten zijn gemeld. Dat is evenmin gebeurd. Artikel 7, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit is hier niet van toepassing, aangezien niet tijdig aangifte is gedaan en de eerste naheffingsaanslag ambtshalve is opgelegd. Verweerder meent dat hier ook niet van een suppletie-aangifte sprake is: de situatie is dat de vennootschap alsnog aangifte heeft gedaan over het tijdvak waarvoor zij reeds ambtshalve was aangeslagen.

3.3.3. Verweerder heeft ten slotte aangevoerd thans niet meer te kunnen nagaan of de beschikking tot aansprakelijkstelling wel of niet aangetekend aan eiser is verzonden. Hij heeft wel gesteld dat dit de normale gang van zaken is bij aansprakelijkstellingen. Overigens constateert hij dat eiser de beschikking heeft ontvangen, zodat hij niet in zijn belangen is geschaad. Vermelding van een adres van de belastingschuldige is niet nodig, aldus verweerder, aangezien het eiser duidelijk is ter zake van welke schuld hij aansprakelijk is gesteld.

Beoordeling van het geschil

4.1. Artikel 19, eerste lid, AWR, luidt - voor zover hier van belang - als volgt:

"In de gevallen waarin de belastingwet voldoening van in een tijdvak verschuldigd geworden (..) belasting op aangifte voorschrijft, is de belastingplichtige (..) gehouden de belasting binnen één maand na het einde van dat tijdvak overeenkomstig de aangifte aan de ontvanger te betalen."

4.2. Niet in geschil is dat de vennootschap op grond van de bepalingen van de Wet op de omzetbelasting 1968 in het vierde kwartaal van 2001 (materieel) omzetbelasting verschuldigd is geworden, die had moeten worden voldaan op aangifte. Betaling had volgens het hiervoor weergegeven artikelonderdeel moeten plaatsvinden binnen één maand na einde van het tijdvak, in dit geval dus uiterlijk op 31 januari 2002. De woorden "overeenkomstig de aangifte" hebben in dat verband naar het oordeel van de rechtbank geen andere betekenis dan dat het volledige aangegeven bedrag dient te worden betaald. Eisers lezing, inhoudend dat de woorden "overeenkomstig de aangifte" zouden meebrengen dat in het geval dat wordt verzuimd de voorgeschreven aangifte te doen ook de in dit artikelonderdeel gegeven betalingstermijn komt te vervallen, vindt geen steun in het recht.

4.3. Artikel 36 van de Invorderingswet 1990 (IW) bepaalt voorts - voor zover hier van belang - het volgende:

Hoofdelijk aansprakelijk is voor (..) de omzetbelasting (..) verschuldigd door een rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam in de zin van de AWR dat volledig rechtsbevoegd is, voor zover het aan de heffing van vennootschapsbelasting is onderworpen: ieder van de bestuurders overeenkomstig het bepaalde in de volgende leden.

Het lichaam als bedoeld in het eerste lid is verplicht om onverwijld nadat gebleken is dat het niet tot betaling van (..) omzetbelasting(..) in staat is, daarvan mededeling te doen aan de ontvanger (..). Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot (..) de termijnen waarbinnen het doen van de mededeling (..) dienen te geschieden.

Indien het lichaam op juiste wijze aan zijn in het tweede lid bedoelde verplichting heeft voldaan, is een bestuurder aansprakelijk indien aannemelijk is, dat het niet betalen van de belastingschuld het gevolg is van aan hem te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur in de periode van drie jaren, voorafgaande aan het tijdstip van de mededeling.

Indien het lichaam niet of niet op juiste wijze aan zijn in het tweede lid bedoelde verplichting heeft voldaan, is een bestuurder op de voet van het bepaalde in het derde lid aansprakelijk, met dien verstande dat wordt vermoed dat de niet betaling aan hem is te wijten en dat de periode van drie jaren wordt geacht in te gaan op het tijdstip waarop het lichaam in gebreke is. Tot de weerlegging van het vermoeden wordt slechts toegelaten de bestuurder die aannemelijk maakt dat het niet aan hem is te wijten dat het lichaam niet aan zijn in het tweede lid bedoelde verplichting heeft voldaan.

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder bestuurder mede verstaan: (..)

c. indien een bestuurder van een lichaam een lichaam is in de zin van de AWR: ieder van de bestuurders van het laatstbedoelde lichaam.

4.4. Op welke wijze rechtsgeldig betalingsonmacht kan worden gemeld, is vastgelegd in het Uitvoeringsbesluit. Artikel 7 Uitvoeringsbesluit luidt als volgt:

"1. De mededeling, bedoeld in artikel 36, tweede lid, van de wet, wordt gedaan uiterlijk twee

weken na de dag waarop ingevolge artikel 19 van de AWR de verschuldigde belasting behoorde te zijn afgedragen of voldaan.

In geval van betalingsonmacht ter zake van een naheffingsaanslag die is opgelegd vanwege de omstandigheid dat de verschuldigde belasting meer beloopt dan die welke overeenkomstig de aangifte is dan wel had moeten worden afgedragen of voldaan, kan, voor zover die omstandigheid niet is te wijten aan opzet of grove schuld van het lichaam, in afwijking van het eerste lid, de mededeling worden gedaan uiterlijk twee weken na de vervaldag van die aanslag.

Bij de mededeling wordt inzicht gegeven in de omstandigheden die ertoe hebben geleid

dat de verschuldigde belasting niet op aangifte is afgedragen of voldaan of niet is betaald."

4.5. Volgens de hoofdregel van het eerste lid van artikel 7 Uitvoeringsbesluit had de melding van betalingsonmacht uiterlijk op 14 februari 2002 moeten zijn gedaan. Dat is niet gebeurd. Het tweede lid van artikel 7 Uitvoeringsbesluit opent daarnaast de mogelijkheid voor het alsnog rechtsgeldig melden in het geval een naheffingsaanslag is opgelegd. De rechtbank acht dit artikelonderdeel hier niet van toepassing. Zo de alsnog door eiser ingediende opgave van de over het vierde kwartaal 2001 verschuldigde omzetbelasting al als aangifte als hier bedoeld zou moeten worden gezien, is het immers niet zo dat de naheffingsaanslag van 24 april 2002 is opgelegd omdat er meer omzetbelasting verschuldigd bleek te zijn dan in die opgave is vermeld. Naar het oordeel van de rechtbank brengt een redelijke wetsuitleg mee dat de hier gegeven mogelijkheid is bedoeld voor de situatie waarin tijdig en te goeder trouw aangifte is gedaan en is betaald, maar in een later stadium blijkt dat toch meer belasting verschuldigd was. Daarvan is hier geen sprake. Ook op de eerste naheffingsaanslag, waarvoor eiser overigens de aansprakelijkheid erkent, kan dit artikelonderdeel geen betrekking hebben, aangezien deze niet berust op een ingediende aangifte, maar ambtshalve is opgelegd. Er is dus geen sprake geweest van een tijdige - rechtsgeldige - melding van betalingsonmacht.

4.6. Gelet op het bepaalde in het vierde lid van artikel 36 IW wordt vermoed dat de niet betaling van de belastingschuld aan eiser te wijten is en is er geen plaats voor toelating van eiser tot de weerlegging van dat vermoeden. Eiser is daarmee aansprakelijk voor de hier aan de orde zijnde belastingschuld.

4.7. Ter zitting heeft eiser voor het eerst het standpunt ingenomen dat de betalingsonmacht pas is ontstaan na het moment dat uiterlijk rechtsgeldig melding kon worden gedaan, zodat er helemaal geen sprake is geweest van een verplichting tot melding. Eiser heeft een en ander niet nader onderbouwd. Op de vraag ter zitting waarom de belasting niet tijdig is voldaan kon of wilde eiser om hem moverende redenen daarvoor geen oorzaak noemen.

De hiervoor bedoelde stelling kan eiser ook overigens niet baten. Zoals de Hoge Raad reeds in zijn ook door verweerder genoemde arrest van 13 juli 1994 (BNB 1995/201) heeft geoordeeld, ligt aan de aansprakelijkstelling een wettelijk systeem ten grondslag waarin de ondernemer slechts de keuze heeft tussen tijdig betalen of melden dat hij niet tot betalen in staat is. De rechtbank is van oordeel dat dit voor de huidige regelgeving niet anders is. Nu er niet is betaald en niet tijdig is gemeld, is eiser aansprakelijk.

4.8. De rechtbank is van oordeel dat, ook al zou komen vast te staan dat de beschikking niet aangetekend is verzonden, dit niet kan leiden tot vernietiging daarvan. Vast staat immers dat de beschikking eiser heeft bereikt en dat hij in staat is geweest daartegen tijdig bezwaar aan te tekenen, zodat eiser niet in zijn belangen is geschaad. De overige klachten van eiser kunnen evenmin leiden tot vernietiging van de aansprakelijkstelling. Eisers hoedanigheid van middellijk bestuurder van de vennootschap is niet komen te vervallen door het faillissement van de vennootschap. Of de tweede naheffingsaanslag hem al dan niet heeft bereikt is voor deze zaak niet relevant. De beschikking tot aansprakelijkstelling laat geen twijfel bestaan over de vraag voor welke belastingschuldige eiser aansprakelijk is gesteld. De vennootschap was vanaf het verstrijken van de uit de wet voortvloeiende uiterste betaaldatum van 31 januari 2002 van rechtswege in gebreke met het voldoen van haar omzetbelastingschuld over het vierde kwartaal van 2001. Gelet op het daaropvolgende faillissement mocht worden aangenomen dat zij niet meer aan haar verplichting ter zake zou voldoen, welke verwachting ook is uitgekomen. Afspraken die eiser met de curator heeft gemaakt ten slotte, regarderen verweerder niet.

4.9. Ten aanzien van de aansprakelijkstelling voor de verhoging en kosten heeft verweerder nader onderbouwd dat eiser van het ontstaan daarvan een verwijt gemaakt kan worden, nu hij heeft nagelaten als bestuurder op enigerlei wijze toezicht te houden op het tijdig indienen van de aangifte door de vennootschap en het (tijdig) betalen van de verschuldigde belasting. Eiser heeft hier niets tegenover gesteld. De aansprakelijkstelling kan daarom ook op dit punt in stand blijven.

4.10. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 5 juli 2007 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. J.L. Bruinsma, voorzitter, mrs. R.G. Kemmers en E. Jochem, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Graanstra, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd; 2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.