Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BH9830

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
21-06-2007
Datum publicatie
02-04-2009
Zaaknummer
06/4928
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Verweerder mocht bij de vaststelling van de aanslag IB/PVV uitgaan van de in de elektronische aangifte vermelde gegevens.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/4928

Uitspraakdatum: 21 juni 2007

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

X, wonende te Z, eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst te P, verweerder.

Ontstaan en loop van het geding

1.1 Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2004 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd.

1.2 Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 8 maart 2006 de aanslag gehandhaafd.

1.3 Eiseres heeft daartegen bij brief van 18 april 2006, ontvangen bij de rechtbank op 19 april 2006, beroep ingesteld.

1.4 Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.5 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 mei 2007 te Haarlem.

Eiseres is daar in persoon verschenen bijgestaan door haar gemachtigde A. Namens verweerder is verschenen B. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres het woord gevoerd aan de hand van een pleitnota met daarbij gevoegd als bijlage een kopie van de zijn exemplaar van de aangifte IB/PVV over het jaar 2004.

Tussen partijen vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1. Eiseres, geboren op 16 maart 1961, is in loondienst werkzaam en zij heeft in 2004 het gehele jaar op het adres a-plein 1 gewoond. Volgens de gegevens van het bevolkingsregister heeft zij geheel 2004 op dat adres gewoond met haar toenmalige echtgenoot C, van wie zij op 22 juli 2005 is gescheiden, en haar dochter D, geboren op 19 september 1990, en haar zoon E, geboren op 6 december 1994. Sinds 28 april 2004 stond haar dochter D ingeschreven op het adres a-kade 1 bij haar vader.

2.2. Eiseres heeft op 18 juli 2005 elektronisch aangifte IB/PVV voor het jaar 2004 gedaan. Blijkens de door verweerder overgelegde uitdraai van de door hem ontvangen elektronische aangifte staat in deze aangifte vermeld dat eiseres het gehele jaar 2004 gehuwd is geweest met voornoemde C. In deze elektronische aangifte is niet verzocht om de alleenstaande- en aanvullende alleenstaande ouderkorting. C heeft over 2004 tevens een voorlopige teruggaaf van de algemene heffingskorting voor de minstverdienende partner aangevraagd en verkregen.

2.3. In het bezwaarschrift tegen de aanslag IB/PVV over het jaar 2004 heeft eiseres aangegeven dat zij het gehele jaar 2004 alleen een huishouden heeft gevoerd met haar beide kinderen. Zij heeft verweerder verzocht voor dat jaar daarom alsnog rekening te willen houden met de alleenstaande- en aanvullende alleenstaande ouderkorting.

2.4. Bij brief van 13 februari 2006 heeft eiseres aan verweerder een verklaring, gedagtekend 6 februari 2005, van haar ex-echtgenoot overgelegd, waarin onder meer staat vermeld:

"Sinds november 2003 woon ik niet meer samen met mevrouw X. Wij zijn toen een scheidingsprocedure begonnen en ik verbleef daarna op andere adressen waar ik mij niet officieel kon inschrijven. Ik heb het adres van X sindsdien alleen als postadres gebruikt. Op 22 juli 2005 ben ik officieel gescheiden en kort daarvoor, op 20 juni 2005, kon ik mij inschrijven op het adres a-straat 1 te Z. Ik vorm dus sinds november 2003 op geen enkele wijze een economische eenheid meer met X."

Geschil en standpunten van partijen

3.1. Is geschil is of eiseres recht heeft op alleenstaande- en aanvullende ouderkorting. Daarbij is met name in geschil of in 2004 reeds sprake was van een situatie van “duurzaam gescheiden leven” met haar inmiddels ex-echtgenoot C.

3.2. Eiseres stelt dat in de aangifte IB/PVV over het jaar 2004 is aangegeven dat zij in aanmerking wenst te komen voor de alleenstaande- en aanvullende ouderkorting. Eiseres acht het dan ook in strijd met het vertrouwensbeginsel dat in de definitieve aanslag is vermeld dat deze conform de aangifte is opgelegd. Eiseres is van mening dat zij door middel van de verklaring van haar ex-echtgenoot voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij in 2004 niet langer met hem samenwoonde, terwijl de echtscheiding in juli 2005 daarvoor eveneens een redelijk vermoeden oplevert. Voorts heeft eiseres ter zitting verklaard dat haar ex-echtgenoot van Cubaanse afkomst is en dat hij louter op haar adres stond ingeschreven om na drie jaar te voldoen aan één van de voorwaarden om de Nederlandse nationaliteit te verkrijgen. Ter zitting heeft eiseres haar grief dat sprake is van schending van de hoorplicht ingetrokken.

3.3. Verweerder bestrijdt de grieven van eiseres en concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

Beoordeling van het geschil

4.1. Ingevolge de artikelen 8.15 en 8:16, eerste lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) geldt - onder meer en voor zover hier van belang – de alleenstaande-ouderkorting en de aanvullende alleenstaande-ouderkorting voor de belastingplichtige die in het kalenderjaar gedurende meer dan zes maanden geen partner heeft.

4.2. Uit de door verweerder overgelegde uitdraai van de door verweerder van eiseres ontvangen elektronische aangifte IB/PVV over het jaar 2004 blijkt dat eiseres daarin heeft aangegeven dat zij het gehele jaar 2004 gehuwd is geweest en dat eiseres niet heeft verzocht om toepassing van de alleenstaande- en aanvullende alleenstaande ouderkorting. Dat uit het exemplaar van de door de gemachtigde van eiseres bewaarde aangifte IB/PVV het tegendeel blijkt, doet er niet aan af dat verweerder bij de vaststelling van de aanslag IB/PVV mocht uitgaan van de in de elektronische aangifte vermelde gegevens. Niettemin stond het eiseres vrij om in het bezwaarschrift alsnog om toepassing van de in geding zijnde kortingen te verzoeken. De bewijslast dat zij aan in aanmerking komt voor deze kortingen blijft daarbij rusten op eiseres.

4.3. Op basis van de onder punt 2.1 en 2.2 vermelde vaststaande feiten, in onderling verband en samenhang bezien, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank terecht aangenomen dat eiseres in 2004 niet voldeed aan de voorwaarde dat zij gedurende meer dan zes maanden geen partner had en dat eiseres derhalve geen recht had op toepassing van de alleenstaande-ouderkorting en aanvullende alleenstaande-ouderkorting. Eiseres - op wie de bewijslast rust - heeft tegenover deze vaststaande feiten met de onder 2.4. vermelde verklaring van haar ex-echtgenoot en haar eigen verklaring ter zitting onvoldoende feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt die tot een ander oordeel leiden.

4.4. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep ongegrond.

Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 21 juni 2007 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. E. Jochem, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J. de Jong, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.