Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BI0672

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
21-09-2007
Datum publicatie
15-04-2009
Zaaknummer
06/10718
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Aftrek premie voor aanvullend pensioen. Pensioentekort niet aannemelijk gemaakt.

Proceskostenvergoeding bezwaarfase. Geen sprake aavn verweerder te wijten onrechtmatigheid. Eerst in bezwaar bewijsstukken overgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2009/919
PJ 2009, 99

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/10718

Uitspraakdatum: 21 september 2007

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

X, wonende te Z, eiser,

gemachtigde: A,

en

de inspecteur van de Belastingdienst te P, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2004 een aanslag (aanslagnummer [nummer]) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 26.040.

1.2. Eiser heeft tegen deze aanslag een bezwaarschrift ingediend.

1.3. Verweerder is bij uitspraak op bezwaar van 22 augustus 2006 gedeeltelijk aan het bezwaar tegemoetgekomen. Eiser heeft daartegen bij brief van 2 oktober 2006, ontvangen bij de rechtbank op 5 oktober 2006, beroep ingesteld.

1.4. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend. Vervolgens heeft eiser bij brief van 16 januari 2007, ontvangen bij de rechtbank op 17 januari 2007, een nader stuk ingediend.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 augustus 2007. Namens eiser is verschenen zijn gemachtigde A tot bijstand vergezeld van B. Namens verweerder is verschenen C.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Eiser heeft op 28 september 1994 bij de verzekeringsmaatschappij D een zogenoemd bijspijkerpensioen afgesloten. De premie bedroeg in 2004 € 51 per maand en is geheel bestemd voor een lijfrente.

2.2. Op 15 maart 2005 heeft eiser voor het jaar 2004 aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen gedaan. Eiser heeft in zijn aangifte een bedrag van € 11.610 aan hypotheekrente afgetrokken.

2.3. In zijn voornemen tot afwijken van de aangifte van 20 februari 2006 schrijft verweerder:

“(…) In uw aangifte trekt u € 11.610 af voor hypotheekrente. Deze rente is alleen aftrekbaar als de hypotheek is afgesloten voor aankoop, verbetering en/of onderhoud van uw woning. Ik heb de bij de behandeling van de aangifte Inkomstenbelasting 2003 vastgesteld dat een deel van de hypotheekschuld geen betrekking heeft op de aankoop, verbetering en/of onderhoud van uw eigen woning waarop thans het eigen woningforfait van toepassing is. Ik heb u daarvan destijds schriftelijk in kennis gesteld. Daarom heeft u geen recht op aftrek van de rente voor dit deel van de hypotheek. De rente voor dit deel heb ik vastgesteld op € 799 (17.560/255.00 x € 11.610). Ik ben dan ook van plan op dit punt van de aangifte af te wijken met een bedrag van € 799. (…)”

2.4. Eiser heeft bij brief van 16 maart 2006 gereageerd op bovenstaande voorgenomen afwijking van de aangifte. Eiser stelt dat hij de volle hypotheekschuld heeft besteed aan de koop, het onderhoud en de verbetering van zijn eigen woning.

2.5. In reactie op bovenstaande brief van eiser schrijft verweerder in de brief van 20 maart 2006:

“(…) U geeft gereageerd op mijn voornemen af te wijken van uw aangifte inkomstenbelasting 2004 inzake de herkwalificatie van de eigenwoningschuld. U heeft geen nieuwe feiten aangeleverd. U geeft alleen maar aan dat de herkwalificatie van de schuld onjuist is, zonder nadere motivatie. Ik heb dan ook besloten de afwijking van uw aangifte op dit punt te handhaven.(…)”

2.6. De aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 2004 heeft verweerder vervolgens volgens zijn voornemen vastgesteld.

2.7. In bezwaar heeft eiser aangevoerd dat hij voor € 11.700 aan onkosten voor zijn huis heeft gemaakt, die aantoonbaar zijn via bonnen en betalingsbewijzen en dat hij die kosten met de hypotheeklening heeft gefinancierd. Tevens stelt eiser dat hij vergeten is een bedrag van € 612 aan lijfrentepremie aan te geven. Voorts verzoekt eiser om een vergoeding van de kosten van beroepsmatige bijstand.

2.8. Verweerder heeft bij brieven van 19 mei 2006 en 29 mei 2006 verzocht om nadere informatie. Eiser heeft op deze brieven bij brief van 31 mei 2006 gereageerd en informatie verstrekt.

2.9. In de uitspraak op bezwaar van 7 augustus 2006 komt verweerder gedeeltelijk tegemoet aan het bezwaar van eiser. De hypotheekrente aftrek wordt alsnog toegestaan. De aftrek van de lijfrente wordt geweigerd, omdat de berekening van de jaarruimte niet is toegezonden. Een proceskostenvergoeding wordt niet toegekend.

3. Geschil

In geschil is:

(i) of verweerder terecht de aftrek van de lijfrente heeft geweigerd en

(ii) of verweerder terecht geen proceskostenvergoeding heeft toegekend.

4. Standpunt van partijen

Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de stukken van het geding.

Ter zitting hebben partijen, zakelijk weergegeven, hieraan nog het volgende toegevoegd:

De gemachtigde van eiser, A:

Eiser heeft zelf de aangifte voor het jaar 2004 gedaan. Hij heeft de hypotheekrente afgetrokken en de eigenwoningschuld vermeld. Op de brief van verweerder waarin hij aangeeft dat hij voornemens is van de aangifte af te wijken, heeft eiser gereageerd.

Verweerder had toen informatie op moeten vragen in plaats van bij het vaststellen van de aanslag van 2004 uit te gaan van de juistheid van de aanslag van 2003. De aangifte 2004 klopte namelijk wel. Pas in bezwaar zijn stukken gevraagd waaruit het standpunt van eiser zou kunnen blijken. Uiteindelijk is erkend dat de hypotheekschuld is besteed aan uitgaven voor de eigen woning van eiser. Verweerder is gedeeltelijk tegemoet gekomen aan het bezwaar. Hij heeft echter ten onrechte geen proceskostenvergoeding toegekend.

Op 17 januari 2007 beschikte ik pas over gegevens betreffende de lijfrente. In de berekening van de jaarruimte lijkt inderdaad met pen het jaar 2005 te zijn doorgehaald en te zijn veranderd in het jaar 2004. Ik heb hier ook gegevens over het jaar 2005, dat zijn dezelfde gegevens als die over het jaar 2004. Waarschijnlijk is de ruimte zo groot, dat de gegevens gelijk zijn. Eiser moet het pensioentekort aannemelijk maken, maar dit hoeft toch naar mijn mening niet met allerlei ingewikkelde berekeningen.

Verweerder:

Eiser heeft geen stukken van het pensioenfonds overgelegd waaruit blijkt wat de pensioenaangroei is. Er wordt een bedrag genoemd, dat de jaarlijkse aangroei zou moeten zijn, maar dit staat niet vast. Er zijn ook geen betalingsbewijzen overgelegd waaruit blijkt dat de premie € 788 is en niet € 612, zoals eerder door eiser is gesteld. Eiser moet het pensioentekort aannemelijk maken.

Voor het vergoeden van proceskosten moet er sprake zijn van een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Daarvan is in casu geen sprake. Bij het vaststellen van de aanslag in 2003 zijn er geen stukken overgelegd. Alleen een reactie dat eiser het er niet mee eens is, is niet voldoende. Eiser kan je verwijten dat hij geen stukken heeft overgelegd. Pas in de bezwaarfase zijn alsnog allerlei bonnen zijn overgelegd en is de hypotheekrente aftrek alsnog toegestaan.

5. Beoordeling van het geschil

Aftrek premie lijfrente

5.1.1. Ingevolge artikel 3.124 van de Wet IB 2001 worden als uitgaven voor inkomensvoorzieningen onder andere aangemerkt de op de belastingplichtige drukkende premies voor lijfrenten die dienen ter compensatie van een pensioentekort tot de in de artikelen 3.127, 3.128 en 3.129 genoemde bedragen.

5.1.3. Op grond van artikel 3.127, eerste lid, van de Wet IB 2001 kan de belastingplichtige indien hij bij de aanvang van het kalenderjaar nog niet de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, vanwege een pensioentekort in het voorafgaande kalenderjaar, premies voor lijfrenten als bedoeld in artikel 3.124, onderdeel a, in aanmerking nemen tot een gezamenlijk bedrag van ten hoogste 17% van de premiegrondslag, waarbij op de uitkomst van deze berekening nog in aftrek komt de volgens het vierde lid bepaalde verminderingen in verband met de opbouw van pensioenaanspraken en dotaties aan de oudedagsreserve.

5.2. De rechtbank stelt voorop dat op eiser de last rust het pensioentekort en de voor de berekening daarvan noodzakelijk gegevens waaronder de jaarlijkse pensioenaangroei aannemelijk te maken. Met het door eiser bij brief van 16 januari 2007, door de rechtbank ontvangen op 17 januari 2007, overgelegde overzicht heeft eiser de jaarlijkse pensioenaangroei niet aannemelijk gemaakt. Het overzicht vermeld wel een jaarlijkse pensioenaangroei, maar dat gegeven is niet onderbouwd door middel van bewijsstukken.

Voorts merkt de rechtbank nog op dat het overgelegde overzicht op zich ook niet overtuigend is, reeds omdat, mede gelet op de verklaring van de gemachtigde van eiser ter zitting en het daarin vermelde bedrag aan franchise van € 10.719 - zijnde het bedrag dat in 2005 in aftrek gebracht mocht worden - het overgelegde overzicht kennelijk ziet op het jaar 2005 en niet op het jaar 2004.

Eiser heeft derhalve niet aannemelijk gemaakt dat hij recht heeft op aftrek van uitgaven voor lijfrente, zodat verweerder die aftrek terecht heeft geweigerd.

Proceskosten vergoeding voor de bezwaarfase

5.3. Op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb worden de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

5.4. Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van aan verweerder te wijten onrechtmatigheid op grond waarvan het bezwaar gegrond is verklaard, neemt de rechtbank het volgende in aanmerking. Bij het vaststellen van de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor 2003 is verweerder gemotiveerd van de aangifte afgeweken, omdat eiser ondanks herhaalde verzoeken niet inzichtelijk had gemaakt waaraan hij het bedrag van € 17.560 heeft besteed. Eiser had toen geen enkel bewijsstuk overgelegd. Bij de aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor 2004 neemt eiser de schuld eigen woning opnieuw in aanmerking zonder rekening te houden met de in het jaar 2003 aangebrachte correctie. In zijn voornemen tot afwijking (zie hiervoor onder overweging 2.3.) van de aangifte 2004 heeft verweerder verwezen naar de correspondentie over het jaar 2003. Eiser heeft vervolgens zijn stelling dat hij het bedrag van € 17.560 heeft besteed aan verbetering of onderhoud van zijn eigen woning niet onderbouwd met enig bewijsstuk (zie hiervoor onder de overwegingen 2.4 en 2.5). Eiser heeft eerst in de bezwaarprocedure bewijsstukken met betrekking tot de door hem voorgestane aftrek heeft overgelegd. Gelet op het voorgaande heeft verweerder in de aanslagregelende fase niet verwijtbaar onrechtmatig gehandeld bij het vaststellen van de bestreden aanslag, zodat eiser niet in aanmerking komt voor vergoeding van de kosten van beroepsmatige bijstand. Verweerder heeft de proceskostenvergoeding derhalve terecht geweigerd.

5.5. Het beroep moet derhalve ongegrond worden verklaard.

6. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

7. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 21 september 2007 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. R.H.M. Bruin, rechter, in tegenwoordigheid van mr. S. Jalink, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.