Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BH2767

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
31-05-2007
Datum publicatie
26-03-2009
Zaaknummer
AWB 06/2575
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beroep tegen verliesverrekening ex art. 3.152 Wet IB 2001 is ongegrond, aangezien de verliesverrekening niet ziet op de grootte van het te verrekenen verlies doch uitsluitend op de techniek van de verrekening

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/2575

Uitspraakdatum: 31 mei 2007

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

X, wonende Z, eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst te P, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Aan eiser is, met dagtekening 9 november 2005, voor het jaar 1999 een beschikking gegeven als bedoeld in artikel 3.152 van de Wet inkomstenbelasting 2001(hierna: verliesverrekeningsbeschikking) tot verrekening van een verlies uit werk en woning uit 2002 van € 14.464.

De verliesverrekeningsbeschikking is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van verweerder van 10 januari 2006, gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen bij brief van 13 februari 2006, ontvangen bij de rechtbank op 14 februari 2006 en aangevuld bij schrijven van 5 april 2006, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 maart 2007 te Haarlem. A is als gemachtigde van eiser verschenen. Namens verweerder is verschenen B.

Eiser heeft een pleitnota voorgedragen en een exemplaar daarvan (met bijlage) aan de rechtbank en verweerder overgelegd. Voorts heeft eiser een financieel verslag 2002 van de onderneming van eiser aan de rechtbank en aan verweerder overgelegd. De rechtbank rekent voornoemde stukken tot de stukken van het geding.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Eiser, geboren in 1968, was in de jaren vóór 2002 in loondienst werkzaam. Hij werkte als daytrader, eerst bij C, later bij D BV.

2.2. In 2002 was eiser niet in loondienst werkzaam; in dit jaar werkte eiser voor eigen rekening en risico als daytrader.

2.3. Op 20 september 2004 heeft eiser een opgaaf startende onderneming bij verweerder ingediend. In deze opgaaf is als datum waarop de onderneming van start is gegaan 1 januari 2002 vermeld. Onder punt 4a. “Omschrijf zo uitgebreid mogelijk de bedrijfsactiviteiten van de onderneming” heeft eiser vermeld:

“Daytraden (zie kopy) Handel futures en opties op aandelen”

2.4. Eiser heeft op 5 mei 2004 zijn aangifte inkomstenbelasting en premieheffing voor het jaar 2002 (de aangifte) ingediend. In de aangifte is een belastbaar inkomen uit werk en woning aangegeven van -/- € 83.831. Verweerder heeft op 3 augustus 2005 de aanslag inkomstenbelasting en premieheffing 2002 (de aanslag) opgelegd waarbij het belastbaar inkomen uit werk en woning is vastgesteld op -/- € 14.464 en het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen op € 15.996. Op 17 augustus 2005 heeft verweerder een beschikking gegeven als bedoeld in artikel 3.151 van de Wet inkomstenbelasting 2001(hierna: verliesvaststellingsbeschikking) tot vaststelling van een verlies uit werk en woning uit 2002 van € 14.464.

2.5. De aanslag en de verliesvaststellingsbeschikking zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak op bezwaar van verweerder van 17 november 2005, gehandhaafd.

3. Geschil en standpunten van partijen

In geschil is of de verliesverrekeningsbeschikking naar het juiste bedrag is vastgesteld.

Eiser stelt zich, samengevat, op het standpunt dat het verlies uit 2002 van € 83.831 in 1999 verrekend dient te worden. Eiser voert aan dat hij een onderneming dreef in 2002 en het verlies uit onderneming in 2002 € 69.367 bedroeg. Voorts doet eiser, ten aanzien van de kwalificatie van zijn activiteiten, een beroep op het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel.

Verweerder stelt zich, samengevat, primair op het standpunt dat het verlies uit 2002 juist is verrekend en dat de grootte van het te verrekenen verlies niet meer aan de orde kan komen bij de onderhavige verliesverrekeningsbeschikking.

Subsidiair stelt verweerder dat eiser geen onderneming dreef in 2002. De activiteiten van eiser zijn volgens verweerder te kwalificeren als normaal vermogensbeheer. De effectenportefeuille van eiser behoort tot de heffingsgrondslag bij sparen en beleggen (box 3).

4. Beoordeling van het geschil

4.1. De rechtbank zal eerst de vraag beoordelen of het beroep van eiser tegen de onderhavige verliesverrekeningsbeschikking tot gevolg kan hebben dat het te verrekenen verlies op een hoger bedrag wordt vastgesteld. Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord is de vraag aan de orde of de activiteiten van eiser aan te merken zijn als het drijven van een onderneming.

4.2. In artikel 3.152 van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001, tekst 2002) zijn bepalingen inzake achterwaartse verliesverrekening opgenomen. Dit artikel luidt, voor zover van belang:

1. Verrekening van verlies uit werk en woning met het inkomen uit werk en woning van een voorafgaand kalenderjaar vindt plaats door vermindering van de aanslag bij voor bezwaar vatbare beschikking van de inspecteur. In de beschikking wordt tevens vastgesteld welk bedrag aan ondernemingsverlies wordt verrekend.

2. De inspecteur geeft de beschikking gelijktijdig met het vaststellen van de aanslag over het jaar waarin het verlies is ontstaan.

(…)

4. Rechtsmiddelen tegen de beschikking kunnen uitsluitend betrekking hebben op de toepassing van artikel 3.150.

Artikel 3.150 Wet IB 2001 luidt:

1. Het verlies uit werk en woning wordt verrekend met de inkomens uit werk en woning van de drie voorafgaande en acht volgende kalenderjaren.

2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder verlies uit werk en woning mede verstaan verlies uit werk en woning in Nederland zoals bedoeld in artikel 7.2, derde lid.

3. De in het eerste lid genoemde termijn van acht jaar wordt terzake van ondernemingsverliezen onbepaald verlengd.

4. De in het eerste lid genoemde termijn van drie jaar wordt voor een belastingplichtige aan wie wegens gemoedsbezwaren ontheffing is verleend als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, van de Wet financiering volksverzekeringen, en hij daarvoor bij de aangifte kiest, voor de in het vijfde lid bedoelde ondernemingsverliezen verlengd tot acht jaar.

5. Het vierde lid is van toepassing op ondernemingsverliezen die zijn toe te rekenen aan kosten en lasten van schade als gevolg van risico's die andere belastingplichtigen die wat betreft aard en omvang van de bedrijfsactiviteiten in een vergelijkbare positie verkeren als de belastingplichtige, plegen te verzekeren.

6. De verrekening vindt plaats in de volgorde waarin de verliezen zijn ontstaan en de inkomens zijn genoten, met dien verstande dat eerst andere verliezen dan ondernemingsverliezen worden verrekend.

7. Het verlies uit werk en woning voorzover dit is voortgevloeid uit de toerekening van gemeenschappelijke inkomensbestanddelen aan de belastingplichtige en niet kan worden verrekend met inkomens uit werk en woning van de jaren waarin de belastingplichtige een partner heeft, wordt ingeval het partnerschap door het overlijden van de belastingplichtige eindigt aangemerkt als verlies uit werk en woning van de partner mits zowel de belastingplichtige als zijn partner op het tijdstip van beëindiging binnenlands belastingplichtige was.

8. Het ondernemingsverlies dat met toepassing van artikel 14c, derde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 geacht wordt te zijn geleden door de aandeelhouder die de onderneming voortzet, wordt uitsluitend verrekend met de winst uit de voortgezette onderneming.

4.3. Gelet op het bepaalde in artikel 3.152, vierde lid,Wet IB 2001 dienen de rechtsmiddelen van eiser tegen de onderhavige verliesverrekeningsbeschikking, bij uitsluiting, betrekking te hebben op de toepassing van artikel 3.150 Wet IB 2001. Artikel 3.150 Wet IB 2001 ziet evenwel niet op de grootte van het te verrekenen verlies maar, samengevat, op de techniek van de verrekening. Eiser heeft tegen de toepassing van laatstgenoemde bepaling geen gronden aangevoerd, en ook ter zitting heeft de gemachtigde terzake niets aangevoerd.

Naar het oordeel van de rechtbank valt niet in te zien dat artikel 3.150 Wet IB 2001 niet juist zou zijn toegepast. Voorts kunnen, zoals volgt uit het hiervooroverwogene, rechtsmiddelen tegen de verliesverrekeningsbeschikking voor het jaar 1999 geen betrekking hebben op de grootte van het te verrekenen bedrag uit het jaar 2002. Dit leidt tot de conclusie dat het gelijk aan verweerder is.

4.4. Indien en voor zover het beroep van eiser is bedoeld als een beroep tegen de uitspraak op bezwaar inzake de verliesvaststellingsbeschikking overweegt de rechtbank het volgende. Vaststaat dat de uitspraak op bezwaar inzake de verliesvaststellingsbeschikking is gedagtekend op 17 november 2005. Hieruit volgt dat de beroepstermijn op 18 november 2005 is aangevangen en dat deze is geëindigd op donderdag 29 december 2005. De rechtbank heeft het onderhavige beroepschrift ontvangen op 14 februari 2006, derhalve ruim na afloop van de beroepstermijn inzake de verliesvaststellingsbeschikking. Eiser heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd die tot het te laat instellen van beroep hebben geleid. Het voorgaande brengt mee indien het onderhavige beroep zou worden opgevat als een beroep tegen de uitspraak op bezwaar inzake de verliesvaststellingsbeschikking dit beroep wegens termijnoverschrijding niet ontvankelijk zou moeten moet worden verklaard en eiser derhalve niet zou baten.

4.5. De overige door eiser aangevoerde gronden behoeven, nu de grootte van het te verrekenen verlies door de rechtbank niet kan worden beoordeeld, geen nadere bespreking.

4.6. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 31 mei 2007 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. M.J. Leijdekker, voorzitter, mr. A.P.M. van Rijn en mr. J.M. van Kempen, in tegenwoordigheid van mr. drs. M.W. Koenis, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam,

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.